kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Herman Gorter

Nederlands letterkundige, dichter, socialist en medeoprichter van de CPN, geboren Wormerveer, 26 november 1864 - gestorven Brussel, 15 september 1927.

Levensloop
Herman Gorter, geboren Wormerveer, was de zoon van Simon Gorter, een in zijn tijd bekende Nederlandse letterkundige en doopsgezind predikant, en Johanna Catharina Lugt, pensionhoudster. Behalve Herman was er nog een oudere broer en een jongere zuster. In 1870 verhuisde het gezin Gorter naar Amsterdam.

Simon Gorter
Gorter stamde van vaderskant uit een geslacht van doopsgezinde predikanten. Zijn vader was naast zijn werk als dominee actief als literator en schreef tussen 1865 en 1870 essays, reisverhalen en literaire kritieken voor De Gids. Vlak voor zijn dood in 1871 - op 32-jarige leeftijd - was hij bovendien ruim een jaar hoofdredacteur van de kort daarvoor opgerichte Amsterdamse krant Het Nieuws van den Dag. Gorter was zes toen hij zijn vader verloor en kan van hem nauwelijks een andere indruk hebben gehad dan van ziekte en zorgen. Maar de kennisname van de gebundelde Letterkundige Studiën (1871) van zijn vader was mogelijk een belangrijke stimulans voor zijn dichterschap. In een artikel 'Over beeldspraak' had Simon Gorter zich een opvallend modern literatuurcriticus betoond, die afkerig was van retoriek en gespitst op oorspronkelijkheid en zuiverheid van stijl. F. van Eeden noemde hem 'teder en romantisch, maar ook stug en onbuigzaam'.

In amsterdam zorgde de moeder na de dood van haar man voor een voortreffelijke opvoeding. Afkomstig uit een Amsterdams geslacht van doopsgezinde kooplui, bracht zij haar kinderen groot met een kleine uitkering en haar verdiensten als pensionhoudster.

Herman bezocht het Barlaeus-gymnasium. Hoewel Hij eerst neigde naar theologie, begon hij in 1883 klassieke talen te studeren waar hij uiteindelijk zou promoveren op een proefschrift over Aeschylos. Hij was lid van het Amsterdamse studentencorps en het dispuutgezelschap UNICA, toonde zich een actief sportbeoefenaar (cricket) en raakte al spoedig bekend met de dichters uit de kring van de Tachtigers. Hij raakte bevriend met Alphons Diepenbrock, Aegidius Timmerman en Willem Kloos. Uit archiefstukken van het dispuut Unica blijkt, hoe groot de invloed van zijn vader, van Multatuli, en ook van de Tachtigers op hem is geweest.

Aan het eind van de negentiende eeuw ontstaat de literaire beweging van de Tachtigers. De generatie van de Tachtigers is verantwoordelijk voor een breuk met de tot dan toe heersende negentiende eeuwse gezapige 'predikantenpoëzie'. In 1881 werd in Amsterdam de literaire kring Flanor opgericht. Leden waren onder andere: Willem Kloos, Albert Verwey, Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden en Jacobus van Looy.

Van zijn vroegste werk bleven een reeks sonnetten en een episch-lyrisch fragment Lucifer in handschrift bewaard (niet gepubliceerd). Deze teksten, ontstaan in 1885-1886, tonen hoe zeer bij Gorter erotiek en poëzie waren verbonden. Het Lucifermotief heeft niets met Vondel gemeen, het is een vrije mythische verbeelding van Gorters zelfbevrijding van de autoritaire vaderfiguur en uit de dwang van het verleden.

Gorter liet zich duidelijk inspireren door de Engelse romantische dichters John Keats en Percy Bysshe Shelley. Aan de laatste wijdde hij een hoofdstuk in De groote dichters, een literaire studie gebaseerd op historisch-materialistische beginselen.

Gorter legde in 1888 zijn doctoraal examen af.

