kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 01 03 2017 001:43 voor het laatst bewerkt.

Hans Andreus


Portret door Huib de Vries, gemaakt naar aanleiding van Andreus' dood in 1977.

 Nederlands dichter en prozaschrijver, geboren 21 februari 1926 Amsterdam - 9 juni 1977 Putten (Gld).

Het werk van Hans Andreus, pseudoniem van Johan Wilhelm van der Zant, wordt gerekend tot de experimentele dichtkunst van De Vijftigers, waartoe onder andere ook Lucebert, Bert Schierbeek en Remco Campert behoorden. Zijn eerste werken kunnen door de levenshouding die eruit spreekt experimenteel worden genoemd. Ondanks het feit dat zijn debuut in hetzelfde jaar verscheen als de bundel Atonaal, die het begin van de Vijftigers inluidde, is zijn poëzie echter te veranderlijk om mee onder die noemer te worden geplaatst.

Het is bijna onmogelijk het dichterlijk werk van Hans Andreus in enkele volzinnen te karakteriseren. De achtentwintig bundels bestrijken een periode van ruim vijfentwintig jaar. Zoals veel andere dichters van deze eeuw heeft Andreus in zijn poëzie een 'gemis' onder woorden gebracht, het lijden aan een besef dat er meer moet zijn dan de dagelijks waargenomen werkelijkheid. Deze vraag naar het wezenlijke van het menselijke zijn wordt herkend in het Europa van Plato tot Heidegger en later. In deze traditie staat het streven van Andreus' poëzie naar de opheffing van de gescheidenheid. Het plaatst hem in de rij van de dichters in wier oeuvre het dualisme tussen menselijk bestaan en menselijk verlangen centraal staat. Dichters als Paul van Ostayen, M. Nijhoff, J.C. Bloem en G. Achterberg kozen allen voor andere toepassingen, maar het grote thema verschilt niet wezenlijk.

Zijn werk laat een grote vormvariatie zien: sterk associatieve poëzie, prozagedichten, eigenzinnige sonnetten, prozaïsche notities. Bij al deze vormverscheidenheid bleef zijn thematiek vrijwel dezelfde, vaak metaforisch aangeduid in de tegenstelling licht en donker. Daarbij staat het licht voor het leven en de liefde, en het donker voor dood en vermoeidheid.

Hans Andreus heeft een omvangrijk en veelzijdig oeuvre op zijn naam staan. Hij publiceerde niet alleen 28 bundels gedichten, maar schreef ook verhalend proza, een toneelspel, radio- en televisiespelen, literaire kritieken. Bovendien publiceerde hij verhalen en gedichten voor kinderen, waarmee hij grote bekendheid verwierf. Deze vormden zelfs het grootste deel van zijn oeuvre. Zijn kinderverhalen zijn fantasierijk, zijn taalgebruik is speels, lichtvoetig, met veel gevoel voor klank en ritme.

Als vertaler gaf hij zijn naam aan zeer uiteenlopend werk. Zuiver als broodschrijver werkte hij voor de reclame.

Biografie
Zoon van Johan Wilhelm van der Zant, kantoorbediende, aanspreker, en Willemina de Wit.

Niet lang na zijn geboorte gingen zijn ouders uit elkaar. Zijn moeder hertrouwde en het gezin verhuisde in 1930 naar Scheveningen om in 1937 naar Amsterdam terug te keren, waar Johan op de École Wallonne terecht kwam.

Van 1938 tot 1943 zat hij op de HBS aan de Keizersgracht. Hier schreef hij al gedichten en in die tijd was hij bevriend met Bert Swaansdijk, de latere dichter-schilder Lucebert.

Tijdens WOII was hij een tijdje in dienst van de Waffen-SS, maar na de oorlog werd hij in een proces van alle blaam gezuiverd.

Van 1945 tot 1947 volgde hij lessen aan de toneelschool, zonder de bedoeling acteur te worden.

In 1947 werkte hij enkele maanden als corrector bij de Volkskrant, het enige werk dat hij ooit in loondienst verrichtte. Dat zelfde jaar zou hij voor het eerst onder het pseudoniem Hans Andreus met gedichten in het tijdschrift Centaur debuteren.

Op 26 december 1947 zond de VARA zijn eerste luisterspel uit, dat een bewerking was van Wildes The Canterville Ghost.

