kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 06-04-2011 voor het laatst bewerkt.

Hen-of-hun

Hen of hun?

Voor hun als onderwerp ( hun in plaats van zij ) voornaamwoord alleen het aanwijzende die gebruikt worden.

In geschreven taal wordt soms een syntactisch onderscheid gemaakt, dat overigens in de praktijk zelden consequent wordt toegepast:
* hen dient gebruikt te worden als lijdend en oorzakelijk voorwerp en na voorzetsels
* hun dient gebruikt te worden als meewerkend voorwerp (zonder voorzetsel) en als ondervindend voorwerp.
Het thans betrekkelijk algemeen aanvaarde onderscheid levert veel sprekers en schrijvers van het Nederlands problemen op.

Het onderscheid tussen de naamvalsvormen hen en hun van het persoonlijk voornaamwoord in de derde persoon meervoud is bedacht door Christiaen van Heule in zijn werk 'De Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst' (1625).

Wanneer gebruik je hen?:
Hen moet (in de systematiek van Van Heule) worden beschouwd als een accusatief, en wordt gebruikt:
1. Na een voorzetsel. (achter alle voorzetsels komt in het Nederlands de accusatief);
Bijvoorbeeld: 'Ik geef het advies aan hen'; 'Ik deed het voor hen'; 'Zijn houding jegens hen'; 'Hoe gaat het met hen?'

2. Als lijdend voorwerp.
Bijvoorbeeld: 'Ik bekijk hen'; 'Hij ontslaat hen'; 'Zij mijdt hen.'

Wanneer gebruik je hun ?:
Als hun vervangbaar is door een voorzetsel (aan, voor, bij, volgens, enz.) + hen'. Voorbeelden:
- Ik geef hun (aan hen) het boek
- Hij schonk hun (voor hen) een borrel in
- Hij rookt hun (volgens hen) te veel
- De Noordkaap is hun (voor hen) te ver
- De tranen stonden/sprongen hun (bij hen) in de ogen

Hun (datief) wordt gebruikt als:
1. meewerkend voorwerp, tenzij voorafgegaan door een voorzetsel; (Ik geef hun het glas.)
2. belanghebbend voorwerp, tenzij voorafgegaan door een voorzetsel; (Ik schenk hun een drankje in.)
3. ondervindend voorwerp; (Het glas is hun te leeg.)
4. bezittend voorwerp. (Hij sloeg hun het glas uit de hand.)

Een voorstel van P.C. Hooft om ook voor de derde persoon enkelvoud een aparte vorm in te voeren voor de datief - hum - heeft nooit zijn ingang gevonden in de Nederlandse taal.

Daarnaast is hun het bezittelijk voornaamwoord van de derde persoon meervoud: Om bezit uit te drukken:
- Dat is hun huis.
- Het werk is gedaan volgens hun instructies.
- Hun auto is stuk.

Lukt het niet om met deze vuistregels uw twijfel op te lossen, gebruik dan de gereduceerde vorm ze: in niet al te formele teksten is dit, hoewel vooral in geschreven taal stilistisch lager gewaardeerd, vaak prima bruikbaar als alternatief voor hen én hun: 'Ik geef ze (hun) het boek', 'Laat ze (hen) maar praten.'

De enkelvoudsvorm 'ze' (om te verwijzen naar een vrouwelijk wezen) wordt tegenwoordig ook wel eens gebruikt als objectsvorm, in plaats van 'haar'. Na een voorzetsel is de vorm 'ze' echter nog niet echt gebruikelijk.

Het hierboven geformuleerde syntactische onderscheid kan men toepassen als men naar een strikte norm streeft. Tegenwoordig denken velen dat hen altijd juist is, ook in gevallen waar hun de voorkeur heeft. Volgens de Algemene Nederlandse Spraakkunst mag er bij dit soort hen/hun-kwesties niet van 'fouten' worden gesproken. Het gebruik bepaalt uiteindelijk de norm, zodat naast elkaar mogen voorkomen: Het lukte hun en Het lukte hen, Ik beloofde hun en Ik beloofde hen, enzovoort. Met dien verstande dat hen stilistisch hoger gewaardeerd wordt. Als opschrift op een monument voor oorlogsslachtoffers is bijv. alleen denkbaar: Aan hen die vielen.

