kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Jacques Perk

Nederlands dichter, geboren Dordrecht 10.6.1859, overleden Amsterdam 1.1.1881.

Jacques Perk geldt als een belangrijke voorloper van de Tachtigers. Het bewust breken met de huiselijke poëzie van zijn tijd openbaart zich ook in de vorm. Hij gebruikt met voorliefde het technisch moeilijke sonnet, waarmee hij zijn ideeën ‘kunstig’ hoopt te kunnen uitdrukken. Hij cultiveert een sterke schoonheidsbeleving en een tot in het extreme doorgevoerd estheticisme. Goede gedichten zijn volgens hem zo geconcipieerd dat ze voldoende ruimte laten voor een eigen interpretatie van de lezer. ( Jacques Perk kende een kort leven, maar heeft als dichter een blijvende reputatie gekregen door toedoen van de gezaghebbende redacteur van De Spectator, Carel Vosmaer, en door Kloos. Willem Kloos gaf al een jaar na Perks dood zijn gedichten uit met een inleiding die in de literatuurgeschiedenis bekendheid heeft gekregen als het 'poëtisch programma van Tachtig'.

Jacques Fabrice Herman Perk, zoon van dominee Marie Adrien Perk, neef van Betsy Perk, een vooraanstaand voorvechtster van de rechten van de vrouw.

Perks vader Marie Adrien Perk was predikant voor de Waalse Kerk in Nederland, een onderdeel van de Nederlandse Hervormde Kerk dat gesticht was door de voormalige Hugenoten. Hij preekte dus in het Frans, en was vooruitstrevend ingesteld; daarbij had dominee Perk een grote literaire belangstellig en vele relaties in letterkundige kring. Hij voldeed in geen enkel opzicht aan het cliché van de burgerlijke dominee-dichter, dat in zijn tijd nog sterk aanwezig was. Bij hem thuis heerste eerder een Europees-aristocratische dan een burgerlijk-Hollandse sfeer. De jonge Jacques kwam daardoor al vroeg in aanraking met de Europese literatuur en schreef rond zijn tiende jaar zijn eerste verzen.

Na in Breda te hebben gewoond, verhuisde het gezin Perk in 1872 naar Amsterdam. Jacques werd leerling van de hbs aan de Keizersgracht, waar de letterkundige W. Doorenbos leraar was onder wiens invloed hij sterk wordt beïnvloed door het Renaissance-ideaal van de universeel ontwikkelde persoonlijkheid, waarvoor ook de vrije geest van de Griekse oudheid model stond.. Hij sloot er vriendschap met zijn klasgenoot Frank van der Goes.

In maart 1877 verliet hij de school. Het volgende jaar vond via zijn vader emplooi aan het Algemeen Handelsblad voor het vertalen en bewerken van de Franse post; ondertussen schreef hij talrijke versjes, grotendeels voor zijn jeugdliefde Marie Champury. Zij was de dochter van Perks leraar Frans op de HBS, maar deze zag het niet zitten met de jonge schoolverlater, wiens hart niet alleen naar zijn dochter, maar ook nog naar de literatuur uitging. Marie zelf was zeer verstandelijk ingesteld en kon, hoewel vereerd, de romantische exaltatie van de jonge Perk niet navolgen; noch in diens verzen, noch in het drama in vijf bedrijven Herman en Martha, dat hij in deze tijd schreef, waarin de door de ouders gedwarsboomde liefde uiteindelijk het onderspit delft.

Na zijn definitieve afwijzing door Marie trachtte Perk aan te monsteren op de 'Willem Barends', om deel te nemen aan een poolexpeditie, maar er was geen plaats. De romanticus stortte zich nu op de sonnetten van Petrarca, Shakespeare, Goethe en Lamartine, die hij nauwgezet bestudeerde. Voor het eerst werd een gedicht van hem geplaatst, in het maandblad Nederland. Hij verveemdde van het geloof van zijn vader, begon zich excentrieker te kleden, en discussieerde nachtenlang met zijn vrienden, onder wie de latere schrijver en socialist Frank van der Goes, over het leven. Aan het Handelsblad, waarin hij zich te literair wilde uitdrukken, was hij inmiddels ontslagen.

