kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Literatuurgeschiedenis-Dichtkunst

Beknopte Literatuurgeschiedenis Poëzie

Klassieke poëzie
De Griekse literatuur van ca 450 tot ca 350 vC en de Romeinse literatuur van ca 60 vC tot ca 15 nC Hele generaties dichters (o.a. tijdens de renaissance en het classicisme) lieten en laten zich inspireren door die antieke literatuur, die aldus een basis voor de Westerse poëzie vormt. Auteurs o.a. Homerus, Vergilius, Tacitus, Catullus, Sappho, Kavatis.

Middeleeuwen
Periode in de literatuurgeschiedenis tussen ca 1170 en 1450. In de middeleeuwse literatuur spelen o.a. een belangrijke rol: de kerk en godsdienst, symboliek en allegorie, standenmaatschappij, gemeenschapsgevoel en stichting en lering. Vele teksten werden mondeling doorgegeven en de weinige middeleeuwse teksten die bewaard zijn gebleven, zijn allemaal afschriften van de oorspronkelijke versies. Titels o.a. Van den vos Reynaerde, Mariken van Nieumeghen, Abele Spelen.

Rederijkers
De rederijkers, tussen 1450 en 1570 overgangsfiguren tussen middeleeuwen en renaissance, waren verenigd in gezelschappen, de rederijkerskamers, en beschouwden hun kunst als een gave van de Heilige Geest. Voor hun sterk didactisch-moraliserend werk bedachten of gebruikten ze verschillende dichtvormen, zoals refrein, rondeel en epigram. Technische vaardigheid en virtuositeit waren voor hen belangrijker dan inhoud en inspiratie Auteurs, o.a. Anthonis de Roovere, Bredero.

Renaissance
Periode tussen ca 1570 en 1670. De belangrijkste literaire kenmerken zijn bestudering en navolging van schrijvers uit de klassieke oudheid, bewondering voor het 'genie' van de dichter, aandacht voor de volkstaal en taalpurisme, aan strakke regels gebonden versvormen (bv. sonnetten) en gebruik van klassieke, mythologische, bijbelse en historische stof. Auteurs o.a. P.C. Hooft, J. van den Vondel, Shakespeare, Petrarca, Dante.

Humanisme
De literatuur van de humanisten, die hun bloeitijd kenden in de 16e eeuw, wordt Neolatijnse literatuur genoemd. Ze is naar vorm en inhoud een imitatie van klassieke voorbeelden en sterk internationaal georiënteerd. Auteurs o.a. Erasmus.

17e eeuw
De 'Gouden Eeuw' in de Noordelijke Nederlanden. De eerste helft van deze eeuw is de periode van de tweede fase van de renaissance. Na het midden van de eeuw werd de invloed van nevenstromen van de renaissance steeds sterker, zoals van het maniërisme en van de barok, welke stroming zich in de Zuidelijke Nederlanden duidelijker en op veel meer terreinen van de kunst manifesteerde dan in het noorden. Auteurs o.a. C. Huygens, Joost van den Vondel.

18e eeuw
Orde en regel, stilering en intellectualisme, en een vaak tot in de indeling der dichtbundels streng doorgevoerde schikking der genres, bepaalde zowel de epische als de lyrische dichtkunst tijdens de 18e eeuw, de eeuw van Classicisme en Verlichting. Naast de bijzonder vele epische dichtwerken verschenen er diverse literair-theoretische werken in wat wel eens 'de eeuw van de esthetica's' is genoemd. Auteurs o.a. J.A. van der Goes.

Romantiek
In het laatste kwart van de 18e eeuw liep de verlichting over in het sensualisme, de eerste fase van de romantiek. Gevoel en verbeelding werden de belangrijkste inspiratiebronnen van de kunst. In de poëzie van Bellamy en Rhijnvis Feith (1753-1824) waren vriendschap, liefde en dood de centrale thema's.

