kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 27-12-2008 voor het laatst bewerkt.

Karl Kraus

Tsjechisch-Oostenrijkse satiricus, publicist, schrijver en dichter, 28.4.1874 Jicín Bohemen - 12.6.1936 Wenen,

Poëticale opvattingen
Karl Kraus kan beschouwd worden als grondlegger van de expressionistische beweging. Met het anti-oorlogsdrama Die letzten Tage der Menschheit hoort hij thuis in de rij van auteurs, "die zich tegen de mechanisch-materieel geworden beschaving en burgerij gekeerd hebben, tegen de kleinere rol van de persoonlijkheid en de verknechting van het individu.“ (Kohn, 109) Het mag dus geen wonder heten dat Kraus in zijn tijdschrift 'Die Fackel' jonge auteurs als Franz Werfel, Albert Ehrenstein, Else Lasker-Schüler en Berthold Viertel aan het woord liet komen.

Toen het expressionisme evolueerde naar dadaïsme, wendt Kraus zich ontgoocheld af van deze stroming. Karl Kraus’ kunstopvatting is doordrongen van een diep geloof in de eenheid van vorm en inhoud. De vormloosheid van het dadaïsme is voor hem niet te volgen.

Karl Kraus streefde ernaar door zijn schrijven de realiteit te veranderen. Toen dit niet lukte, zocht hij bevrediging in de gedaante van de taal zelf: „hij wou de realiteit niet veranderen, maar op kunstzinnige wijze vormgeven. Hij kiest zijn thema’s niet meer in functie van hoe belangrijk ze zijn. Hij wil enkel nog over thema’s schrijven die hem zelf prikkelen.“ (Heidemann, S. 24). Hij maakt van de taal zelf de held, de eigenlijke inhoud en het doel van zijn werk. (bron: Karl Kraus bestond alles uit taal, uit stemmen. Hij was van mening dat taal de directe afspiegeling was van het denken en van de houding van mensen, van hun mentaliteit: Verloedering van de taal wees op een verloedering van de mentaliteit. Via de taal richtte hij zijn spot op de domheid die tot uitdrukking kwam in uitspraken en geschriften van zijn tijdgenoten.

Kraus schreef satiren, kanttekeningen, aforismen, spotschriften (epigrammen), gedichten en toneelstukken (bijvoorbeeld 'Die letzten Tage der Menschheit', 1919). Hij hield zich ook bezig met bewerkingen van Offenbach en Shakespeare.

Levensloop
Kraus stamt uit een joodse fabrikanten-familie. Hij was het negende kind van de koopman en papierfabrikant Jacob Kraus en Ernestine Kantor. Hij werd geboren in een kleine Boheemse provinciestad.

In 1877 verhuist de familie naar Wenen.

Door talrijke bezoeken aan het oude Burgtheater leert hij toneeltalenten als Zerline Gabillon, Josef Lewinsky, Adolf von Sonnenthal en Charlotte Wolter kennen.

In 1892 verschijnt zijn eerste publicatie in de Wiener Literatur-Zeitung. De bespreking van Gerhart Hauptmanns toneelstuk Die Weber was de eerste in een hele reeks recencies voor kranten en tijdschriften zoals Die Gesellschaft, Das Rendez-vous, Monatsblätter, Neue litterarische Blätter, Der Zuschauer, Berliner Neueste Nachrichten, Neue Freie Presse, Die Zeit, Der Gesellschafter, Wiener Rundschau, Breslauer Zeitung, März en Simplicissimus.

In hetzelfde jaar (1892) begint Kraus rechten, later Filosofie en germanistiek, Duitse taal- en letterkunde, te studeren en legt hij contact met Hugo von Hofmannsthal, Richard von Schaukal, Arthur Schnitzler, Richard Beer-Hofmann, Felix Dörmann, Felix Salten en Fritz Schik. In 1894 wordt hij bevriend met Peter Altenberg.

In 1896 verlaat hij de universiteit echter zonder diploma. Kraus gaat werken als acteur en stage director bij de “Jung Wien” theatergroep.

In 1897 verlaat hij de groep alweer en schrijft hij de scherpe satire “Die demolirte Literatur”, waarin hij op scherpe wijze afrekent met Hermann Bahr en de groep van dichters „Jung Wien“ die zich rond hem verzamelt in café Griensteidl. Hij verwijt deze groep maniërisme, gekunsteldheid, en vals pathos.

De krant Breslauer Zeitung neemt Kraus in dienst als correspondent in Wenen.

Als protest tegen het Zionisme, verzette hij zich tegen zijn joodse opvoeding. In 1898 schrijft hij “Eine Krone für Zion” (Een kroon voor Zion), een scherpe kritiek op het werk van Zionist Theodor Herzl waarin Kraus zich een voorstander van joodse assimilatie toont. Op 1 april 1899 verlaat hij de joodse gemeenschap en zweert zijn religie af. In 1911 bekeert hij zich tot het katholicisme, waarvan hij zich in 1923 weer afwendt vanwege hun opstelling ten aanzien van de oorlog. Hij zou tot zijn dood niet-confessioneel blijven.