Na met zijn familie een reis naar Diekirch te hebben gemaakt, ontmoette Perk in juli 1879 te Laroche, waar hij ook de schrijver Oscar Wilde ontmoette, de Franstalige Mathilde Thomas.
Twee jaar later schreef hij over deze ontmoeting in een brief aan zijn toenmalige vriendin Joanna Blancke:
't Was in den zomer van '79 in Laroch sur Ourthe. Daar heb ik zes dagen juffrouw Mathilde Thomas gekend. Ze was blond, twintig jaar, vrij aardig en verloofd met een graaf De Block.
Die juffrouw Mathilde, als alle 'fijntjes' nog al onbeteekenend, dacht, scheen het, waarlijk, dat ik haar wou 'hebben' en sprak soms heel vriendelijk met het twintigjarig baasje, nog al vreemd voor een verloofde.

Ondanks deze onbetekendheid bracht 'juffrouw Mathilde' Perk de inspiratie voor een grote cyclus van meer dan honderd sonnetten: Mathilde. Zijn verliefdheid op dit meisje en de natuur van de Ardennen inspireerden hem tot een groot aantal soms wel érg smachtende verzen (deels ter plaatse, deels in het najaar te Amsterdam geschreven), die geordend werden tot een 'krans', aanvankelijk Een ideaal genaamd, later Mathilde. Een uitgave mislukte; met moeite kreeg hij inoktober 1880 enkele sonnetten geplaatst in het weekblad De Nederlandsche Spectator en het maandblad Nederland. Ook Joanna Blancke inspireerde hem overigens, tot het grote gedicht Iris, waarover later.

Het oudste hs. van Mathilde heeft een duidelijke structuur; honderd sonnetten met drie ervoor als inleiding en in spiegelvorm drie erna als afsluiting. Het thema is de bewustwording van het dichterschap onder invloed van de inspirerende natuur van de Ardennen en vooral de liefde voor een schone, geestrijke vrouw. Neigt de natuurbeschrijving door de zintuiglijkheid naar het impressionisme, tegelijk hebben de verliefdheid en de wijsgerige en moraliserende beschouwingen een traditionele inslag. In vijf fasen, als in een klassiek drama, leidt de thematiek tot een crisis en een catharsis; op de ontmoeting en de gevoelsrelatie volgt een vrijwillig afscheid om de eigen zelfstandigheid terug te vinden; het zwerven en mediteren in de natuur eindigt in het sombere dieptepunt van de `grotsonnetten' (geïnspireerd op de grotten van Han), waaruit de dichter zich bevrijdt tot het besef van een kunstenaarschap dat liefde, natuurgevoel, wijsheid en schoonheid in zich draagt, hetgeen bij een laatste ontmoeting met de eens-geliefde vrouw bevestigd wordt.

Om een universitaire studie te kunnen volgen nam hij lessen Latijn en Grieks. In 1880 werd hij student in de rechten te Amsterdam. Perk beschouwde zijn rechtenstudie meer als een noodzakelijk kwaad - hij zou toch ergens de kost mee moeten verdienen. Wat dat betreft, maakte hij zich over zijn dichterschap geen illusies. Maar hij volgde liever de colleges Wijsbegeerte en Letteren.

Perk maakte voor het eerst kennis met Kloos op 15 mei 1880 in de Kalverstraat te Amsterdam. Perk sprak toen de iets oudere Kloos, die een jaar hoger op dezelfde H.B.S. had gezeten en intussen al had gepubliceerd als dichter, aan met de mededeling dat hij ook gedichten maakte. De vraag van Kloos of hij die dan eens mocht zien, markeert het begin van een dichterlijke vriendschap.
Samen met Kloos ondernam hij in 1880 een reis naar Brussel en La Roche, waar Perk een jaar tevoren vijf zo bijzondere dagen met Mathilde had doorgebracht. Hoewel zijn zuster Dora nog een hartelijke briefwisseling met haar onderhield, hoefde hij de echte Mathilde niet meer te zien; het beeld van de goddelijke vrouw had in zijn poëzie haar plaats ingenomen.
Na terugkeer vroeg Vosmaer hem voor verschillende stukken, o.a. kritieken, in de Spectator; zo schreef hij ter gelegenheid van het derde eeuwfeest van de dichter P.C. Hooft op het Muiderslot zijn meesterlijke gedicht De schim van P.C. Hooft.
De vriendschap met Kloos inspireerde hem tot een nieuwe sonnettenreeks, Verzen aan een vriend, die hij met speels gemak produceerde. Kloos, die zijn eigen gedichten veel moeizamer schreef, maar net als Perk moeite had ze geplaatst te krijgen, was diep onder de indruk van Perks beheersing van de versvorm, al had hij ook het nodige aan te merken op diens werk, waar hij met Perks toestemming correcties in aanbracht.
Kritische opmerkingen van Kloos en nieuwe ideeën en indrukken brachten Perk ook tot een herziene versie van zijn sonnettenkrans.

