kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Latijns-Amerikaanse-Literatuur

De Europese conquistadores die meer dan vijfhonderd jaar geleden voet aan land zetten in Amerika, waren niet bepaald de culturele elite van hun tijd. Het waren avonturiers en bandieten, eerder gedreven door hebzucht dan door roem of eer. Ze kwamen met een zwaard in de ene hand en een kruis in de andere en waren vooral op zoek naar goud. De meesten waren analfabeet. Ze kwamen uit een naargeestig rijk, waar de inquisitie elke vorm van verbeelding onderdrukte. Maar zodra ze de kust van Spanje achter zich lieten en op de sterren naar het westen voeren, reikte de horizon tot onvoorstelbare verten en waren de stenen stadjes van Spanje algauw vergeten. Die reizigers hadden de wonderen die ze vonden nooit kunnen voorzien: een fabelachtig land met naakte vrouwen in de kleur van honing en vogels met veren als juwelen.

Een eeuw nadat Christoffel Columbus in San Salvador aan land was gegaan, waren er in Amerika miljoenen mensen omgekomen, uitgemoord door de conquistadores, besmet met onbekende ziekten, uitgehongerd en afgebeuld als slaven in de goud- en zilvermijnen, of ze hadden zelfmoord gepleegd en ook hun kinderen gedood om die te behoeden voor een leven van ellende. Dat was het begin van vijfhonderd jaar raciaal en sociaal geweld in een werelddeel dat voorbestemd was tot een tragisch lot.

Voor de Spaanse kolonisten was het noodzakelijk de mensen onderworpen, geïsoleerd en in een toestand van onwetendheid te houden, om hun zo de baas te blijven. Moderne dictaturen in Latijns-Amerika hebben eenzelfde beleid gevoerd. Vicente Gómez, een tiran die veertig jaar heeft geregeerd in Venezuela, vervolgde onderwijzers en sloot jarenlang de universiteit. Duvalier in Haïti, Trujillo in de Dominicaanse Republiek, Somoza in Nicaragua, Pinochet in Chili, de militaire junta's in Argentinië, Uruguay, El Salvador en zoveel andere potsierlijke dictators, sloten hun grenzen en behandelden de zogeheten 'intellectuelen' als verraders.

De Spaanse inquisitie achtte literatuur heel gevaarlijk. Meer dan tweehonderd jaar lang waren er in de Spaanse koloniën maar weinig boeken toegestaan. In het gunstigste geval lazen mensen alleen godsdienstige boeken. Waarom zou een christen ook een roman lezen? Literatuur kon opwekken tot ketterij, opstandigheid, nieuwsgierigheid of - God verhoede het! - het kon de vleselijke duivels in beroering brengen in een tijd dat echtparen elkaar nooit naakt zagen en ze de liefde bedreven door een strategisch geplaatst gat in het nachthemd van de vrouw, geborduurd in de vorm van het Kruis. (Zoiets pornografisch kon alleen de Kerk verzinnen!)

De schrijvers van de eerste Indische kronieken ervoeren in de zestiende eeuw tot hun teleurstelling dat de woordenschat om te beschrijven wat zij in Amerika zagen ontoereikend was. Ze verdwaalden in die overweldigende geografie van pratende vogels, wervelstormen die het landschap op zijn kop zetten, blauwe bergen waar de lucht zo ijl was dat je bij zonsopgang de engelen kon zien. Hun verbeelding sloeg op hol en ze schreven naar huis over steden van zuiver goud waar kinderen met diamanten speelden, en over mannen met maar één oog midden in hun voorhoofd en één voet zo groot dat ze die bij de siësta ter beschutting boven hun hoofd hielden. Het magisch realisme was van begin af aan in onze literatuur aanwezig.

Na de onafhankelijkheidsoorlogen van de achttiende eeuw was er een culturele explosie van beeldende kunstenaars en schrijvers. Maar op een enkele uitzondering na imiteerden de schrijvers de toon van Europese schrijvers, ook al kwamen ze net als hun voorgangers woorden te kort omdat de wonderen van Amerika niet te vatten waren in de talen van de oude wereld. Ze moesten de Spaanse en Portugese taal verrijken om een wereld te beschrijven

waarin een tiran een paleis bouwt met cement en het bloed van gecastreerde stieren, of waar avonturiers in het oerwoud van radeloosheid sterven met een zak smaragden op hun rug.

