kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30 10 2016 15:52 voor het laatst bewerkt.

Jean-Jacques Rousseau

Jean Jacques Rousseau (1712-1778)

Frans schrijver, filosoof en componist,

Jean-Jacques Rousseau stond aan de wieg van de Verlichting, maar later ook van de Romantiek.

Rousseau komt in 1712 ter wereld in de stadstaat Genève. Zijn vader is horlogemaker, zijn moeder sterft bij zijn geboorte. Zijn opleiding is niet bijzonder breed geweest, hij leerde lezen en schrijven van zijn vader. De vader laat het gezin in de steek en Jean Jacques groeit op bij een tante in een orthodox protestants milieu. Uit onvrede over zijn leven verliet hij zijn geboortestad maar ook een aantal jaren in de kost en leer bij een griffier was niet genoeg om hem rustig te krijgen.

In 1728 vlucht Rousseau vanuit Genève naar (het Italiaanse) Savoye, waar hij zich bekeert tot het katholicisme. Niet lang daarna wordt hij opnieuw protestant, maar zijn relatie met de officiële godsdienst (welke dan ook) zal altijd rijk aan conflicten blijven.

Rousseau zag veel beroepen en veel van hoe mensen leven en denken. Zijn grotendeels autodidactische opleiding leverde niet de diepgang die hij graag wilde hebben en daarom verhuisde hij in 1742 naar Parijs. Hij bekleedde daar tussen twee verhoudingen door met oudere vrouwen (die hij respectievelijk aanspreekt met 'Maman' en 'Tante') een politieke post als secretaris van de ambassadeur voor Venetië, maar wegens een conflict met de ambassadeur die bijzonder dom en lui schijnt te zijn geweest, werd Rousseau ontslagen. Zijn eerste politieke ervaring was voor Rousseau dus wat teleurstellend. Door zijn ervaringen daar komt Rousseau op de stelling dat een volk dat is wat de regering er van maakt.

In Parijs gaat Rousseau samenwonen met een wasvrouw, Therèse le Vasseur, die vijf kinderen van hem krijgt. Jean Jacques Rousseau houdt zich in leven door het kopiëren van muziek en geniet zelfs een zekere faam als componist van een opera. Hij leert er mensen kennen als Diderot en d'Alembert en doet voor de Encyclopédie onder andere enkele artikelen met betrekking tot de muziek. De opvattingen zoals hij die in zijn geschriften propageert, maar ook zijn paranoia en zijn houding als profeet van een hoogst persoonlijk evangelie brengen hem tenslotte in botsing met de auteurs uit de kringen van de verlichting.

Zijn interesse voor filosofie ontwikkelde zich mede nadat hij aan een opstelwedstrijd mee deed met de vraag hoe wetenschappen en kunsten van invloed zijn op de verfijnde zeden. Omdat hij deze won en vrij plots een beroemd schrijver werd, groeide zijn interesse voor dit onderwerp bijzonder. Gelauwerd in twee prestigieuze prijsvragen, maakte Jean-Jacques Rousseau een opmerkelijk literair debuut.

Discours sur les sciences et les arts (1750)
Discours sur l inégalité (1754)
Geluk en redelijkheid zijn het doel van de menselijke ontwikkeling - ideaal is de terugkeer naar de natuurstaat, waarin een gelijkheid van recht voor allen heerst.

De grondgedachte in het werk van Rousseau is de stelling dat de mens in wezen goed is, maar dat hij verdorven wordt door de maatschappij, vandaar ook dat de auteur een belangrijke rol weglegt voor de opvoeding. Zijn beroemdheid maakte het hem eerst moeilijk om zijn eigen visie weer te geven, maar na een paar jaar ontwikkelde hij een stijl van tegendraadsheid die bekend is van de verlichting, maar die ook een reflectie over de maatschappij opleverde die zo hard nodig was.

In 'Discours sur l'origine et les fondements de l'inégalité parmi les hommes' (1755) schetst Rousseau een alleszins aanvaardbaar beeld van de ontwikkeling van de primitieve mens tot zijn beschaafde status. Hij onderscheidt de natuurlijke ongelijkheid (van leeftijd en kracht) van de politieke. de natuur toestand was volgens hem paradijselijk: de primitieve mens, de edele wilde, leefde vrij en onafhankelijk en door de natuurlijke selectie gezond; hij leidde een taalloos bestaan zonder rechtspraak en zonder bezinning. Rousseau probeert de oorzaak van de beëindiging van deze ideale toestand te verklaren. Volgens hem stichtte de eerste mens die land afbakende en dit het zijne noemde, de burgerlijke maatschappij, waarmee de mogelijkheid tot oorlog en machtsverhoudingen werd geschapen. Vervolgens deden rijkdom, heerschappij en machtsmisbruik hun intrede.

Nadat hij zijn Emile heeft geschreven, een boek over de opvoeding, verschijnt er een anoniem pamflet waarin vermeld wordt dat Rousseau al zijn kinderen te vondeling heeft gelegd. Veel later zal blijken dat het van de hand van Voltaire is, die op de hoogte was via vrienden van Rousseau.

