kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 14 05 2017 18:14 voor het laatst bewerkt.

Gustave Flaubert

Gustave Flaubert door Eugène Giraud

 Frans schrijver. geboren 12 december 1821 in Rouen, overleden 8 mei 1880 in Croisset.

Gustave Flaubert (1821-1880) schreef zes boeken, die elk op hun eigen manier een mijlpaal zijn in de literatuurgeschiedenis:
. Madame Bovary (1857), de grondslag van het realisme in de romanschrijfkunst;
. Salammbô (1862), het romantisch-fantastische historische fresco;
. L'éducation sentimentale, De leerschool der liefde (1869), waarin onze voornaamste hartstocht diep wordt gepeild;
. La tentation de Saint-Antoine, De verzoeking van de heilige Antonius, waarin de nachtzijde van het bestaan aan de orde komt;
. Drie verhalen (1877), waarin het symbolisme al wordt aangekondigd;
. Trois contes, Bouvard en Pécuchet (onvoltooid), dat in zijn ironische verzameling clichés zelfs postmodern aandoet.

Bi(bli)ografie
Flaubert groeide in Noord-Frankrijk op. Hij was de zoon van een arts. Hoewel hij op school weinig uitvoert, houdt hij zich al vanaf zijn elfde bezig met literatuur.

Flaubert verlaat Rouen in 1940 om - de wens van zijn ouders volgend - in parijs rechten te studeren.

Omdat hij van het buitenleven houdt, en in Parijs niet kan aarden, reist hij tegen het eind van het jaar 1840 af naar de Pyreneeën en Corsica. Wanneer hij weer in Parijs terugkeert, doet hij niets anders dan zijn tijd verspillen aan sombere dromen.

In zijn eerste werken ('Memoirés d'un fou' (1838), 'Novembre' (1842)) staat hij nog onder invloed van de romantiek. Later geeft hij de voorkeur aan een realistische schrijfwijze waarin hij probeert, elk detail van de uiterlijke wereld, en van het innerlijk van de agerende figuren, precies vast te leggen.

In 1846 besluit hij in Croisset, vlakbij Rouen, een huis te maken voor zijn moeder, die alleen is achtergebleven in Rouen, nadat zijn vader en zijn zus Caroline zijn overleden. Het is voor hem ook een reden om Parijs en zijn rechtenstudie te kunnen verlaten. Het huis in Croisset blijft zijn woonplaats voor de rest van zijn leven.

Van 1846 tot 1854 onderhoudt Flaubert een relatie met de dichteres Louise Colet. Hun brieven zijn bewaard, en volgens Emile Faguet was dit de enige sentimentele episode van belang in het leven van Flaubert, die nooit is getrouwd. Zijn beste vriend op dat moment was de schrijver Maxime du Camp, met wie hij in 1846 naar Bretagne reisde.

Langs velden en oevers (reisnotities)
In de zomer van 1847 maken Gustave Flaubert en Maxime du Camp, een zwerftocht door het Loiregebied en Bretagne. Het wordt gedeeltelijk een voettocht, maar ook verplaatsen zij zich per boot en postkoets en reizen zij met de spiksplinternieuwe trein. Flaubert was zesentwintig tijdens deze tocht langs velden en oevers. Madame Bovary zat nog in de pen, maar een zeer zorgvuldig stilist was hij reeds in alle opzichten. Zijn observaties zijn scherp en hij wisselt ironische opmerkingen af met warme en romantische impressies. Wie aan Flauberts hand de kastelen aan de Loire bezoekt, kan achter de dingen uit het verleden kijken. En wie met hem door Bretagne zwerft, proeft het leven in de geïsoleerde negentiende-eeuwse steden.  Hij werkte zijn reisnotities uit maar pas in 1885 - vijf jaar na zijn dood - werd het manuscript gepubliceerd en voorzien van de aantekeningen van Du Camp. Het boek is vanuit velerlei gezichtspunten heel boeiend. Het beschrijft de 19e eeuwse situatie van landschap, mensen en verkeer van Touraine en Bretagne. Met oog voor de details die de impressies levend maken en waardoor een rijk geschakeerd beeld wordt opgeroepen van het geheel, komt het reisverhaal in prachtige volzinnen op de lezer af als een aaneenschakeling van kleurrijke schilderijen. Een boeiend boek voor wie zich interesseert voor de beschreven gebieden zoals deze zich toonden in de 19e eeuw. (Biblion recensie)