In deze jaren kwam hij in aanraking met de jonge dichtersgeneratie rond het periodiek Het Woord. In Podium werden in 1949 gedichten van hem geplaatst, een tijdschrift waarvan hij door Gerrit Borgers begin 1951 redacteur werd gemaakt. Andreus bleef in die functie tot 1956 actief, ook toen hij zich later in het buitenland bevond, en zou er vooral de experimentele dichters introduceren.

Andreus debuteerde in 1951 met de dichtbundel 'Muziek voor Kijkdieren' in de poëziereeks De Windroos.

Met bundels als Muziek voor kijkdieren (1951), De taal der dieren (1953) en Variaties op een afscheid (1956) werd Andreus een van de populairsten van zijn generatiegenoten. De muzikaliteit van zijn gedichten heeft velen aangesproken. Thematisch bezien wordt in deze vroege bundels door de erotiek het aardse met het hemelse verbonden, zodat een bestaan wordt geschapen dat ogenschijnlijk geen dood of vermoeidheid kent. Het is zeer waarschijnlijk dat Andreus een 'gemakkelijk leesbare Vijftiger' werd gevonden en dat hij voor velen de toegang vormde tot deze nieuwe naoorlogse poëzie.

Hoewel Andreus tot de Vijftigers gerekend wordt vanwege zijn sterk associatieve poëzie en zijn vriendschap met Lucebert en Vinkenoog, ging hij in zijn werk een volstrekt eigen weg. Hij bleef ook enigszins op afstand van de manifestaties van Vijftig. De aansluiting bij Vijftig is vooral te vinden in het experimentele karakter van zijn vroege poëzie.

Op uitnodiging van Simon Vinkenoog vertrok hij in 1951 naar Parijs. Daar ontmoette hij Odile Liénard, met wie hij ging samenleven. Begin 1953 vertrokken ze naar Italië. Later vestigden zij zich in Rome, waarheen Andreus op 29 juli 1954 werd overgeschreven uit het bevolkingsregister van Amsterdam. Maar nog diezelfde zomer keerde hij omwille van een psychische crisis en na een moordpoging op zijn vriendin Odile terug naar Nederland, terwijl Odile in Rome bleef.

In Nederland koos hij voor de vrijheid van het schrijverschap - dat voor hem als elk ander vak een ‘metier’ betekende – in plaats van een vast beroep. Hoewel hij een van de eerste Vijftigers was, werd zijn werk na zijn crisis traditioneler van vorm.

De bundel Schilderkunst werd in 1954 bekroond met de Grote Poëzieprijs van Amsterdam.

Andreus werd korte tijd in de Rudolf Steinerkliniek in Den Haag verpleegd en woonde daarna een hele tijd bij Gerrit en Annie Borgers in Bussum. Hij ging hier ook kinderboeken schrijven, waarvan het eerste uitkwam in 1956.

Een thema dat Andreus' poëzie beheerst, is dat van schuld of onschuld, tegenstrijdige componenten van het eigen ‘ik’. In Variaties op een afscheid (1956) is sprake van de onschuld van de dichter, maar wordt de ‘ik’ ook geassocieerd met ‘verbrand land’ en ‘pestilentie’. Deze thematiek kan ook worden aangetroffen in De sonnetten van de kleine waanzin (1957), een bundel die algemeen als een hoogtepunt in Andreus' oeuvre wordt gezien. Hierin wordt het thema ‘schuld’ verbonden met wat Andreus aanduidt als ‘het ongeboren spiegelkind’, een ‘gestorven tweelinghelft’, een ‘ander ik’. Waarschijnlijk is het levensgevoel dat uit deze sonnetten spreekt mede bepaald door de neurose waarvoor Andreus in 1954 genezing zocht in een prenatale psycho-analytische behandeling. - dichter een poëtisch labyrint waarbinnen essentiële levensvragen op overtuigende wijze onder woorden worden gebracht. Het is de weergave van een uitgesponnen contradictie: de beperktheid van de mens en zijn grootheid om deze beperktheid uiteindelijk in te zien. De spanningen en de angst in deze bundel worden opgelost in het 39e sonnet, waarin de paradox van het voorbestaan en het dubbelbestaan zich oplost in een 'vogelvrij ogenblik'.

Gehuwd op 23-9-1958 met Clazina (Ina) Bouman die zelf vanaf 1985 ook proza publiceerde. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (18-5-1961) gehuwd op 20-2-1962 met Lucretia Jeannette Aleida Paulides. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. Het gezin woonde achtereenvolgens in Amsterdam, Scherpenzeel, 't Harde, Hoevelaken en ten slotte Putten.

