kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

H. Marsman

Nederlands dichter, prozaschrijver en vertaler, geboren in Zeist 30.9.1899, overleden op Het Kanaal 21.6.1940 (getorpedeerd).

''Herinnering aan Holland' (1936)

Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hoge pluimen
aan de einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een groots verband.
De lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.
'

(uit: Verzameld werk)(werd t.g.v. de eerste Landelijke Gedichtendag op 27 januari 2000 gekozen tot het 'meest favoriete gedicht' van de 20ste eeuw.)

Marsman is de belangrijkste Nederlandse expressionist. Zelf omschreef hij zijn werk met de term vitalisme (Maar één wet erkennen: die van het leven); zijn dichterlijk werk moest de weerslag zijn van een intens, vurig en gevaarlijk leven: 'Grootsch en meesleepend wil ik leven! / hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!'. In 1933 nam hij hiervan vervolgens zelf afstand door het dood te verklaren. In zijn essays en kritieken probeert hij (zonder veel succes) de jongere generatie dichters tot een collectief vitalistisch elan te bewegen.

Op de kosmische verrukking van zijn eerste periode volgt spoedig een terugkeer naar het aardse. Hij begint warme verzen over liefde en vriendschap te schrijven waarin hij het expressionistische element matigt. Kort voor zijn dood ging zijn poëzie een nieuwe fase in. In de bundel Tempel en Kruis (1940) bezint hij zich op de grondslagen en de toekomstmogelijkheden van de in verval geraakte West-Europese cultuur

Van grote betekenis voor zijn ontwikkeling als dichter waren de poëzie van Herman van den Bergh (o.a. in het tijdschrift Het Getij), Theo van Doesburgh (I.K. Bonset) in het tijdschrift De Stijl, aan wie hij echter het prijsgeven der persoonlijkheid verweet, en de Franse (Blaise Cendrars) en Duitse expressionisten. Hij had een afkeer van het Duitse humanitaire expressionisme (Menschheitsdämmerung), maar bewonderde figuren als Heym en vooral Trakl. Van niet minder invloed op zijn werk was de surrealistische, kubistische en expressionistische schilderkunst: Odilon Redon, Feiniger, Léger, Erich Heckel en vooral de fauvist Franz Marc. Zijn geestelijke ontwikkeling werd gestimuleerd door uiteenlopende impulsen als die van de bijbel, Gerard Bruning, Ter Braak, Du Perron en Nietzsche. ( orthodox-protestant Jan Frederik Marsman, boekhandelaar, en Maria Adriana Johanna van Wijk.

Marsman bezocht te Zeist de lagere school van de Evangelische Broedergemeente, en te Utrecht de Rijkshogereburgerschool. Uit zijn HBS-tijd dateert de vriendschap met Arthur Lehning, die afkomstig was uit de van oorsprong Duitse Hernhuttergemeenschap te Zeist, een milieu waarin Marsman regelmatig verkeerde en dat een onmiskenbare invloed op zijn latere ontwikkeling heeft gehad. Na de HBS reisde hij door Duitsland, Zwitserland en Frankrijk. In Duitsland maakte hij kennis met het expressionisme.

Van jongs af aan kampte hij met een zwakke gezondheid en om die reden werd hij afgekeurd toen hij in 1914 toelatingsexamen deed voor de Zeevaartschool, zoals later ook voor militaire dienst.

Marsman debuteerde in het tijdschrift Stroomingen (1918). H. Marsman debuteerde onder het pseudoniem Ernst Verkerk met proza in het tijdschrift 'Nederland' in 1919. Ook publiceerde hij nog in het orgaan De Beweging (1919) van Albert Verwey.
De gedichten uit de eerste periode, die Marsman volgens de indeling van het door hemzelf samen gestelde Verzameld -werk (1938) laat beginnen in 1919, worden inhoudelijk gekenmerkt door projectie van het lyrisch ik in de kosmische ruimte en formeel door expressionistische tendensen in beeldspraak en versbouw. Tijdens een reis in de zomer van 1921 naar Berlijn kwam hij zeer sterk onder de indruk van expressionistische schilders als Franz Marc en dichters als Heym, Trakl en Stramm.

Zijn eerste bundel Verzen werd door bemiddeling van Arthur Lehning in Duitsland gedrukt (1923), naar de kleur van het omslag weldra bekend als 'het rode boekje'. Deze expressionistische gedichten bevatten beelden van de kosmos en van steden, die sterk doen denken aan de kubistische schilderkunst.

Inmiddels was hij in 1921 begonnen met de juridische studie aan de Leidse universiteit. In 1922 deed hij staatsexamen gymnasium om toegang te krijgen tot het kandidaatsexamen rechten, dat hij in 1924 aflegde. Daarna zette hij zijn studie voort aan de Universiteit van Utrecht.

