kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

J.H. Leopold

Nederlands symbolistisch dichter en classicus, geboren 11 mei 1865 te 's-Hertogenbosch, overleden 21 juni 1925 te Rotterdam.

Nijhoff schreef over Leopold 'dat hij zich geheel teruggetrokken heeft uit het verkeer met mensen; dat hij op de Coolsingel, om niet herkend te worden, staan blijft en een krant voor zich openvouwt wanneer een kennis nadert; dat hij mensen niet ziet en niet groet en ieders nabijheid vermijdt' (Nijhoff, 1982, p. 310).
Zo teruggetrokken als de persoon Leopold was, zo mateloos populair was zijn werk onder collega's. Dichters als Willem Kloos, Herman Gorter, J.C. Bloem, P.N. van Eyck, A. Roland Holst en M. Nijhoff bewonderden en respecteerden zijn werk. Nijhoff stelde hem zelfs kandidaat voor de Nobelprijs voor literatuur - gekregen heeft hij die niet.

Leopold was werkzaam als leraar klassieke talen aan het Erasmiaans gymnasium in Rotterdam en werd ook door zijn leerlingen bewonderd: de dichteres Ida Gerhardt bewaarde dierbare herinneringen aan deze strenge leermeester. De stijl van Leopold was ondanks zijn symbolistische en klassieke achtergrond wel degelijk modern en werd driftig nagevolgd door de jongere garde moderne schrijvers. ( thema van zijn lyriek is de eenzaamheid waartoe hij zich zowel door zijn introverte aard als door een tragisch verbroken verbintenis gedoemd wist, maar die allengs tot een algemeen-menselijke, existentiële eenzaamheid verdiept werd. Gaat dit thema aanvankelijk gepaard met het besef dat elk omgaan met medemensen pijn doet, later komt er een bewuster aanvaarding van het onontkoombare, meer verwant aan de Stoa. In overeenstemming hiermee neemt de sensitieve dichterlijke stijl (verwant aan Gorters Verzen, maar grijzer en meer ingehouden van toon) toe in zinrijke concentratie, zonder overigens iets prijs te geven van zijn individuele ritme en melodie. Het Perzische kwatrijn wordt door zijn bezielde toepassing een versvorm van onovertroffen volmaaktheid. ( 1984) aan de hand van varianten in de tekstgeschiedenis van de gedichten van Leopold aan dat de teksten aanleiding geven tot een interpretatie die in overeenstemming is met de symbolische poëtica van Leopold. Die poëtica houdt in dat poëzie niet naar iets verwijst, maar een zelfstandige rol speelt en opgevat moet worden als een taalspel dat zijn eigen werkelijkheid oproept. In die zin is de poëtica van Leopold verwant aan de symbolistische poëzie van de dichter Mallarmé. ( Herman Gorter, dat bij hem echter veel grijzer en ingehoudener is van toon. Zijn poëzie getuigt van een subtiele sensibiliteit en een uitermate sterk individualisme, dat het tragische karakter van een onvrijwillige en fatale eenzaamheid heeft.

Zijn bijzonder suggestieve lyriek is vergelijkbaar met de latere schilderijen van Matthijs Maris. Soms slaagt hij erin zijn sombere gedichten wat verteerbaarder te maken door accenten van bekoorlijke speelsheid, tederheid en zelfs humor te verwerken. Behalve Spinoza oefende vooral de oud-Perzische mystieke poëzie grote invloed uit op zijn werk (hij maakte een onovertroffen vertaling van de kwatrijnen van Omar Kahyam). Van het Perzische kwatrijn maakte hij een versvorm van nooit geëvenaarde volmaaktheid. ( gymnasium.