Het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen gaf hem in 1958 de Grote Reisbeurs voor De sonnetten van de kleine waanzin.

Zijn grootste populariteit heeft Andreus ongetwijfeld te danken aan zijn boeken voor kinderen en dan vooral aan de serie verhalen over Meester Pompelmoes. Ze werden vertaald in het Deens, het Duits, het Engels en het Zuidafrikaans. Het genre bezorgde hem een inkomen en hij beoefende het met liefde en aandacht. Hij werd voor dit werk ook bekroond. In 1958 de Bijenkorfprijs voor het beste kinderboek uit de periode 1954-1958 (voor De Kikako), in 1969 de jaarlijkse CPNB-prijs (voorloper van de Gouden Griffel) voor het kinderboek van het jaar (voor Meester Pompelmoes en de mompelpoes) en in 1971 een Zilveren Griffel voor de bundel met kindergedichten De Rommeltuin.

Andreus' latere bundels hebben minder de aandacht getrokken. Bij het lezend publiek en bij de literaire kritiek heeft zich ten onrechte de mening postgevat dat Andreus zichzelf ging herhalen. Voor een deel zal het ook gekomen zijn doordat hij zich altijd afzijdig heeft gehouden van publiciteit. Niettemin zijn deze late bundels soms van een bijzondere schoonheid en van een verrassende thematiek. Tegenover de verrukking en de verschrikkelijkheid van de liefde, staat nu de verlossende warmte ervan (Al ben ik een reiziger, 1959).

Het 'volwassen proza' van Andreus heeft betrekkelijk weinig kritische belangstelling ondervonden. Het zijn de novelle Bezoek (1960) en de romans Valentijn (1960) en Denise (1962). Veel van Andreus' proza heeft een autobiografische achtergrond. Zo is de novelle Bezoek (1960) een verhaal over een jonge dichter. In Valentijn worden Andreus' ervaringen in de Podium-redactie parodiërend beschreven. In Denise wordt verhaald over de hoofdpersoon en zijn geliefde in Parijs, hun reis naar Italië en de psychische instorting van de ik-figuur. Andreus schreef nog een vierde verhaal dat eveneens autobiografische trekken vertoont en dat onder de titel Uit het jeugdige leven van Melchior Blovoet nagenoeg voltooid in manuscript werd achtergelaten en postuum verscheen in 1986.

In 1964 kreeg hij van de stad Amsterdam de Poëzieprijs 1963 voor het gedicht 'Aarde'.

Het aardse bestaan wordt bijna op mystieke wijze doortrokken door de ervaring van het licht, dat ook in vroegere bundels zo'n belangrijke rol speelde (Klein boek om het licht heen, 1964).

Op humoristische wijze wordt de vanouds bekende bestaansproblematiek gekoppeld aan begrippen uit de moderne fysica (Syntropisch, 1965).

Een nieuw, religieus element duikt op in De ruimtevaarder en andere gedichten (1968).

In 1970 volgde de poëzieprijs van de Jan-Campertstichting voor Natuurgedichten.

Een laat in zijn leven ontdekte joodse identiteit duikt op in De witte netten van zon en maan (1974).

Andreus stierf aan kanker, de ziekte die hij noemt in zijn 'Laatste gedicht', waarmee hij vlak voor zijn dood zijn werk afsloot. Hij werd aanvankelijk begraven op de Nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Engweg in Putten. Uiteindelijk werd hij herbegraven op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied.

De Henriëtte-Roland-Holst-prijs werd hem postuum toegekend voor zijn drie laatste bundels.

Na zijn dood bleek er opnieuw een grote belangstelling te zijn voor Andreus' poëzie. De verzamelbundel Gedichten 1948-1974 raakte snel uitverkocht en de postume bundel Laatste gedichten moest herdrukt worden. Van de Verzamelde gedichten (1983) verscheen binnen anderhalf jaar de derde druk.

W.A.M. de Vroomen, 'Zant, Johan Wilhelm van der (pseud. Hans Andreus) (1926-1977)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn3/zant [13-03-2008]

Websites: www.dbnl.org, boeken.vpro.nl, klassiekegedichten.net, www.schrijversinfo.nl, www.ned.univie.ac.at


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 971.