Wat is juist: 'Dat heb ik hen horen zeggen' of 'Dat heb ik hun horen zeggen'?
Hen is hier juist. In 'Ik heb het hen horen zeggen' is hen een lijdend voorwerp.
Deze zin bestaat eigenlijk uit twee zinnen: 'Ik heb hen gehoord' en 'Zij hebben het gezegd'; dat maakt het een lastig geval. Bijzonder in deze zin is ook dat er wel ik heb staat, maar dat er verderop in de zin geen voltooide tijd gehoord voorkomt. In plaats daarvan wordt het hele werkwoord (ook wel 'de infinitief') horen gebruikt. Horen wordt in de grammatica in dit soort zinnen 'vervangende infinitief' genoemd. In bijvoorbeeld 'Ik heb hen zien optreden' en 'Ik heb hen bij de bushalte laten afzetten' zijn zien en laten vervangende infinitieven.

Hun is wél correct in 'Ik heb hun [= aan hen] een nieuw melodietje leren spelen' en in 'Ik heb het hun [= aan hen] uitgelegd horen worden.'


onderwerpHun (in plaats van zij) als onderwerp (zoals in 'Hun hebben er helemaal geen verstand van') wordt algemeen afgekeurd en wekt zelfs bij velen sterke gevoelens van afschuw op, niet alleen in de schrijftaal, maar zelfs in de spreektaal. Vermijd daarom het gebruik van hun als onderwerp; gebruik zij of ze.

In sommige dialecten wordt hun wel gebruikt als onderwerpsvorm in plaats van zij (3e persoon meervoud). Dit geldt als substandaard en wordt algemeen als incorrect beschouwd.
Ook hullie komt dialectisch voor. Het is afgeleid van "hunlieden", en valt daarmee in dezelfde categorie als "jullie" (uit "gijlieden, jijlieden"). In de standaardtaal is hullie incorrect.

In taalkundige termen, waar men niet van "goed" of "fout" spreekt bij woorden die algemeen gebruikelijk zijn, geldt het gebruik van hun als onderwerp als substandaard (gebruikt in een context die geen dialect is en deel uitmaakt van nagenoeg hetzelfde taalsysteem als de standaardtaal, maar niet tot de standaardtaal gerekend om normatieve redenen).

Het woordje hun is volgens de grammatica's van het Nederlands een bezittelijk voornaamwoord voor de derde persoon meervoud (en een persoonlijk voornaamwoord voor de derde persoon meervoud bij het meewerkend voorwerp; zie ook hen of hun in bovenstaand artikel). In de spreektaal is deze bij bepaalde groepen al lang de voorwerpsvorm in alle gevallen - het onderscheidt tussen hen en hun leeft er niet. De onderwerpsvorm is van oorsprong zij, maar die vorm valt samen met het persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud vrouwelijk. Om verwarring te voorkomen treft men vormen als zullie aan, samengesteld uit zij + lui, en hullie, uit hun + lui.

In De geschiedenis van het Nederlands in een notendop vermeldt Nicoline van der Sijs dat hun als onderwerpsvorm op schrift voor het eerst werd aangetroffen in 1911. De herkomst van dit gebruik van hun is niet zeker. Het is mogelijk dat het afkomstig is van dialectsprekers die in hun dialect hullie gebruikten. Toen ze hun uit de standaardtaal overnamen, gingen ze het ook als onderwerp gebruiken.
Van der Sijs merkt ook op dat hun meestal aan het begin van zinnen voorkomt, en op die plaats een duidelijker vorm is dan zij/ze – hun valt meer op. Bovendien is volgens haar uit onderzoek gebleken dat jonge sprekers van het Nederlands tegenwoordig een onderscheid maken tussen zij en hun. In een zin als 'Zij mogen dat niet' gaat het voor hen vooral om meisjes, en in 'Hun mogen dat niet' om jongens én meisjes.

Na de oorlog moet het zich in brede kringen verspreid hebben, al hoort men er pas in de jaren tachtig met enige regelmaat van. Opmerkelijk is dat ook oudere sprekers het overnemen. Hun is inmiddels gemeengoed in de Zuid-Hollandse stadsdialecten en wordt ook bij sprekers die zich meer aan het Standaardnederlands aanpassen (de substandaardtaal spreken, zie boven) regelmatig gehoord. Dit bracht de bekende taalkundige Jan Stroop, die in 1998 in zijn boekje Poldernederlands dit verschijnsel uitvoerig beschreef, ertoe te vermoeden dat deze vorm rond het jaar 2020 algemeen geaccepteerd te zijn. Door de sterk sociologische werking die er van het woord uitgaat - hoger opgeleiden gebruiken het minder of leren het (weer) af - is deze voorspelling echter twijfelachtig.

Websites: www.onzetaal.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 168.