'Reis door de Oriënt'
In oktober 1849 vertrekt Gustave Flaubert met zijn vriend Maxime Du Camp voor een reis van anderhalf jaar door de Oriënt, waar ze Egypte, Palestina, Syrie, Libanon, Griekenland, Turkije en Italie bezoeken. Tijdens deze tocht genieten ze van de cultuur en de bouwkunst, maar ook brengen ze geregeld bezoekjes aan de plaatselijke bordelen. 'Reis door de Oriënt' markeert het begin van Flauberts schrijverscarrière. Tijdens zijn tocht laat hij zich inspireren door de woestijn, de verdwenen oudheid, het Oosten en de Nijl; indrukken die terugkomen in zijn latere romans Salammbô en De verzoeking van de Heilige Antonius.
Zijn reisaantekeningen tot Rhodos zijn in 1910 posthuum verschenen. Met de brieven die hij onderweg schreef, vormen ze waardevol materiaal voor onderzoekers van zijn literaire werk. Zijn eerste aantekeningen bewerkte hij, zoals in zijn tijd vaker gebeurde, tot een realistisch-sentimenteel relaas. Spoedig beperkte hij zich echter tot treffende beschrijvingen, waaruit een levendige belangstelling spreekt. Flaubert blijkt zich voor deze reis - toen een hele onderneming - goed te hebben gedocumenteerd. Hij bestemde deze aantekeningen, gezien enkele zeer persoonlijke en zelfs compromitterende passages, zeker niet voor publicatie.

Bij zijn terugkeer uit het nabije oosten, in 1850, begint hij met het schrijven van het boek "Madame Bovary". Het schrijven van de roman kost hem uiteindelijk zes jaar voorbereiding.

Madame Bovary
In 1857 verscheen de roman 'Madame Bovary', waarin het trieste bekrompen klimaat en de kleinburgerlijke verlangens in een provincienest in het noorden van Frankrijk geschilderd worden. Uit dit boek blijkt zijn streven naar poëtische authenticiteit. Hoewel het werk vanwege de sexuele vrijheden door de staat geboycot werd, erkenden tijdgenoten als Charles Baudelaire reeds de uitzonderlijke kwaliteit van zijn boek - een oordeel dat nu niet meer omstreden is.
Flaubert werd vervolgd voor obsceniteiten door openbare aanklagers toen het voor het eerst als feuilleton werd gepubliceerd in La Revue de Paris tussen 1 oktober 1856 en 15 december 1856, wat resulteerde in een geruchtmakende rechtszaak in januari 1857. Na de vrijspraak op 7 februari, werd het een bestseller in boekvorm in april 1857, en wordt nu gezien als één van de eerste moderne realistische romans.
Emma Rouault trouwt met de goedaardige plattelandsarts Charles Bovary, maar hunkert al snel naar een hartstochtelijk bestaan in de wereldstad Parijs. Emma Bovary pleegt regelmatig overspel en leeft boven haar stand om zo de banaliteit en de leegheid van het provinciale leven te ontsnappen. Haar huwelijk loopt stuk, evenals de relaties die zij vervolgens aanknoopt. Tegen het decor van de verpletterende verveling op het platteland tekent Flaubert met een scherp oog voor de fijnere gevoelens het leven van een vrouw die te gronde gaat aan haar romantische illusies.
 Ook al is het basisverhaal in wezen simpel, zelfs archetypisch, de ware kunst van de roman ligt in de details en verborgen patronen. Flaubert was berucht om zijn drang naar perfectie in zijn schrijven en beweerde altijd op zoek te zijn naar le mot juste (het juiste woord).
De roman over de vrouw van een goedaardige plattelandsdokter die door haar romantische fantasieen en haar schrale leven tot uitspattingen en tot zelfmoord wordt gedreven is een klassiek werk uit het 19e-eeuwse realisme. Flaubert levert ingehouden, venijnige kritiek op cliches uit de romantiek en de oppervlakkige beleving van weelde, en op de scheiding tussen het dagelijks bestaan en een verondersteld verheven, gelukzalig universum. Deze kritiek is nog steeds aktueel en de ironie van Flaubert blijft effektief, ook daar waar het optimistische vooruitgangsgeloof van de Verlichting het doelwit is.