1883 Verhuizing naar Leiden; Studeerde klassieke letteren aan de Universiteit van Leiden. De studie werd hier in deze jaren nog geheel beheerst door de streng filologische en tekstkritische richting die de beroemde graecus prof. Cobet had geïntroduceerd; Leopold maakte nog het laatste jaar van diens onderwijs mee. Deze eenzijdige oriëntatie vond een zekere literaire aanvulling in zijn lidmaatschap van het dispuut Literis Sacrum, waarin hij klassieke en moderne onderwerpen behandelde en ook enig oorspronkelijk werk voordroeg. klassieke letteren
1889 Cum Laude Doctoraalexamen klassieke letteren;

Thieme's Boek- en Muziekhandel (Zutphen) publiceert eerste liedjes met muziek voor zang en klavier (Twee amoureuse liedekens);

Tijdelijk leraar Grieks, Latijn en oude geschiedenis stedelijk Gymnasium (Deventer)

1890 Reis van twee maanden naar Italië als gouverneur van leerling, waarop hij de ten dode opgeschreven jonge vrouw ontmoette voor wie hij blijkens zijn dagboek een ongelukkige liefde opvatte die waarschijnlijk zijn weerslag vindt in de 'Verzen 1895'.

1891 Tijdelijk leraar oude talen Erasmiaans Gymnasium.

1892 Cum Laude Promotie doctor in de letteren (proefschrift: Studia Peerlkampiana), gewijd aan de Leidse hoogleraar Hofman Peerlkamp, wiens uitgaven van Horatius en Vergilius al te zeer door ongefundeerde interpolaties overheerst werden om in Leopolds 'hyperfilologische' studie genade te kunnen vinden.

Vaste benoeming tot leraar oude talen Erasmiaans Gymnasium, waar hij tot bijna een jaar voor zijn dood werkzaam zou blijven. Vriendschap sloot hij er o.a. met een collega-classicus, dr. A.J. Kronenberg, een wat gezette man die eigenaardig afstak bij Leopolds lange, slanke gestalte. Samen aten zij, wandelden zij en samen gingen zij ook op reis naar de Tiroolse Alpen, waar Leopold zijn geliefde wintersporten beoefende.

Verhuizing naar Rotterdam. verloving met Fimi Rijkens (geen huwelijk; Fimi trouwt in 1896 met zijn vier jaar jongere broer Joes [Johannes])

In zijn uiterlijke verschijning was Leopold immer verzorgd, in zijn jonge jaren zelfs met het ietwat precieuse van de dandy. Toch was hij nooit een naar buiten gekeerde figuur: al ontbrak het hem niet aan sociaal contact, hij bleef teruggetrokken, of, om een karakteristiek aan te halen die hij ooit gaf van zijn vriend Gerlof van Vloten, maar die evenzeer op hemzelf van toepassing was, 'een teedere en gevoelige natuur en een schroomvallige, een eenzame, maar niet uit zelfgenoegzaamheid maar een teleurgestelde, die wellicht vol was van uitingsbegeerte en van verlangen naar verwante ontmoetingen.' Christus-verzen') (vii, 2, 1893) - de aflevering waarin ook Henriëtte Roland Holst debuteerde - heeft Leopold met grote tussenpozen bijgedragen aan dit tijdschrift.

1900 Publiceert 'Nabetrachtingen van een concertganger' in de Nieuwe Rotterdamsche courant
1902 Publiceert over Spinoza; lid Nederlandsche Alpen-Vereeniging

In onvrede met het hier en nu zocht hij een levensbeschouwelijke zekerheid die het christendom hem niet kon bieden en die hij aanvankelijk meende te ontdekken in Spinoza en in de Stoïci en Epicurus. In deze denkers trok hem bovenal het pantheïstische element waarvan men de sporen in zijn eigen poëzie terug vindt, getuige bij voorbeeld het gedicht Oinou hena stalagmon. 'De werkelijkheid streeft naar oplossing in het afzonderlijke', heette het reeds in een stelling bij zijn proefschrift, en inderdaad treft bij Leopold vaak een welhaast mystiek bewustzijn van de verbondenheid aller dingen. Deze houding, gevoegd bij zijn neiging tot het determinisme, deed hem uiteindelijk de meeste bevrediging vinden in het oosters-fatalistische van een man als Omar Khayyam, wiens werk hij in 1904 ontdekte en evenals dat van andere oosterse dichters herhaaldelijk navolgde. Op filosofisch gebied leverde Leopold enkele bijdragen in de vorm van studies over Spinoza, alsmede een tweetal boekjes met vertalingen, Stoïsche wijsheid (Rotterdam. 1904), met medewerking van zijn leerling F. Schmidt-Degener, en Uit den tuin van Epicurus (Rotterdam. 1910). 1907 Bestuurslid Het Spinozahuis