Kenmerkend voor de romantiek zijn hyper-individualisme en subjectivisme, overheersing van verbeelding, 'lijden aan de wereld', liefde voor de ongerepte natuur, religieuze verdieping, belangstelling voor het vreemde en het fantastische en een sterke vrijheidsdrang. Door de belangstelling voor een persoonlijk geloof ging men de dichter zien als middelaar tussen God en de mens. Zo ontstond er rond de buitengewoon veelzijdige jurist en schrijver Willem Bilderdijk (1756-1831) en zijn leerling Isaac da Costa (1798-1860) de religieus-maatschappelijke Réveil-beweging als reactie op de zelfvoldane tijdgeest. De natuur was symbool voor het oorspronkelijke en onbedorvene, o.a. in het werk van A.C.W. Staring (1767-1840), die zijn liefde voor de natuur in verstandelijke poëzie uitbeeldde. Auteurs o.a. Multatuli, H. Conscience, de gezusters Loveling.

Beweging van Tachtig
Omstreeks 1880 vormde zich in Amsterdam een groep jongeren, die ontevreden was over het toenmalige literaire klimaat. Zij walgden van het gerijmel van de burgerlijke domineedichters waarin godsdienst en huiselijkheid als idealen werden bezongen, en besloten een eigen tijdschrift op te richten. De Nieuwe Gids werd als naam gekozen, om aan te geven dat het oude tijdschrift De Gids voor hen had afgedaan. Op 1 oktober 1885 verscheen het eerste nummer. Frederik van Eeden, Frank van der Goes, Willem Kloos, Willem Paap, (Karel van de Woestijne) en Albert Verwey vormden de redactie. Van de groep rondom De Nieuwe Gids, die bekend staat als de Tachtigers, is met name Willem Kloos (1859-1938) de woordvoerder geweest. Kloos vond, in tegenstelling tot de domineedichters, de boodschap van een literair werk niet belangrijk. Voor hem gold 'l'art pour l'art', kunst omwille van de kunst. Kloos liet zich inspireren door romantische Engelse dichters als Shelley en Keats. In Jacques Perk (1859-1881) zag hij een voorloper. Het lyrische epos Mei (1889) van Herman Gorter (1864-1927) geldt als het hoogtepunt van de Tachtiger-poëzie.

Symbolisme of de Negentigers
Na het rumoer van de Beweging van Tachtig trad in de jaren negentig van de vorige eeuw bij een aantal schrijvers, onder wie diverse Nieuwe Gidsers, een duidelijke bezinning en vergeestelijking op. In hun werk kwam de Idee, de Ziel, het Transcendente op de voorgrond. Deze stroming wordt symbolisme genoemd en is afkomstig uit Frankrijk, met beroemde dichters als Mallarmé en Verlaine. J.H. Leopold (1865-1925) wordt gezien als de meest typische symbolistische dichter in onze literatuur. Deze als leraar werkzame classicus schreef uiterst subtiele en suggestieve poëzie. Daarin is aanvankelijk dikwijls sprake van een pijnlijk ervaren tegenstelling tussen het ik en de ander of de wereld. Later publiceerde hij meer bespiegelende poëzie, zoals Cheops (1916). Leopold vertaalde ook wijsgerige en klassieke teksten. Zijn virtuoze vertalingen van de filosofische kwatrijnen van de oud-Perzische dichter Omar Khayyam worden veel geprezen. In het literaire werk van de dichters P.C. Boutens (1870-1943) en J.A. dèr Mouw (1863-1919) treffen we eveneens een mystiek-wijsgerig levensgevoel aan. Boutens werd vooral beïnvloed door Plato en de bijbel, terwijl voor Dèr Mouws ontwikkeling de Indiase mystiek van beslissende betekenis is geweest. Naast overeenkomsten zijn in het werk van deze drie dichters grote verschillen aan te wijzen. Het plechtige taalgebruik van Boutens contrasteert bijvoorbeeld sterk met de alledaagse taal die Dèr Mouw gebruikte. Ook de wijze waarop hun werk werd ontvangen, loopt zeer uiteen. Boutens was tijdens zijn leven een gevierd en gezaghebbend dichter. De grote waardering voor Leopolds poëzie ontstond daarentegen pas na zijn dood en ook de literaire reputatie van Dèr Mouw kwam, doordat hij laat debuteerde, postuum tot stand.