Rousseau voltooit in 1761 zijn grote roman 'Julie ou La nouvelle Hélloïse'. In dit werk vindt men onder meer de belangrijkste ideeën van Rousseau over mens en samenleving. Zo zijn in de patriarchale leef- en werkomgeving van de hoofdpersonages uit 'Julie...' verschillende ideeën in praktijk gebracht die Rousseau in 'Du contrat social ou Principes du droit politique' (1762) uiteenzet. In dit werk ontvouwde Rousseau zijn theorie van de volonté générale, de wil van de gemeenschap. Met 'sociaal contract' bedoelde hij ook werkelijk een maatschappelijk contract, niet een politieke overeenkomst tussen het soevereine volk en de regering. Pas door de vorming van een gemeenschap op grond van het 'sociale contract' krijgen individuen rechten en plichten. Maar Rousseau voegt eraan toe dat de gemeenschap een eigen wil heeft, de volonté générale. Hij stelt dat deze gemeenschapswil het algemene welzijn van de hele gemeenschap nastreeft. Wil iemand iets dat in strijd is met de volonté générale, dan is hij gewoon in de war en kent zijn eigen belang niet. De wijsgerige gedachte achter 'Du contrat social' is dat de mens van nature goed is. Dit is ook het fundament van Rousseaus pedagogische gedachten.

Na de publikatie van Le contrat social in 1762 ziet hij zich genoodzaakt uit Frankrijk te vluchten. Tot 1765 verblijft hij aan het hof van Frederik de Grote in Pruisen, daarna gaat hij op uitnodiging van de filosoof Hume naar Engeland. Uiteindelijk keert hij terug naar Parijs.

In zijn Contract Social leerde hij, dat in elke goed ingerichte staat de eigelijke souverein de gemeenschappelijke wil van het volk is. Het waren o.a. deze theorieën, die ten grondslag lagen aan de Franse Revolutie in 1789. De zeer slechte finaciële positie va het land dwong Koning Lodewijk XVI om de Staten-Generaal bijeen te roepen, wat sinds 1614 niet meer was gebeurd. De 'derde stand' verkreeg de meerderheid en vormde op 17 Juni 1789 een Nationale Vergadering. Het ontslag van de minister van financiën Necker, die verregaande bezuinigingen wilde uitvoeren, leidde op 14 Juli 1789 tot de bestorming van de Bastille.

Muziek
Rousseaus invloed op het muzikale denken van zijn tijd is zeer groot geweest, met name door zijn Dictionnaire de musique (1767) en zijn Lettres sur la musique moderne et française (1753). Rousseau was eerst een aanhanger van de Italiaanse opera, later van Gluck en diens streven naar een hervorming van de opera. Met zijn blijspel Le devin du village (1752), waarmee hij ook als componist naam maakte, gaf hij een belangrijke stoot tot de ontwikkeling van het Singspiel en de opéra-comique. Ook met latere werken, o.a. Pygmalion (1770), gaf hij voor vele componisten een nieuwe richting aan. Hij schreef verder instrumentale werken en enkele minder belangrijke vocale composities.

Naar het einde van zijn leven toe zal Rousseau een ambivalenter positie innemen: naast de heldere Verlichtingsideeën komen sombere, onbestemde en depressieve stemmingen de kop opsteken (heel goed merkbaar in zijn Confessions, geschreven 1765-1770, gepubliceerd 1782-1789).

Confessions
Waarschijnlijk is het in 1770 dat hij de laatste hand legt aan zijn Confessions (Bekentenissen). Het is een autobiografie waarin hij niet enkel keer op keer getuigt van zijn haast pathologische achterdocht, maar van zichzelf bij tijd en wijle ook een nogal ongunstig beeld schetst. In het voorwoord schrijft hij: 'Zie hier het enige portret van een mens welk nauwkeurig naar de natuur en geheel volgens de waarheid is getekend, dat er bestaat en waarschijnlijk ooit zal bestaan.'. Het boek is overigens zeer leesbaar en verschaft aan iedereen die een hekel aan Rousseau wil hebben meer dan genoeg munitie, ook al loopt de autobiografie slechts tot zijn verbanning uit Zwitserland in oktober 1765.

Gestorven te Ermenonville, bij Parijs, 1778.

Het is geen wonder, dat Rousseau's werk tot zeer tegenstrijdige interpretaties aanleiding heeft gegeven, omdat iedereen meende er wel iets van zijn gading in te kunnen vinden. Dat begon al vlak na zijn dood. De Jacobijnen meenden hem te kunnen inhuren in de Franse Revolutie als postuum partij-ideoloog, terwijl Napoleon zijn teksten al even vrolijk gebruikte om elke vorm van revolutie bij voorbaat de kop in te drukken. Zo beweren velen staatsrechtsgeleerden ook nu nog dat de gedachte van de volkssoevereiniteit uit Du contrat social de basis is van onze democratische rechtsstaat, terwijl anderen (b.v. Bertrand Russell) het erop houden dat het een vorm van totalitarisme is.