1908 Publiceert editie van Marcus Antonius
Zijn eigenlijke vakgebied verwaarloosde Leopold evenmin: er verschenen tijdschriftartikelen van zijn hand alsmede een voorbeeldige uitgave van Marcus Aurelius Ad se ipsum (Oxford, [1908]). Dit laatste werk was wel mede bedoeld om de aandacht van de vakgenoten op zich te vestigen; maar hoewel hij ongetwijfeld kon gelden als één van Nederlands beste klassieke filologen ontging hem toch tweemaal een hoogleraarschap: eerst in 1913 te Leiden, vervolgens in 1917 te Groningen. Zijn toenemende doofheid was hier wel de voornaamste hinderpaal, met de hiermee gepaard gaande vereenzelviging en afgetrokkenheid van de wereld. Verkiezing tot lid Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde

1912 Eerste (bibliofiele) uitgave van gedichten in boekvorm (Verzen), in 80 exemplaren bij Eduard Verbeeke te Brugge onder redactie van P.C. Boutens. Vanaf zijn tijdschriftdebuut in 1893 publiceerde hij regelmatig in hetzelfde tijdschrift De nieuwe gids, maar hij bundelde ze pas nadat een andere collega-dichter, P.C. Boutens, ze in een uitgave had verzameld in 1912. Het jaar daarop bezorgde Leopold zelf een uitgave waarin ook enig ongepubliceerd werk werd opgenomen.

1913 Voorgedragen (niet benoemd) voor professoraat Leiden.
1914 Eerste (gewone) uitgave van gedichten (Verzen), gedrukt in 1913; gepasseerd als conrector van het Erasmiaansch Gumnasium

1915 Publicatie van laatste wetenschappelijk artikel.

In De Nieuwe Gids van januari 1915 publiceerde Leopold een verhalend gedicht, Cheops, dat het jaar daarna afzonderlijk verscheen in de bibliofiele reeks van De Zilverdistel (50 exemplaren). In dit werk heeft Leopold een poëtisch visioen gegeven van de metafysische slotsom waartoe intensieve studie van Spinoza, de klassieke wijsgeren en ook oosterse letterkunde hem had geleid. In kwatrijnen en andere kleine gedichten, slechts ten dele door hemzelf gepubliceerd, blijkt de oosterse invloed op de oudere Leopold nog te zijn toegenomen: ze bevestigen zijn bittere levenservaring, zijn wijsgerig agnosticisme, maar ook zijn vreugde om de kleine genoegens des levens: een element van het epicurisme, waaraan hij ook een publikatie in proza had gewijd.

Inderdaad werden zijn latere jaren gekenmerkt door een groeiende vervreemding van zijn omgeving, waarbij zijn doofheid zeker een rol speelde, maar evenzeer paranoïde trekken naar voren kwamen die een steeds grotere achterdocht jegens een ieder in zijn nabijheid voedden. 'Omgang met menschen, nabuurschap: een sleepend zeer, een chronisch lijden', heette het nu in een gedicht en dit beeld van de dichter is bestendigd vooral door de herinneringen van zijn reeds genoemde oud-leerling Schmidt-Degener.
Toch is de voorstelling van de afgetrokken, uitsluitend ernstige en beschouwelijke Leopold voor zijn jongere jaren zeker minder juist en gecorrigeerd in de herinneringen van met name een andere oud-leerling en latere collega, dr. R. Jacobsen. Daaruit treedt een geheel andere Leopold naar voren, een geestig man, die gul kon lachen in de kring van vrienden en leerlingen, die zich in vervoering kon overgeven aan de muziek van Schubert, Beethoven of Tsjaikowski, en die, verrukt over de volheid van het leven, daarvan getuigde in een gedicht als Albumblad, dat, steeds weer bewerkt, ten slotte nooit geheel voltooid werd. Indisch toneelstuk, Vasantasena, voor het Rotterdamsch Toneel bewerkte: een stuk dat met enig succes werd opgevoerd maar spoedig weer van het repertoire verdween.