generatie van 1910
Evenals in het proza vond ook in de poëzie vanaf 1910 een ommekeer plaats. Enkele dichters die vooral in het tijdschrift De Beweging publiceerden, keerden zich af van de poëtica van Tachtig. Deze groep, die wel 'de generatie van 1910' wordt genoemd, vond de poëzie van de Tachtigers te gekunsteld, zowel hun ideeën als hun weelderige versvormen. Het najagen van steeds maar nieuwe beelden was niet langer het streven. Poëzie mocht weer sober zijn, beelden weer klassiek. Er kwam een grotere nadruk op dichterlijke techniek te liggen. Van deze nieuwe generatie zijn J.C. Bloem (1887-1966) en A. Roland Holst (1888-1976) de belangrijkste vertegenwoordigers, hoewel zij zeer verschillende dichters zijn. Roland Holst, van wie in 1911 de eerste bundel Verzen verscheen, wordt vanwege zijn hang naar paradijselijke gelukzaligheid - ook wel elysisch verlangen genoemd - gerekend tot de laat-symbolisten. Bij Bloem ontbrak elk geloof in een hiernamaals. Hij aanvaardde de onmacht van de mens en het leven. Zijn levenshouding leidde tot berusting, maar inspireerde ook een verlangen: 'Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht, 't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen. Wat geeft het? - In de koude voorjaarsnacht Zingen de onsterfelijke nachtegalen.' De titels van zijn bundels zijn typerend voor de sfeer van zijn poëzie: Het verlangen (1921), De nederlaag (1937) en Quiet though sad (1947).

expressionisme
Kenmerkend voor het literaire expressionisme (begin 20e eeuw) zijn streven naar wereldverbetering, gerichtheid op aarde en kosmos, wantrouwen tegen de werkelijkheid, felle levens- en uitingsdrang, politiek engagement, directe taal, vrije verzen, typografische experimenten, montagetechniek en een vaak groteske, absurdistische inhoud.
Het expressionisme brak in de Nederlandse literatuur pas in 1917 door, met de bundel De boog van Herman van den Bergh (1897-1967). In 1919 werd Van den Bergh redacteur van het toonaangevende tijdschrift Het Getij. Maandschrift voor jongeren, waarin ook J. Slauerhoff en Theo van Doesburg publiceerden. Naast gedichten publiceerde Van den Bergh boekbesprekingen. Vooral zijn studies 'Over den stand onzer poëzie' in De Vrije Bladen, dat in 1924 Het Getij opvolgde, waren van grote invloed op zijn generatiegenoten. Onder hen bevond zich H. Marsman (1899-1940), die in 1923 op eigen kosten Verzen publiceerde, een bundel die legendarisch werd als 'het rode boekje'. Een andere vertegenwoordiger van het expressionisme was Hendrik de Vries (1896-1989). Zijn dichtbundel De nacht, waarin het bekende gedicht 'Mijn broer', verscheen in 1920. De Vries baseerde zijn poëzie vooral op droomvoorstellingen, sprookjes en oude volksverhalen. In later jaren vond hij in Spanje een belangrijke inspiratiebron. Hij vertaalde en bewerkte een groot aantal Spaanse volksliederen, 'coplas' genaamd, die onder gelijknamige titel werden gebundeld. Auteurs zijn ook o.a.r Paul van Ostaijen (bv. het sienjaal) en Marnix Gijsen.