'Mei'
In 1989 publiceerde Gorter onder invloed van Willem Kloos zijn lange naturalistisch-impressionistische gedicht Mei, een filosofisch-mystiek dichtwerk, dat, geïnspireerd vanuit de neo-romantiek en het symbolisme, overstroomt van de verrukking over de natuur. Het maakte Gorter tot een van de meest geroemde dichters van zijn generatie en bijna iedereen kent wel de beginregels:

Een nieuwe lente en een nieuw geluid
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit

Volgens het handschrift heeft Gorter zijn Mei tussen 18 april 1887 en 15 november 1888 geschreven, maar later gaf hij als datering: 1886-1889. De eerste zang van Mei verscheen in februari 1889 in een nummer van De Nieuwe Gids. In het voorjaar van datzelfde jaar verscheen het gedicht in boekvorm. In het gedicht bezingt Gorter de liefde voor Wies Koopmans op wie hij in 1886 verliefd werd.

Mei wordt beschouwd als het hoogtepunt van de poëzie der Tachtigers, waarvan het alle aspecten samenvat: persoonlijk ritme, eigen beeldspraak, sterke emotie, vrije verbeelding, natuurliefde, melancholie en erotiek. De symboliek is beïnvloed door het werk van Keats.
Zijn werk kan beschouwd worden als typisch voor wat de Tachtigers voor ogen hadden. Geïnspireerd door de Franse symbolisten, schreef Gorter slechts omwille van de kunst. Deze l'art pour l'art-beweging pleitte voor kunst als een persoonlijke uitingsvorm, met slechts de esthetiek als leidraad, los van alle mogelijke niet-kunstzinnige doelen zoals godsdienst of stichtelijkheid. Bovendien moesten vorm en inhoud in elkaars verlengde staan en onlosmakelijke met elkaar verbonden zijn.

Dat Gorter, in hetzelfde jaar waarin Mei verscheen, promoveerde op een proefschrift over de beeldspraak bij de Griekse tragedieschrijver Aeschylus (De interpretatione Aeschyli Metaphorarum) is in het gedicht herkenbaar. Een van de vele opvallende eigenschappen van Mei is nl. de bijzondere beeldspraak, de ver uitgewerkte (Homerische) vergelijkingen.

Op 17 juli 1890 trad hij in het huwelijk met Louise Catherine Cnoop Koopmans. Dit huwelijk bleef kinderloos. Om in zijn levensonderhoud te voorzien werd hij leraar klassieke talen aan het Stedelijk Gymnasium in Amersfoort.

'Verzen'
Het weergeven van natuurimpressies en eigen gewaarwordingen voerde Gorter door middel van een zeer individueel taalgebruik tot het uiterste door in Verzen, een bundel sensitivistische poëzie verschenen in oktober 1890, door Van Deyssel met geestdrift beoordeeld.
In deze gedichten laat Gorter de normale syntaxis van het Nederlands los en probeert hij met radicale neologismen en ontwrichte zinsstructuren de zintuiglijke waarneming van het aanschouwde zo precies mogelijk weer te geven.
Het gedicht Zie ik hou van je, een vroeg gedicht van Gorter uit de bundel Verzen, is daar een goed voorbeeld van: het ritme van de verschillende strofen, de stroom van de woorden, ze zijn een uiting van een gedachte die hier en nu wordt opgetekend. En kan een gedicht nog persoonlijker zijn dan wanneer de dichter toegeeft dat hij uiteindelijk niet bij machte is zijn gevoelens te verwoorden?

Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht-
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.
En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.
Zie je ik wou graag zijn
jou, maar dat kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.
O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vrees'lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen -
Maar ik kan het toch niet zeggen.

In een later artikel naar aanleiding van de sensitivistische verzen van Gorter beschreef Willem Kloos, de theoreticus onder de Tachtigers, de doelstelling van de Tachtigers treffend als volgt: ‘Kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. Niet een boodschap van stichtende aard is het allerhoogste dat de dichter kan bereiken, maar Schoonheid.

Gorters Verzen worden beschouwd als een hoogtepunt van het impressionisme en tevens tot een beginpunt van het symbolisme. Door lateren werden ze gezien als het voorbeeld voor de experimentele poëzie (Rodenko, Lucebert). Gorter ging echter niet voort op deze weg. Hij zocht strenger zelfbeheersing en een geestelijke heroriëntatie.

Ongeveer vier jaar lang was Gorter ervan overtuigd dat hij in de leer van Spinoza de absolute waarheid over het wezen der wereld kon vinden. In 1893 nam hij ontslag als leraar en verhuisde hij naar Bussum. Daar wijdde hij zich enkele jaren volledig aan de literatuur en de filosofie. In 1895 verscheen van zijn hand een vertaling van Spinoza's Ethica (Den Haag 1895).