1917 Gepasseerd voor het professoraat Grieks in Groningen
1918 Geeft cursus over Griekse tragedie aan de Rotterdamsche Volksuniversiteit

1924 Kunera Pers publiceert Oostersch; eervol ontslag van het Erasmiaans Gymnasium nadat hij vanwege ernstige doofheid was afgekeurd.

Met de jaren kwam de toenemende doofheid, de achterdocht en de vereenzaming. Eén voor één verbrak hij het contact met de vrienden; het gevoel miskend te zijn werd sterker; het lesgeven werd hem, die altijd de besten onder zijn leerlingen had weten te inspireren, tot een last die hij er op 1 september 1924 met een zucht van verlichting [op]gaf. Een nieuwe periode scheen zich nu te openen: er verschenen huldebetuigingen ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag, en zelf maakte hij nieuwe plannen, die echter niet meer verwezenlijkt mochten worden: in juni 1925 overleed hij na een korte ziekte aan pleuris. nummer van De witte mier over Leopold bij diens 60ste verjaardag; Leopold overleden aan borstvliesontsteking (21 juni) en gecremeerd in het Crematorium Velsen

Hoewel tijdens zijn leven reeds vrij algemeen erkend als één van Nederlands grote dichters, bleven zijn publicaties in boekvorm beperkt tot een paar titels: Cheops (1916) en Oostersch (1924). Daarnaast bestond echter een grote hoeveelheid ongepubliceerde en ook onvoltooide gedichten. Na zijn dood deden verschillende redacteuren een greep in deze nalatenschap en verschenen door hen bewerkte edities. De tweede bundel Verzen, maar ten dele door de dichter zelf persklaar gemaakt, verscheen in 1926.

Eerst de uitgave door P.N. van Eyck van de Verzamelde Verzen (Rotterdam. 1935) openbaarde de 'rijkdom van het onvoltooide', honderden vaak slechts ten dele voleindigde verzen die nooit waren uitgewerkt maar publikatie toch ten zeerste rechtvaardigden. Zij illustreerden op uitnemende wijze Leopolds omzichtige werkmethode en zijn fijnzinnig pogen de rijkgeschakeerde werkelijkheid in subtiel taalgebruik te vangen. Ongetwijfeld is zijn dichterschap verwant met de Beweging van Tachtig met haar woordkunst en haar estheticisme, haar dienst der Schoonheid en de Dichter als de uitverkoren vertolker daarvan. Dat neemt niet weg dat zijn werk, afgezien van de aanvankelijke invloed van Gorter, toch een volkomen eigen karakter draagt en uniek is in onze poëzie: 'bijna zwijgen', in Boutens' bekende karakteristiek; inderdaad heeft het dichtwerk, met de kenmerkende vrije versvorm die in het onbelemmerd stromen der gedachten een mijmeren tot uiting brengt, iets van een 'hoorbaar peinzen'. De kern van zijn eenzelvig wezen vindt men er in terug, zijn kwetsbaarheid en bovenal ook de pijn én de verrukkingen van een overgevoelig mens, wiens sensibiliteit juist zijn overweldigend liefdesverlangen in de weg stond: 'een hart, dat sprak; een mond, die niet kon spreken'. Met Donkersloot kan men Leopolds poëzie daarom wellicht het beste karakteriseren als een zelfgericht, 'de inwendige kroniek van een worsteling om zelfbehoud, de afrekening met de uitersten van geluksverlangen en eenzaamheid, de uitspraak van een bittere en bitse mensenkennis en levenservaring'. www.inghist.nl)

Websites: www.kb.nl, www.dbnl.org, cf.hum.uva.nl

Bronvermelding: H. van der Hoeven, 'Leopold, Jan Hendrik (1865-1925)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn1/leopold [18-01-2007]


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1088.

Tweets by kunstbus