M. Nijhoff en J. Slauerhoff
Het werk van M. Nijhoff en J. Slauerhoff laat zich niet gemakkelijk onderbrengen bij een specifieke groep. Hun poëzie vertoont enerzijds modernistische trekjes, maar bevat aan de andere kant ook allerlei klassieke kenmerken.

De poëzie van M. Nijhoff (1894-1953) wordt wel ongrijpbaar genoemd. In zijn debuut De wandelaar (1916) en in Vormen (1924) vertolkte Nijhoff een 'modern' levensgevoel in traditionele versvormen. In zijn bundel Nieuwe gedichten (1934) maakte hij gebruik van de meer alledaagse spreektaal in zijn verzen. Naast veel christelijke elementen zijn veel voorkomende thema's in zijn werk de moeder, het kind en de soldaat. Nijhoff is ook zeer belangrijk geweest als vertaler van drama en lyriek (o.a. William Shakespeare en T.S. Eliot).

J. Slauerhoff (1898-1936) staat te boek als een 'poète maudit': de gedoemde dichter die zich nergens thuisvoelt en zichzelf verliest in drank, vrouwen en een zwervend bestaan. 'Alleen in mijn gedichten kan ik wonen' is een typerende dichtregel voor het rusteloze leven van deze scheepsarts. Slauerhoff bevoer bijna alle wereldzeeën en raakte, ook in zijn proza, zeer geïnspireerd door het Verre Oosten. Vanaf zijn eerste bundel Archipel (1923) tot zijn laatste, Een eerlijk zeemansgraf (1936), schreef Slauerhoff in traditionele versvormen, maar op een vrije en weerbarstige manier. Terugkerende thema's zijn de zee, de vrouw, (heimwee naar) het verleden en het verlangen dat nooit bevredigd kan worden.

Dadaïsme
Dada is een Begin 20e-eeuwse artistieke beweging waarin het begrip antikunst en het principe van het toeval centraal staan. Kenmerkend zijn afkeer van traditie en wetten en regels, nihilisme en anarchisme, collage- en montagetechniek, het ontbreken van logische verbanden, typografische experimenten, klankgedichten en simultaangedichten en gebruik van 'ready mades'. Auteurs o.a. T. van Doesburg, Tristan Tzara.

De Stijl, Theo van Doesburg, Antony Kok en F. Bordewijk
'Het moderne levensrythme laat geen lange verhalen meer toe', stelde Theo van Doesburg (1883-1931) in 1918. Hij wou af van de langdradigheid en sentimentaliteit om zo de dynamiek van de moderne tijd uit te kunnen drukken. Literatuur moest kort en bondig zijn en zich niet langer verliezen in oeverloze uitweidingen en beschrijvingen. Zelf ging schilder, architect en literator Van Doesburg een stap verder. Met zijn werk wilde hij niet langer de werkelijkheid beschrijven noch zijn diepste gevoelens tot uitdrukking brengen. Kunst moest op zichzelf staan om zo door te dringen tot de essentie van het leven. Daarom moest zijn literaire werk, net als de beeldende kunst, tot een absolute abstractie worden. Onder het pseudoniem I.K. Bonset - waar 'ik ben zot' in gelezen kan worden - schreef hij gedichten waarin de taal zoveel mogelijk werd ontdaan van betekenis. Zijn poëzie was in de eerste plaats een samenspel van beeld, klank en ritme. Hij gebruikte voor zijn dichtkunst de term 'nieuwe woord- beeldingen'. Van Doesburg publiceerde zijn literaire werk en opvattingen daarover in het internationaal georiënteerde kunstblad De Stijl, waarvan hij zelf oprichter en enig redacteur was. Ook van medeoprichter Antony Kok (1882-1969) verschenen in dit tijdschrift enkele abstracte verzen, die hun effect louter danken aan woordbeeld en klank. Minder radicaal, maar met dezelfde moderne bondigheid is het werk dat F. Bordewijk (1884-1965) begin jaren dertig schreef, zoals Blokken (1931) en Bint (1934). Ook hij zette zich af tegen het conventionele en sentimentele proza en koos voor een zakelijke stijl. Hoewel zijn latere werk, zoals Karakter (1938), minder kort en strak is, bleef de voor Bordewijk typerende stijl, waarin het zakelijke met het fantastische is gecombineerd, in al zijn verhalen en romans aanwezig.