Het schrijven van wijsgerige verzen, begon ongeveer in 1892. In 1893 nam hij ontslag als leraar - hij gaf nog slechts enkele privé-lessen - en ging hij zich aan literatuur en filosofie wijden. Hij vestigde zich in een door H.P. Berlage gebouwd huis te Bussum, hetgeen mede mogelijk was door het vermogen van zijn schoonouders. In 1895 publiceerde hij een vertaling van Spinoza's Ethica. Toch is het spinozisme voor Herman Gorter slechts een tussenstation geweest op weg naar het marxisme.

Later, in 1905, in een voorbericht bij de herdruk van zijn verzamelbundel De school der poëzie , zou hij zelf een duidelijk beeld van zijn ontwikkeling als dichter geven: 'Want mijne beperkte zinnelijk-individueele emotie bevredigde mij niet. Was dat nu al de rijkheid, dacht ik? Bestond er nu niets meer dan dat? Altijd maar weer mij zelf, mijn eigen onmiddellijke omgeving, en niets meer?... In mijn wanhoop over mijn armoede besloot ik toen nog een geheel anderen weg te beproeven. Ik voelde dat ik waarheid, niet alleen over mij zelf, maar over de wereld, noodig had. Ik wist dat de filosofie eeuwen lang getracht heeft de wereldwaarheid te vinden. Daarom stortte ik mij in de filosofie. Maar moet ik nog zeggen dat de bevrediging die ik daar vond een valsche, een halve was?... Dorst naar schoonheid, onbevredigd, is een diepe pijn. Ik wendde mij naar alle kanten in den dag, ik wentelde mij op mijn leger en doorzocht mij zelf, maar ik vond de schoonheid, waartoe ik was uitgegaan, niet. Toen, terwijl mijn krachten reeds gevaar liepen te verslappen door overinspanning, liet ik mij naar het socialisme gaan. En daar, in de boeken van Karl Marx, vond ik wat ik gezocht had: den weg naar de algemeene schoonheid onzer onmiddellijke wereld, onzer maatschappij.'

In 1897 bracht hij zijn Verzen en talrijke nieuwe gedichten bijeen onder de titel De school der poëzie.

Gorters werk kan in ten minste twee perioden kan worden ingedeeld: een sensitivistische periode waarin de dichter sterke emoties en zintuigelijke waarnemingen in taalklank en -ritme probeerde vast te leggen en een socialistisch communistische periode, waarin hij schreef over zijn vizioenen van een socialistische heilstaat.

Toen Gorter op een gegeven moment inzag dat zijn experimenten uitliepen op taalverbrokkeling en onverstaanbaarheid kwam de grote ommekeer in zijn leven: hij ging werken van Karl Marx bestuderen en werd een overtuigd aanhanger van het communisme. Deze nieuwe levenshouding klonk ook door in zijn werk. Gorter wendde zich verder af van de poëtische principes van de Beweging van Tachtig en ging meer geëngageerde gedichten schrijven met een sterke socialistische inslag. Voor Gorter betekende het socialisme een maatschappijvernieuwing welke de poëzie zou bevrijden van haar burgerlijke beperkingen en weer opvoeren tot de hoogte der klassieken.

In 1897 sloot Gorter zich tegelijk met Henriëtte Roland Holst aan bij de door Troelstra en anderen in 1894 opgerichte SDAP. Beiden kwamen met Frank van der Goes in de redactie van het Soc. Dem. maandblad De Nieuwe Tijd, en wijdden zich aan marxistische studie en propaganda.
Het sprak destijds vanzelf dat hij dit werk onbezoldigd deed. Dat kon hij zich ook veroorloven, want, hoewel hij na zijn ontslagneming slechts een schamele boterham verdiende met het geven van bijlessen aan gymnasiasten bij hem thuis, was begin 1895 de rijke vader van zijn vrouw overleden. Het echtpaar Gorter kon voortaan rondkomen van de opbrengsten van diens erfenis.