Salammbô
In 1858 brengt Flaubert een bezoek aan Carthago. Naar aanleiding van dat bezoek begint hij zich in archeologie te verdiepen om zijn volgende boek, de in Afrika spelende roman Salammbô te kunnen schrijven. Hoewel hij onafgebroken doorwerkt, is het boek pas in 1862 af.
Salammbô wordt door Flaubertkenners beschouwd als een van de meesterwerken van Frankrijks grootste stilist uit de negentiende eeuw. Het is het voorbeeld geworden voor de schrijvers van historische romans. In dit werk heeft Flaubert, met een visionaire bewogenheid, een van de belangrijkste centra van de Punische beschaving uit de oudheid opgeroepen. Het onderwerp, de Huurlingenoorlog tegen Carthago (240-237 V. Chr.), wordt onder Flauberts handen tot een algemener thema: de strijd tussen een civilisatie en de door haar verdrukte groepen, hier de Barbaren genoemd. Als voornaamste historische bron heeft Flaubert het verslag genomen van de Griekse kroniekschrijver Polybius, die deze episode als een van de wreedste uit de geschiedenis der mensheid karakteriseert.
In de drie jaar durende gruwelijke huurlingenoorlog tegen Carthago (240-237 v. Chr.) vat de Barbaren-aanvoerder een obsessieve liefde op voor Salammbo, de dochter van de Carthaagse hoofdman Hamilcar. Rond hun relatie speelt zich in wisselend ritme het epische verhaal af, waarbij voornamelijk klanken en kleuren de gewaarwording bepalen. De lezing van deze sterk gedocumenteerde roman is door de vervreemding die een ver verwijderde historische gebeurtenis kan bieden en door het andere mensbeeld van de 19e-eeuwse beschrijvende auteur, die, hoe objectief hij ook pretendeert te zijn, indirect deze eigen visie tot uiting doet komen.
Flaubert was 41 jaar toen hij "Salemmbo" voltooide en onderhield met dezen en genen een intensieve correspondentie. In een brief aan Jules Duplan (25 september 1861) bekent hij dat het kinderoffer uit het dertiende hoofdstuk hem fysiek ongemak bezorgt. Waarschuwing: ook de lezer blijft geen buitenstaander! (Biblion recensie)

Gustave Flaubert geldt als een van de grootste prozaïsten in het algemeen en van de Franse literatuur van de negentiende eeuw in het bijzonder. Een van zijn opvattingen was dat een schrijver zich in romans en verhalen diende te onthouden van elke persoonlijke mening. Hij diende in zijn schepping overal aanwezig te zijn maar nergens zichtbaar. Inderdaad is de auteur van Madame Bovary, De leer school der liefde en de Drie verhalen, afgezien van enkele vage sympathieën en vooral antipathieën, onzichtbaar gebleven. We zouden alleen via memoires en getuigenissen van anderen iets over zijn leven geweten hebben, ware het niet dat Flaubert de gewoonte had om na zijn dagelijkse 'worsteling met de stijl' geregeld een of meer brieven te schrijven om het contact met de buitenwereld te onderhouden. Flaubert heeft dan ook een zeer omvangrijke en onthullende correspondentie nagelaten. De opvattingen en ervaringen van Flaubert, variërend van kunst tot bordeel, blijken eigenzinnig, hoogst modern en altijd zeer interessant. De brieven van deze negentiende-eeuwse schrijver vormen een boeiende autobiografie.