Dertigers
Algehele ontnuchtering, zakelijkheid die zich beperkt tot het verschijnsel zonder meer en vooral zonder illusie, het driftig spreken wordt een afgebeten praten, soms moedeloos protesterend, soms landerig. Men wenst vooral niets te verzwijgen, en wordt daardoor eenzijdig rauw. Vermoeienis aan deze zakelijkheid slaat om tot het cryptische vers: men probeert het onbewuste te laten spreken.

Forum !
Het literaire leven in de jaren dertig vertoonde een versnipperd beeld. Elke zuil had zijn eigen tijdschrift. Het bekendste was Forum. Maandschrift voor letteren en kunst. De redacteuren Menno ter Braak (1902-1940), E. du Perron (1899-1940) en de Vlaming Maurice Roelants verwierpen de eredienst van de vorm en stelden de 'vent' voorop: 'wij verdedigen de opvatting, dat de persoonlijkheid het eerste en laatste criterium is bij de beoordeeling van den kunstenaar'. In hun blad maakte de experimentele dichtkunst van De Stijl plaats voor de poésie parlante; het proza kenmerkte zich door een nuchtere, sobere stijl. Begrippen als vitaliteit en oorspronkelijkheid hadden de Forum-mannen hoog in het vaandel staan. Hoewel Forum weinig levensjaren (1931-1935) en abonnees telde, heeft het tijdschrift een groot stempel op de Nederlandse literatuur gedrukt. Ondanks medewerking van schrijvers als J. Greshoff, H. Marsman en J. Slauerhoff blijft Forum in de eerste plaats verbonden met de namen Ter Braak en Du Perron. Dit tweetal behandelde in polemische essays verschijnselen in en rond de literatuur, ook na het verdwijnen van 'hun' tijdschrift. Pleitend voor het vrije, onafhankelijke denken, keerden zij zich tegen alle vormen van collectivisme. Met name Ter Braak bestreed fel het opkomende fascisme en nationaal-socialisme. Toen op 14 mei 1940 na een korte strijd de Duitse bezetting begon, maakte hij een einde aan zijn leven. Diezelfde dag overleed Du Perron aan een hartaanval. Een andere redacteur van Forum is S. Vestdijk (1898-1971). In de jaren dertig verruilde hij definitief zijn carrière als arts voor de literatuur. Zijn romandebuut Terug tot Ina Damman (1934) bezorgde hem bekendheid bij het grote publiek. Vestdijks veelzijdigheid en productiviteit was enorm: hij schreef, naast vele dicht- en essaybundels, niet minder dan 52 romans.