Was in 1925, samen met zijn vriend Roel Houwink, redacteur van het literaire tijdschrift De Vrije Bladen.
Hij begon zijn redacteurschap van jaargang 1925 met enige stormachtige manifesten, waarmee hij streefde 'naar een sterk en bezielend groepsleven, naar het samenspannend verzet en élan van een jeugd'. In feite waren zijn appèls al evenzeer gericht tot zijn generatiegenoten als tot zichzelf om de weggeëbde vitaliteit en creativiteit weer op te roepen. Toen de verwachte resultaten niet snel genoeg kwamen trok hij zich aan het eind van de jaargang teleurgesteld terug als redacteur.

Vanaf ongeveer 1926 vangt een tweede fase in zijn dichterschap aan, waarin een sterke gepreoccupeerdheid met de dood, nu eens gevreesd, dan weer verlangd, op de voorgrond treedt. Voordien was dit probleem nooit afwezig in zijn poëzie, maar het werd verhuld door 'vitalistische' elementen. De bouw van zijn verzen wordt klassieker, de zeggingswijze minder kernachtig.

In maatschappelijk opzicht voelde hij zich een tijd lang aangetrokken tot de hiërarchische structuur van de rooms-katholieke kerk vanuit de verwachting dat een dergelijke orde hem het bezielde verband zou verschaffen dat zijn leven zin kon geven. Om dezelfde reden ging zijn belangstelling uit naar de corporatieve staatsleer van het fascisme, waarin hij parallellen ontdekte met zijn idee dat de regering in handen diende te zijn van aristoi. In 1933 (toen de Hitler aan de macht kwam) keerde hij zich hiervan af en werd er een fel bestrijder van.

1927 - Prijs van Amsterdam voor Paradise regained

In juni 1928 was hij als jurist afgestudeerd, maar het zou tot eind 1929 duren voordat hij zich als advocaat te Utrecht vestigde.

Van 1929 tot 1931 was hij opnieuw redacteur van De Vrije Bladen.

Gehuwd sinds 18-12-1929 met Rina Louisa Barendregt. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Van 1932 tot 1935 was hij vaste medewerker van het tijdschrift Forum.

In het najaar van 1933 besloot hij zich uit zijn praktijk terug te trekken om met zijn vrouw een buitenlandse reis te maken die van beslissende betekenis is geweest voor zijn verdere evolutie. In Spanje, Noord-Afrika en Italië trof hij een sfeer waarin hij zich wist te bevrijden van wat hem in Nederland gehinderd had: bekrompenheid, het calvinisme met zijn zondebesef en zijn persoonlijke doodsproblematiek. In het culturele klimaat van de Middellandse Zee leerde hij dood en leven te accepteren als twee niet te scheiden aspecten van het bestaan, en vond hij een synthese tussen de klassieke beschaving en de beste elementen van twintig eeuwen Christendom.

Een verblijf in het door de nazi's geregeerde Duitsland bracht hem tot het inzicht dat hij in de praktijk van het fascisme zijn maatschappelijke ideeën niet terug kon vinden, ook al omdat hij wars was van ieder nationalisme. Vanaf zijn terugkeer in Nederland manifesteerde hij zich als verdediger van de Westeuropese cultuur die hij door massa-ideologieën bedreigd zag. Deze visie zou zijn poëtische neerslag krijgen in de bundel Tempel en kruis, die hij kort voor zijn dood voltooide en kort na zijn dood verscheen.

1936 - C.W. van der Hoogtprijs voor Porta Nigra. In 1936 verbleef hij tot het voorjaar van 1937 te Brussel om daarna op verschillende plaatsen in de Zwitserse en Franse Alpen verblijf te gaan houden, mede met het oog op zijn immer zwakke gezondheid.

Vanaf 1938 schreef hij literaire kritieken voor de NRC.

Ten slotte vestigde hij zich in St. Romain (Côte d' Or). Daar werd hij opgeschrikt door de Duitse inval, die hem en zijn vrouw ertoe bracht via Bordeaux naar Engeland te vluchten. Marsman kwam in de nacht van 20 op 21 juni 1940 om het leven, toen de boot waarmee hij naar Engeland vluchtte in het Kanaal door een Duitse torpedo werd getroffen. Zijn vrouw was de enige overlevende.

Marsman was ook een kundig vertaler. Hij vertaalde o.a. André Gide, De immoralist (1935), Teixeira de Pascoaes en F. Nietzsche, Aldus sprak Zarathoestra (met E. Coenraads) (1941).

Websites: www.dbnl.org, cf.hum.uva.nl, www.inghist.nl, www.schrijversinfo.nl, www.geheugenvannederland.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 44.