Tot de belangrijkste artikelen die hij in dit tijdschrift tussen 1897 en 1900 publiceerde, behoort: 'Kritiek op de litteraire beweging van 1880 in Holland'. Hij verwierp de Tachtigers, voor wie hij overigens bewondering en sympathie bleef voelen, als een bourgeois-beweging en dus beperkt. Hij beschouwde zichzelf als een voorloper, geroepen om de Nederlandse poëzie te doen stijgen tot de grootheid van de socialistische idee. De bundel Verzen (1903) getuigt van deze inspiratie en van het geluksgevoel waarmee zijn liefde voor Ada Prins hem vervulde. Maar dit was te individueel, hij wilde de cultuurwending die zich in het proletariaat voltrok dichterlijk verbeelden en achtte episch werk daartoe het meest geschikt. Een klein heldendicht (1906) is Gorters verbeelding van de proletarische groei naar een socialistische overtuiging.

In de arbeidersbeweging profileerde Gorter zich vooral als propagandist en agitator. Hij was een vaardig spreker op partijbijeenkomsten, een veel gelezen pamflettist en een ijverig journalist van zijn partijkrant. Veel gelezen en in bijna alle Europese landen vertaald werd zijn brochure Het historisch materialisme. Voor arbeiders verklaard (Amsterdam 1908).

Wat de theoretische kant betreft: hij streefde naar een zuiver socialisme, bestudeerde socialistische auteurs als J. Dietzgen en K. Kautsky. Zijn opvattingen brachten hem in conflict met P.J. Troelstra; in 1909 werd hij redacteur van het links-socialistisch weekblad De Tribune.

Na de scheuring in de SDAP sloot hij zich aan bij hen die al jaren tegen het parlementair socialisme van Troelstra hadden gevochten, mannen als D.J. Wijnkoop en J.C. Ceton. Zij stichtten de Sociaal-Democratische Partij (SDP) in Nederland - later Communistische Partij in Nederland (CPN). Herman Gorter werd lid van het partijbestuur. De links-marxistische partij SDP kreeg politiek maar weinig invloed. Het feit dat Henriëtte Roland Holst hem niet volgde, bracht in hun vriendschap een zekere verkoeling teweeg.

Gorters tweede epische gedicht, Pan (Amsterdam 1912, vermeerderde druk Amsterdam 1916), is een poging om de marxistische visie van de bevrijding van de mens tot uiting te brengen. Gorter schilderde in Pan de eenwording van natuur en mensheid, die tot stand zou komen nadat de maatschappij de volgende, uitvoerig beschreven stadia zou hebben doorlopen: het ontwaken der arbeidersklasse, de oorlog, de revolutie en de bevrijding van het proletariaat. De verscherping van de internationale situatie, met name het uitbreken van WOI, heeft hem ertoe gebracht Pan geheel om te werken, zodat het aandoet als een nieuw werk, dat in vergelijking met de eerdere versie strakker van bouw is.

Het erotische motief in Pan is mede geïnspireerd door zijn liefde voor Jenne Clinge Doorenbos. Vanaf 1911 leidde Gorter een gecompliceerd liefdesleven. Naast zijn vrouw had hij twee vaste vriendinnen: Ada Prins en Jenne Clinge Doorenbos.

In het voorjaar van 1911 had Gorter zich teruggetrokken in Bergen aan Zee om zich aan de poëzie te wijden. Hij leefde daar in een soort extase. Niet alleen werkte hij onder hoogspanning, ook forceerde hij zichzelf tot onmatig zware sportieve prestaties, bijvoorbeeld door zich ver en lang in zee te wagen. Terwijl hij, in juli 1911, de laatste regels schreef van de eerste versie van het epos 'Pan', werd hij getroffen door een lichte hartaanval. Na maanden rust herstelde hij redelijk, maar sindsdien was hij, tot aan zijn dood, regelmatig depressief en lichamelijk ziek. Hij leed aan hartkloppingen, ademnood en flinke keelinfecties. Het meest van al kwelde hem de 'lichen', een huidziekte die hem zware slaapstoornissen bezorgde.

In 1916 bracht hij zijn lyrische poëzie in een voor hem definitieve editie bijeen. De bundels Verzen (1890), De school der poëzie (1897) en Verzen (1903) waren reeds in 1905 in herziene vorm gedrukt in drie bundels De school der poëzie, in 1916, opnieuw herzien, werden ze tezamen met Een klein heldendicht herdrukt als twee delen Verzen. De nagenoeg ongewijzigde herdruk daarvan (1925) heet echter weer De school der poëzie.

