kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Joost van Den Vondel

Joost van den vondel (geb. 17.11.1587 in Keulen - gest. 5.2.1679 in Amsterdam), Noord-Nederlands dichter en toneelauteur..
joost van den vondel is één van de grootste Nederlandse auteurs. Hij was, naast Gerbrant A. Bredero en P.C. hooft, één van de uithangborden van de gouden zeventiende eeuw in de Nederlandse letterkunde.

De doopsgezinde ouders van vondel vluchtten uit schrik voor de contrareformatie weg uit Antwerpen en vestigden zich na een verblijf in Duitsland in 1597 definitief in Amsterdam. Daar nam Vondel na zijn huwelijk met Maria de Wolff (1610) de kousenhandel van zijn vader over. Vondel kwam al snel in aanraking met de Amsterdamse literaire wereld. In 1606 trad hij toe tot de rederijkerskamer Het Wit Lavendel en hij raakte onder meer bevriend met P.C. hooft en hugo de Groot.

In 1610 schreef Vondel zijn eerste toneelstuk, "Het Pascha ofte de Verlossinge Israels wt Egypten, tragecomedischer wyse eenyeder tot leeringh opt tonneel gestelt". De bijbelse stof die aan de basis van dit werk ligt, zou een Groot deel van Vondels latere werken blijven beheersen. Andere inspiratiebronnen waren de politieke actualiteit en de Literatuur van de klassieke oudheid.

De lyriek van Vondel bestaat onder meer uit hekelende gelegenheidsgedichten. Zo schreef hij tijdens het Twaalfjarig bestand o.a. het bijtende "Geusevesper" (1618) als protest tegen de terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt. Tegen de godsdienstige onderdrukking door Maurits schreef hij o.a. "Decretum horribile" (1631). Dit engagement was voor Vondel een persoonlijke zaak: hij zou omstreeks 1640 toetreden tot het katholicisme. Ook in zijn oeuvre was omstreeks 1932 een keerpunt merkbaar: hij schreef minder hekeldichten, werd milder van Toon en produceerde een aantal autobiografisch geïnspireerde gedichten. De beste zijn ongetwijfeld de dodenklachten over zijn overleden familieleden: "Kinderlyck" (1635) over zijn zoontje, "Lyckklaght aan het Vrouwekoor, over het verlies van Mijn ega" (1635) en later "Uitvaert van Maria van den Vondel" (1668) over zijn kleindochter.

Ook de toneelspelen die Vondel na 1632 schreef, werden technisch steeds volmaakter en leunden inhoudelijk steeds dichter aan bij het katholicisme. Deze verschuiving blijkt duidelijk uit zijn toneelstuk "Gijsbrecht van Aemstel" (1637). Absolute hoogtepunten uit zijn oeuvre zijn toneelspelen "Lucifer" (1654) en "Adam in Ballingschap" (1664). In zijn toneelwerk trachtte hij zijn theoretische opvattingen over drama te verwerken. Zo zijn de stukken uit de laatste twintig jaar van zijn leven toegespitst op het ten tonele brengen van dramatische gemoedsveranderingen. Onder meer in "Adonias" (1661) ging dit duidelijk gepaard met Vondels persoonlijke gemoedstoestand. Hij ging de laatste jaren van zijn leven immers gebukt onder het financiële failliet van zijn kousenhandel en onder de vele sterfgevallen in zijn familie.

Als overtuigd humanist dweepte Vondel met de grootsheid van de klassieke oudheid. Hij vertaalde en bewerkte verscheidene werken van onder meer Sophocles, euripides, Seneca, Vergilius en ovidius. Op theoretisch vlak schreef hij o.a. het beroemde "Aenleidinge ter Nederduytsche dichtkunst" (in "Poezij", 1650). Zoals hij zelf bijna heel zijn familie overleefde, zo overleefde de gevoelswereld van zijn technisch meesterlijke verzen vele generaties.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2167.