Het succes van Salammbô verschafte hem toegang tot de hogere kringen; zo kwam hij in de salon van prinses Mathilde en aan het hof van Napoleon de Derde. Hij voerde dan ook uitgebreid correspondentie met de grote auteurs en mecenassen: de gebroeders Goncourt, Guy de Maupassant, Baudelaire en Ivan Toergenjev. Flaubert schrijft in deze brieven over zijn zelfopgelegde regime van kuisheid en eenzaamheid en over zijn 'worsteling met de stijl'. De getergde meester correspondeert op elegante wijze met zijn nichtje Caroline die hem in financiële moeilijkheden bracht, met schrijfsters die hem om intellectuele raad vragen ('U hebt te veel gelezen om oprecht te geloven.'), met prinses Mathilde en met zijn jeugdliefde Elisa Schlesinger. In een steeds aantrekkelijke stijl geeft Flaubert adviezen, beoordeelt hij zijn tijdgenoten en is vooral doorlopend in de weer om op hoffelijke wijze iedereen op afstand te houden.

L'éducation sentimentale
Flaubert werkte verder aan een tekst die reeds in 1845 was geschreven en die nooit gepubliceerd was. Deze nieuwe, bewerkte versie kwam in 1869 op de markt: L'éducation sentimentale. Zoals gebruikelijk heeft Flaubert er lang, ongeveer 5 jaar, aan gewerkt. De stijl, het ritme van de zinnen, de structuur van het werk vormden obsessies voor Flaubert. Maar de lezers beleefden destijds niet veel plezier aan het boek. Pas latere generaties erkenden het artistieke meesterschap van dit werk.
Het verhaal handelt over de gedesillusioneerde Frédéric Moreau, die zich van sentimentele jongeling ontwikkelt tot een afgestompt kleinburgerlijk persoon. De jonge student wordt smoorverliefd op de getrouwde mevrouw Arnoux die voor hem een soort madonna, een muze wordt. De ontwikkeling van deze liefde gedurende vijfentwintig jaar is het hoofdthema van deze roman.
Frédéric Moreau is een romanticus die in Parijs carriere wil maken maar die op allerlei terreinen mislukt. Zijn verliefdheid en zijn leven worden door dromen bepaald. Zijn falen op het gebied van de liefde wordt symbool voor het geestelijk bankroet van zijn generatie, want de roman is ook een kroniek van de revolutie van 1848. Frederic ontmoet allerlei revolutionaire helden die of eigenbelang nastreven, of op wraak uit zijn, of als idealist mislukken. De revolutie mislukt en de wegen van proletariaat en bourgeoisie lopen voorgoed uiteen.

Tot dit punt was het leven van Flaubert betrekkelijk gelukkig geweest. Maar dan begint het ongeluk hem te achtervolgen. De angst voor de oorlog in 1870 is een aanslag op zijn gezondheid. Door de dood of fatale misverstanden verliest hij zijn beste vrienden. In 1872 overlijdt zijn moeder, en vanaf dan wordt hij verpleegd door zijn nicht, mevrouw Commonville. Hij onderhoudt vriendschappelijke banden met George Sand, en ziet nu en dan zijn Parijse kennissen zoals Zola, Alphonse Daudet, Turgenev en Goncourts, maar dat weerhoudt hem er niet van om zich troosteloos en melancholisch te voelen. Hij houdt echter niet op om met dezelfde intensiteit te blijven schrijven.

'La tentation de Saint-Antoine' (1848; 1874, roman)
Al voor verschijning van Madame Bovary had Flaubert een jeugdwerk geschreven, Smarh, dat hij eerst aan het einde van van zijn leven (in 1874), geheel omgewerkt publiceerde als "De Verzoeking van de Heilige Antonius". Het thema van duivelse verleiding is hierin in veel mystieker, hallucinerender vorm aanwezig. In een enkele nacht probeert de duivel de uitgeputte Antonius te verleiden met "heidense" filosofieen.