In het begin van de twintigste eeuw kwamen enkele grote schrijvers op, Nobelprijswinnaars zelfs.

Felipe Alfau werd in 1902 geboren in het Spaanse Guernica en emigreerde tijdens de eerste wereldoorlog naar New York. Het manuscript 'Locos' voltooide hij in 1928, maar het duurde tot 1936 voor een uitgever het liet drukken in een oplage van 2000 exemplaren. Slechts een klein aantal critici kon Alfau's experimentele, op het magisch-realisme vooruitlopende manier van schrijven, waarderen. Zijn tweede boek werd zelfs helemaal niet uitgegeven en gefrustreerd staakte hij zijn literaire bezigheden.

In 1929 treffen drie jonge Midden-Amerikaanse schrijvers elkaar in Parijs. Het zijn de Cubaan Alejo Carpentier, de Guatemalteek Miguel Angel Asturias en de vorig jaar overleden Venezolaan Arturo Uslar Pietri. Ze zijn op zoek naar nieuwe literaire vormen die uitdrukking kunnen geven aan de specifieke werkelijkheid van Latijns Amerika, maar ondergaan tegelijk de invloed van het op dat ogenblik alomtegenwoordige surrealisme. Uit die kruisbestuiving wordt het magisch-realisme geboren, dat vanaf de jaren zestig stormenderhand de wereld zal veroveren en sindsdien bijna synoniem is geworden met de Latijns-Amerikaanse literatuur.

Alejo Carpentier merkte op dat kunstenaars en intellectuelen met behulp van onverwachte combinaties een surrealistisch effect teweegbrachten. Zo konden bijvoorbeeld een ezel en een witte piano een surrealistisch schilderij worden. Alejo Carpentier besefte dat je zulke combinaties in zijn land, Cuba, niet hoefde te maken, omdat die ezel en die witte piano zich heel goed in dezelfde kamer konden bevinden. De kunst was niet om die surrealistische gebeurtenis te verzinnen, maar om haar adequaat en overtuigend te beschrijven. Schrijvers moesten volgens hem een oorspronkelijke manier vinden om de magische werkelijkheid van Latijns-Amerika te vertellen.

Alledrie de schrijvers publiceren in het begin van de jaren dertig een boek dat tot de eerste voorbeelden daarvan gerekend wordt. Carpentier beschrijft de typisch Cubaanse mengeling van Spaanse en zwarte cultuur in Ecue-Yamba-ó (1933), Asturias bundelt in 1930 zijn verhalen in De legenden van Guatemala en datzelfde jaar schrijft Uslar zijn historische roman Rode lansen, waarin hij de onafhankelijkheidsoorlog van Venezuela tegen de Spaanse koloniale macht (1811-1821) beschrijft. In datzelfde jaar wordt de honderdste sterfdag van Simon Bolívar herdacht, wiens persoon in dit boek voortdurend op de achtergrond aanwezig is.

Bij het magisch-realisme ervan moet men zich niet de sprookjesachtigheid voorstellen die schrijvers als Gabriel Garcia Marquez, Jorge Luis Borges, Mario Vargas Llosa, Carlos Fuentes en Isabel Allende een generatie later aan hun boeken wist mee te geven, ook al was het de Venezolaanse schrijver Arturo Uslar Pietri (Caracas, 1906-2000) zelf die die term na de Tweede Wereldoorlog in 1948 in circulatie bracht om de Latijns-Amerikaanse-literatuur te beschrijven.

Het 'hoogtij van de Latijns-Amerikaanse literatuur' was een koor van verschillende maar harmonische stemmen, allemaal van mannen. Inmiddels lijkt dat hoogtij voorbij, al is een aantal van de grondleggers nog in leven en verschijnen er ook nog boeken van hen. De nieuwe golf van jonge Latijns-Amerikaanse schrijvers - geen van allen zo beroemd als de oudere generatie - verafschuwt het magisch realisme en vermijdt politieke thema's. Zij worden beïnvloed door films, techniek en mondialisering, en ook door een cultuur van harde muziek en drugs.

zie ook:
Lezing-Isabel Allende-over-Magisch-Realisme


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 376.

Tweets by kunstbus