Doordat het tweede hs. ongenummerd en losbladig was kan de wellicht door Perk gewijzigde structuur van de cyclus hieruit niet blijken. Het derde hs. is tweezijdig beschreven met twee sonnetten per bladzijde, maar bevat niet meer dan 65 sonnetten en 7 open ruimten.

1881 begon met de voorbereidingen van het huwelijk van zijn zuster Dora. Hiertoe ontmoette Perk de zuster van de bruidegom, Johanna Blancke, wie hij daarna hartstochtelijke brieven schreef. April 1881 maakte hij een einde aan zijn vriendschap met Kloos en namen Liefde en lyriek hem weer geheel in beslag.

Voor Johanna Blancke schreef hij een enkel sonnet, aan haar droeg hij de kleine cyclus Eene helle- en hemelvaart op, samengesteld uit sonnetten aan de Mathilde-krans ontleen, eind 1881 gepubliceerd in de Spectator, en eveneens het mede door Shelley geïnspireerde gedicht van de onontkoombare eenzaamheid, Iris (door De Gids geweigerd; oktober 1881 opgenomen in De Tijdspiegel, dat getuigde van zijn onmogelijke liefde voor Joanna Blancke. Iris is een gedicht over de onbereikbaarheid van de geliefde. Telkens als Iris (de regenboog) Zefier (de westenwind) wil kussen, verdwijnt hij. Voor vorm en metrische structuur van zijn vers vond Perk bij Shelley in het gedicht The Cloud een voorbeeld, de inhoud kreeg gestalte door zijn gevoelens, zijn liefde en de teleurstelling daarin. De laatste regels luiden:
Mij is gemeenzaam, wie even eenzaam
Het leven verlangende slijt
En die in tranen zijn Vreugde zag tanen...
Doch liefelijk lacht, als hij lijdt!

Hoe Johanna Perks gepubliceerde ontboezemingen onderging, valt niet meer na te gaan. Eind september werd Jacques ziek, na een roeipartij op de Amstel, waarna hij nog lang met natte kleren was doorgelopen. Zijn koorts en hoesten werden aanvankelijk niet ernstig opgevat; inmiddels hadden diverse gezaghebbende literatoren het voor hem opgenomen, onder meer Alberdingk Thijm en Vosmaer, die hem in de Spectator nu zelfs met Dante vergeleek.
Alle erkening ten spijt, bleek half oktober dat Perk nog maar enkele weken te leven had. Hij had een abces aan een van zijn longen, het had hem al eerder parten gespeeld; aan een ingreep viel niet te denken. Op zondag 30 oktober nam hij afscheid van zijn familie, hen geruststellend en zeggende, dat hij in vol bewustzijn de eeuwigheid in ging. Op 1 november rond vijf uur 's middags blies hij op 22 jarige leeftijd de laatste adem uit. Hij werd op 5 november begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats te Amsterdam.

De literaire nalatenschap, door Perks vader aan Vosmaer toevertrouwd, werd door deze in samenwerking met Kloos gereed gemaakt voor de druk. Geen enkel vorig hs. maakt de structuur verantwoord die door Kloos in 1882 is aangebracht: viermaal 18 sonnetten, met de grotsonnetten al in de tweede groep, vóór de omzwervingen. Kloos herordende de cyclus tot vier groepen van 18 sonnetten en deed uit het overige werk een kleine keuze. Zijn inleiding tot deze editie (1882) werd het manifest van de nieuwe richting in de poëzie.

De latere volgorde (sinds 1901) heeft in het geheel geen zin. In de vierde druk (1901) voegde Kloos meer dan 30 sonnetten toe, op willekeurige plaatsen; een geheel nieuwe inleiding verving de oorspronkelijke; Vosmaers sympathieke levensbericht werd weggelaten. Aantekeningen, vaak even polemisch als onbetrouwbaar, hebben in latere drukken de situatie erger en ergerlijker gemaakt.

Voordat de cyclus in het tijdschrift De Nieuwe Gids werd gepubliceerd heeft Willem Kloos, voorman van de literaire Beweging van Tachtig, flink in de tekst ingegrepen. Dankzij de nalatenschap van Kloos die in 1938 in de Koninklijke Bibliotheek werd ondergebracht, kunnen we de ingrepen precies volgen. In de Verzamelde gedichten (1957) is een poging gedaan tot voorzichtige reconstructie, met gebruikmaking van het volledige materiaal.

Websites en bronnen: GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Jacques_Perk


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 5443.

Tweets by kunstbus