Toen zijn vrouw halverwege de Eerste Wereldoorlog overleed, handhaafde hij beide liefdesrelaties. Daarbij deed zich een pijnlijke kwestie voor, die weinig strookte met zijn eigen, luidruchtig uitgedragen principes inzake eerlijkheid. Tegenover Prins verzweeg hij voor de rest van zijn leven dat hij een relatie had met Clinge Doorenbos. Pas op Gorters begrafenis zou dit amoureuze dubbelleven aan het licht komen.

Gorter werkte, veelal in eenzaamheid, in Bergen aan Zee. Uitgeput door het werken aan Pan (1916) ging Gorter in 1917, na de dood van zijn vrouw, met doktersattest naar Zwitserland. Daar kreeg hij contact met revolutionaire Russische ballingen en na oktober 1917 ook met vertegenwoordigers van het nieuwe Russische bewind. Gorter was ervan overtuigd dat de communistische revolutie zou overslaan naar Midden- en West-Europa. De gebeurtenissen van november 1918 schenen hem gelijk te geven.

De moord op zijn vrienden Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg schokte hem diep. Hij achtte Lenins politiek ten opzichte van het Westen in stijgende mate onjuist. In het najaar van 1920 ging Gorter naar Rusland en debatteerde met Lenin over de gewenste revolutionaire tactiek. Hij kon de leiders evenwel niet overtuigen en verliet in 1921 de communistische partij. In een kleine radicale groep, de KAP, pleitte hij voor ‘arbeidersraden’ als grondslag van een komende vrije socialistische maatschappij.

Intussen had Gorter zowel zijn dichterlijke als zijn cultuurhistorische arbeid hervat. Hij schreef tientallen liedjes, waarvan drie bundels privé werden gedrukt in slechts enkele exemplaren. Daarnaast ontwierp hij een aantal reeksen. Hij bestudeerde het verband tussen maatschappij en dichterschap, naar aanleiding van de grote dichters uit de wereldliteratuur als Homerus, Vergilius, Dante, Shakespeare en Goethe. Die studies resulteerden in De groote dichters, postuum gepubliceerd in 1935. Een deel van zijn laatste gedichten ontstond in Zwitserland, waar hij om gezondheidsredenen herhaaldelijk verbleef. Op een terugreis werd hij in de trein door een hartaanval getroffen.

Uit zijn nalatenschap werden door Jenne Clinge Doorenbos en zijn vriend Anton Pannekoek de bundels Verzen (2 delen, 1928), In memoriam (1928), Liedjes (3 delen, 1930), De arbeidersraad (1931) en Sonnetten (1934) gepubliceerd. Samen met J. Clinge Doorenbos verzorgde Stuiveling Gorters Verzamelde werken (8 delen, 1948-1952).
In zijn postuum door Jenne Clinge Doorenbos en Ant. Pannekoek uitgegeven studie De groote dichters (1935, grotendeels geschreven in 1922 en 1923), beschouwingen over Vondel, Shakespeare, Aeschylus, Homerus e.a., valt hij Vondel aan, omdat deze zich aanvankelijk wel, maar later niet meer liet inspireren door de strijd van de opkomende klasse, de calvinistische burgerij, tegen imperialisme en katholicisme. Hoewel misschien historisch onjuist is deze visie typerend voor Gorters opvatting over de positie van de dichter.

Op een aantal achtereenvolgende dichtergeneraties heeft Gorters poëzie ingrijpende invloed uitgeoefend. Dat geldt allereerst voor de symbolistische dichters van rond de eeuwwisseling, als J.H. Leopold, Henriette Roland Holst en P.C. Boutens. Van de dichters in het interbellum springen H. Marsman en J.J. Slauerhoff in het oog als prominente Gorter-bewonderaars. De Vijftigers, onder wie Lucebert en P. Rodenko, erkennen de 'Verzen' van 1890 met nadruk als inspiratiebron voor hun avant-garde werk. Zijn spinozistische verzen uit de jaren negentig en zijn socialistische poëzie vanaf de eeuwwisseling werden weinig gekocht en gelezen en hebben nauwelijks invloed uitgeoefend op jongere dichters. Zijn betekenis voor het nageslacht lag voortaan elders: op het terrein van zijn optreden als socialist en later communist. Terwijl Gorter in Nederland geëerd wordt als dichter, geniet hij in het buitenland vooral vermaardheid als revolutionair, als propagandist van het marxisme.

Websites: GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Herman_Gorter


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 283.