'De Kandidaat' (1874, komedie)

'Trois contes' (1877)
Trois contes (Drie verhalen) (1877) is een boek met drie vrij korte verhalen:
. Un coeur simple, Het boerenmeisje Félicité vindt haar enig geluk in de toegewijde zorg voor haar meesteres, mevrouw Aubain.
. La Légende de Saint Julien l'Hospitalier, De legende van de heilige Julianus is het verhaal van een edelman, die volgens een voorspelling zijn rijke ouders zou doden en daarom zijn ouderlijk kasteel ontvlucht
. Hérodias, een bijbels verhaal, de dansende Salome, dochter van Herodias, weet de grote Herodes Antipas te verleiden haar op een schaal het hoofd van Joannes de Doper te laten aanbieden.

Tussen de sobere eenvoud van Félicité en de praal van de heersende Herodes staat de struise figuur van Julianus, - de middeleeuwse legende tussen de moderne novelle en de romeins-joodse wereld uit de eerste eeuw -, drie verhalen, waarvan Flaubert zijn onmiskenbaar meesterschap over stijl en taal bevestigt.
In tegenstelling tot zijn vorige werken kenmerkten de verhalen in het boek zich door hun bondigheid. De korte vertellingen vatten het meesterschap van de schrijver samen, ze vormen het hoogtepunt van zijn schrijfstijl. Typerend zijn de vermenging van drie soorten focalisatie, drie soorten discours en werkwoordstijden. Hierdoor wisselen actie en beschrijving zich subtiel af en weet de lezer nooit precies wie wat denkt of vertelt.

Un coeur simple
Félicité (50 jaar oud) is de dienstbode van Madame Aubain, een weduwe en moeder van twee kinderen, Paul en Virginie. Ze wonen in een geërfd huis in Pont-l'Évêque. Félicité is een erg toegewijde dienstbode, al vanaf haar 18e. Verder is ze vooral naïef en simpel van geest. Ze werd dienstbode na een teleurstelling in de liefde: de man waar ze van hield trouwde een oudere vrouw, om zo de dienstplicht te voorkomen.
Félicité zorgt voor de kinderen van Madame Aubain. Paul gaat het huis uit om lessen te volgen in Caen. In het begin heeft Félicité het erg moeilijk met zijn vertrek, maar later wordt ze getroost door iets waar ze afleiding bij vindt: de godsdienstlessen van Virginie. Het mystieke van het geloof spreekt Félicité erg aan. Maar al snel moet ook Virginie het huis uit, haar verdere opvoeding zal plaatsvinden bij nonnen in Honfleur.
Nu gaat Félicité haar liefde richten op haar neef Victor. Maar hij gaat op een lange reis, waar hij nooit van terug zal komen. Enige tijd later sterft Virginie aan een longaandoening. Hierdoor voelt Félicité zich erg eenzaam. Ze begint al haar liefde en tederheid te wijden aan Loulou: een papegaai die men haar cadeau heeft gedaan.
Na een keelontsteking wordt Félicité doof, ze raakt geïsoleerd van de rest van de wereld. In haar isolement is de 'stem' van haar papegaai het enige wat ze nog waarneemt. Loulou is alles voor haar. Maar op een dag vindt ze hem dood in zijn kooi. Ze heeft zoveel moeite met het afscheid van haar papegaai, dat Madame Aubain besluit het beestje op te laten zetten.
Na de dood van Madame Aubain blijft Félicité helemaal alleen achter in het vervallende huis, zonder familie, zonder mensen, zonder (levende) papegaai. Ze is zwak, doof, blind en oud. Wanneer ze een longontsteking oploopt en behoorlijk ziek wordt, trekt er op een dag een processie door de straten. Het is alsof ze de processie kan horen en zien. Ze offert zelfs haar opgezette papegaai op door het op een altaartje voor het huis te laten plaatsen. Tijdens de processie heeft Félicité een ultieme visie: de Heilige Geest verschijnt aan haar in de vorm van een gigantische papegaai... Na deze visie sterft ze.

De laatste roman 'Bouvard en Pécuchet' (postuum uitgegeven in 1881), een satire op het geloof in de wetenschap van de doorsnee burger, bleef door het overlijden van de auteur onvoltooid.

1911 Dictionnaire des idées reçues (postuum uitgegeven)


Copyright, This article uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Gustave_Flaubert

Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 543.