Rousseau's statuut is niet alleen in politiek opzicht omstreden. Ook zijn tractaat over de opvoeding heeft tot diametraal tegengestelde pleidooien geleid. Men heeft er zowel de legitimatie voor een volstrekt 'anti-autoritaire' als voor een volstrekt 'gedisciplineerde' opvoedingspraktijk in gezocht. En in de geschiedenis van de wetenschappen is Rousseau's bijdrage al even omstreden. De één (Lévi-Strauss) houdt hem voor de grote grondlegger van de culturele antropologie, terwijl de ander (Derrida) dat juist voor de meest stuitende misvatting van de culturele antropologie omtrent haar eigen grondslag houdt. Kortom: Rousseau wordt ingelijfd in elk denkbaar kamp, en hij heeft daar zelf wel het nodige toe bijgedragen. Maar de belangrijkste oorzaak van al deze verdeeldheid is toch het ongeduld waarmee zijn teksten worden gelezen; een ongeduld dat voortkomt uit de wens om via zijn werk een bij voorbaat vaststaand gelijk kracht bij te zetten. Wie er vrede mee kan hebben dat het (wijsgerig) leven erin bestaat, zich zo goed mogelijk staande te houden in het geweld dat ontketend wordt door de tegenstellingen waarin de werkelijkheid ons denken gevangen houdt, zal in Rousseau's teksten een diepe samenhang ervaren.

Zie verder nog: Romantiek (1750-1850) versus De Verlichting
Het werk van de Franse denker Jean-Jacques Rousseau vormt de spil tussen Verlichting en Romantiek. Zijn opvatting dat de mens van nature goed is, maar door de cultuur wordt bedorven en van zijn vrijheid wordt beroofd, vond haar beslag in een aantal filosofische en politieke werken. Jean-Jacques Rousseau was misschien wel Europa's grootste romanticus. Zijn verhalen over de verheven ‘edele wilden' - de oorspronkelijke spontane, ongeremde oermens die niet was getemd door de cultuur - en zijn doorkijkjes in zijn eigen zielenleven, markeerden een nieuw tijdperk. De Verlichting wilde de mens verheffen, opvoeden, slimmer maken, verbeteren. Rousseau vraagt zich af of men daar wel gelukkig van wordt. De Verlichting, stelde hij, perst de mensheid in een te beperkt keurslijf: dat van de rationaliteit. Hij achtte het - geheel in lijn overigens met de geest van de late Verlichting - tijd de mens hiervan te bevrijden. Zijn ideaal was niet langer de mens die naar verlichting streeft, maar de eenvoudige en gelukkige mens die geniet van de natuur en die niet zonodig de hele dag rationeel moet zijn. Rousseau gaf met name de psychologie en pedagogiek een nieuwe wending. Sinds de Romeinse stoa probeerde men de geest te sturen door allerlei deugden, met name sociale deugden, bij iedereen persoonlijk te propageren en te internaliseren. Mede onder invloed van Rousseau en van het occultisme, ontwikkelde de psychologie zich in de Romantiek echter tot een egogerichte wetenschap. Het doel van deze wetenschap was niet langer om gedrag via de deugden af te stemmen op ‘het ware', ‘het goede' en ‘het schone'. Er gold voortaan een extra criterium: ‘het geluk'. En geluk is iets wat je niet zomaar kunt leren. Het is afhankelijk van persoonlijke ervaringen, ontdekte Rousseau, en die ervaringen overstijgen het individu. De mensen om je heen kunnen je geluk maken of breken. Johann Wolfgang Goethe (1749-1832) werkte dit thema uit in zijn psychologische drama Die Leiden de Junge Werthers (1774) waarin het ongeluk van de jonge Werther, slachtoffer van een hopeloze liefde, centraal staat. Rousseau zelf, slachtoffer van een in zijn eigen ogen slechte cultuur, zette zijn Bekentenissen op papier. Compassie voor anderen, een van de aloude deugden, werd aangevuld met een flinke portie zelfmedelijden. Natuurlijk stuitte dit op verzet van de Stoa-aanhangers. Een recensie van Rousseaus opvoedkundige werk Emile in het tijdschrift De Denker in 1776 spreekt boekdelen: ‘Rousseau maakt Emile wel gelukkig voor sig zelven, maar onnut voor de Maatschappij.'(34)

De Verlichting had de mensen het ware en schone ontnomen, vond Rousseau. Daarom achtte hij de edele wilde, de onontwikkelde mens uit primitieve culturen hoger dan de West-Europese mens met al zijn vooruitgang. Rousseau keerde zich tegen de Verlichting. In Duitsland volgden Goethe (1749-1832), Schiller (1759-1805) en Lessing (1729-1781) zijn voorbeeld. Hun aanvankelijke enthousiasme over de verworvenheden van de Verlichting bekoelde en sloeg om in afkeer. In navolging van Rousseau werd nu emotie hun trefwoord. Emotie, ontroering. Op zich is het natuurlijk een vreselijke verarming, als dit uit de cultuur verdwijnt, dat zagen die mannen wel goed. Maar om nu al je hoop op deze menselijke mogelijkheden te zetten…


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 383.