Die Fackel (De Fakkel)
In 1899 richtte Kraus 'Die Fackel' op, een literair-politiek tijdschrift wat driemaal per maand, vanaf 1911 verscheen.
In april 1899 verschijnt het eerste nummer van het tijdschrift Die Fackel, waaraan tot 1911 ondermeer volgende auteurs meewerken: Peter Altenberg, Oscar Wilde, Adolf Loos, Houston Stewart Chamberlain, Richard Dehmel, Egon Friedell, Jakob van Hoddis, Ludwig von Janikowski, Heinrich Lammasch, Else Lasker-Schüler, Wilhelm Liebknecht, Detlev von Liliencron, Heinrich Mann, Arnold Schönberg, August Strindberg, Frank Wedekind, Georg Trakl en Franz Werfel.
Vanaf november 1911 schrijft Kraus alle bijdrages zelf, samen meer dan 22.500 pagina’s. Het laatste nummer van het tijdschrift verschijnt in februari 1936.
In Die Fackel klaagt de schrijver de leugenachtigheid van de burgerlijke maatschappij en van de kranten aan. Die Fackel richt zich onder andere tegen hypocrisie, corruptie (met name die van het Habsburgse Rijk), het groeiende nationalisme van de pan-Germaanse beweging, het liberaal economische beleid en de opkomende stroming van de psychoanalyse. Via zijn krant levert hij kritiek op vooraanstaande personen. In het bijzonder ging hij tekeer tegen het genre van de feuilletons, waarin schrijvers de gegevens opfleurden met fantastische beeldbeschrijvingen en de emotionele toon belangrijker was dan de onderwerpen.

Tussen 1910 en 1936 houdt Karl Kraus 700 lezingen in Wenen, Berlijn, Parijs (o.a. aan de Sorbonne) en andere steden uit zijn eigen werk, maar ook uit Goethe, Shakespeare, Offenbach, Bertold Brecht, Raimund, Gogol, Hauptmann, Wedekind, etc. In gelijkelijk geprezen als gevreesde lezingen richtte Kraus zich tot het Weense en Berlijnse publiek wat hij geselde met grappen, spot en vernietigende polemiek over politieke en culturele misstanden.

Vanaf maart 1910 gaf Herwarth Walden (1878-1941) samen met Alfred Döblin en met financiële steun van Karl Kraus (1874-1936) het kunsttijdschrift 'Der Sturm' uit. Naast het kunsttijdschrift verschenen nog vele andere uitgaven, zoals drama, kunstmappen, kunstkaarten, monografieën en kunstbeschouwingen, bij de uitgeverij Der Sturm. Met deze uitgaven was Walden de voorvechter van het expressionisme, futurisme en kubisme in Duitsland. - 1912 heeft Kraus contacten met de "Brenner-Kreis" rond Ludwig von Ficker. In hetzelfde jaar sluit hij vriendschap met de uitgever Kurt Wolff uit Leipzig.

Vanaf 1913 heeft Kraus een relatie met Barones Sidonie Nádherný von Borutin. Hij trouwt echter niet.

Als WO I uitbreekt, is Kraus een van de weinige auteurs die zich niet door het hoerapatriottisme en het algemene oorlogsenthousiasme laat aansteken. Door Kraus’ houding en zijn kritische, pacifistische werken wordt Die Fackel door censoren regelmatig onderdrukt tijdens de oorlog.

Die letzten Tage der Menschheit: Tragëdie in fünf Akten mit Vorspiel und Epilog (De laatste dagen der Mensheid)
Zijn afkeer voor de oorlog resulteert in het toegankelijke toneelstuk Die letzten Tage der Menschheit waar hij van 1915 tot 1919 aan werkt. Een toneelstuk waarvan de uiteindelijke versie in 1922 ca. 800 pagina’s telt.
Een half jaar na het uitbreken van de oorlog begon hij met schrijven aan het grootste toneelstuk ter wereld, waarin honderden figuren, of beter gezegd 'stemmen', dat per bedrijf een jaar van de oorlog beslaat (met een marionettenspel als proloog en een apocalyptische epiloog op rijm). En zonder een andere ontwikkeling dan de groeiende berg lijken en de toenemende gruwel.
Het bevat onder andere citaten uit teksten van grote schrijvers als Shakespeare en Goethe en uit de Bijbel, historische figuren zoals Duitse keizers zowel als fictionele figuren, en alle mogelijke theatervormen. Kraus gebruikt vooral de taal om zijn dodelijke satire vorm te geven. Met een enorme hoeveelheid dialecten, samenvoegingen (zoals een 'protest-uee' ipv prostituee) en literaire of journalistieke parodieën. In een scène laat hij een Duitser en een Oostenrijker discussiëren over de term 'opperbommenwerper', in een andere laat hij een groepje jongeren de straat zuiveren van buitenlands taalgebruik, waarna zij afscheid van elkaar nemen - met termen uit het Frans, Italiaans, Engels of Latijn.

Na het eind van de Eerste Wereldoorlog gaat Kraus steeds meer teksten met een politieke boodschap schrijven. Zo toont hij zich een tegenstander van het opkomende fascisme, en ziet hierin de uiteindelijke ondergang van de beschaafde mensheid. Hij schrijft ook over de opkomst van de nazi’s in Duitsland en Oostenrijk.

In 1933 wordt bij Kraus een hartkwaal vastgesteld. Deze ziekte weerhoudt hem er niet van in vele lezingen en artikels te waarschuwen voor de dreigende ontmenselijking door het nationaal-socialisme. Als Hitler in 1933 bondskanselier wordt in Duitsland schrijft hij een kritische satire over het toekomstige bewind van Hitler die begint met de veelzeggende zin “Mir fällt zu Hitler nichts ein” (Bij Hitler schiet mij niets te binnen).

Op 12 juni 1936 overlijdt hij aan een hart- en hersenverlamming. Hij wordt begraven op het Wiener Zentralfriedhof.

In 1947 wordt in Wenen het Karl-Kraus-genootschap gesticht.

Men verwijt Kraus tegenwoordig steeds weer, dat hij personen en politieke situaties onjuist inschatte.

Bronnen:
. www.ned.univie.ac.at
. www.barreland.nl/documenten/ckv
. www.aloco.nl
. boeken.vpro.nl
. marcdecoster.blogspot.com/journaille.html
. www.kubisme.info


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 3280.

Tweets by kunstbus