Criterium
Aan het eind van de jaren dertig, toen Europa gebukt ging onder een hevige economische crisis, politieke spanningen en een groeiende oorlogsdreiging, trad in Nederland een nieuwe generatie dichters naar voren. Deze dichters manifesteerden zich met name in de tijdschriften Werk, dat slechts één jaar (1939) verscheen, en Criterium, waarvan de verschijning door de oorlog een aantal jaren werd onderbroken. Leidsman van de Criterium-generatie was Ed. Hoornik (1910-1970). Hij streefde naar een synthese van enerzijds de romantiek van dichters als H. Marsman en A. Roland Holst en anderzijds het rationalisme van Forum. Poëzie moest volgens Hoornik realistisch zijn, maar niet zonder gevoel. Romantisch-realistisch is het label dat de Criterium-poëzie vaak opgeplakt krijgt. Als meest typische Criterium-dichter geldt M. Vasalis, ofschoon zij nooit een gedicht publiceerde in het zogenaamde Criterium I. Haar dichterlijk oeuvre omvat slechts drie bundels; Parken en woestijnen (1940) was de eerste. De toegankelijke poëzie van Vasalis beschrijft vaak alledaagse gebeurtenissen die leiden tot een plotseling, scherp levensinzicht. Haar gedichten zijn geliefd bij een groot publiek. Zeker niet minder gewaardeerd is het werk van Gerrit Achterberg (1905-1962). Achterberg wordt meestal bij de Criterium-dichters ingedeeld, maar neemt in onze literatuur eigenlijk een volstrekt unieke plaats in. Zijn intense gedichten worden gekenmerkt door een bezwerend taalgebruik en door een centraal, metafysisch thema: dikwijls tracht een ik-figuur in contact te komen met een gestorven geliefde. Maar steeds tevergeefs. Achterberg was een productief dichter; hij schreef ruim duizend gedichten.

Veertigers
Vooral een overgangsperiode. Na de oorlog, de papierschaarste en de censuur tijdens de bezetting kregen de dichters van de traditie, die de gebonden versvorm hanteerden en vanuit een gesloten wereldbeeld schreven, meer en meer kritiek te verduren. In die jaren werden ook de eerste tekenen zichtbaar van een ingrijpende vernieuwing die bekend nu bekend staat als de vijftigers.

Experimentele poëzie
De verschillen tussen traditionele en experimentele of atonale poëzie blijken het duidelijkst uit de vorm: de gangbare taal en logische begripsmatigheid van de traditionele gedichten maakt plaats voor beelden, symbolen en associaties met de taal. Buitenlandse voorbeelden waren van grote betekenis. Zie ook: Vijftigers.

Beweging van Vijftig,
In 1948 verenigde een Amsterdamse groep schilders en schrijvers zich in de Experimentele Groep. Deze zogenaamde experimentelen wezen een intellectualistische en esthetische (dicht)kunst af ('er is een lyriek die wij afschaffen'). In plaats daarvan stelden zij het spontane, het associatieve. Zij lieten zich inspireren door kunst van 'primitieve' culturen, tekeningen van kinderen en jazzmuziek. Voor het surrealisme en dada voelden zij duidelijk meer dan toonaangevende vooroorlogse schrijvers als Menno ter Braak en E. du Perron. De Experimentele Groep ging na een jaar op in de internationale Cobra (Copenhagen, Brussel, Amsterdam). De Nederlandse dichters publiceerden hun nieuwe poëzie in allerlei kleinere tijdschriften - zoals Reflex, Braak en Blurb - en vonden na enige tijd een belangrijk publicatiekanaal in het tijdschrift Podium. Omdat de meeste leden van deze groep rond 1950 debuteerden, spreekt men van de Beweging van Vijftig en de Vijftigers. Kenmerkend zijn verzet tegen verstarde literaire tradities en de bestaande orde, afkeer van rationalisme, sterk 'lichamelijke beeldspraak', het scheppen van autonome beelden, vereenzelviging met de natuur, automatismen, meerduidigheid, exploitatie van het persoonlijke onbewuste en streven naar een nieuwe taal, die ontdaan is van de gangbare betekenissen. Twaalf schrijvers worden tot deze beweging gerekend, die met name de poëzie vernieuwde. O.a. A. De Roover, R. Campert, Kouwenaar en Claus. Hans Lodeizen (1924-1950) geldt als een voorloper. Enkele Vijftigers, zoals Lucebert (1924-1994) en Jan G. Elburg (1919-1992), waren ook actief als beeldend kunstenaar. De nieuwe schilder- en dichtkunst werd door de pers aanvankelijk als infantiel geklodder en onbegrijpelijk gebrabbel weggehoond. Maar al na een paar jaar vond een kentering plaats: het werk van de Vijftigers werd bekroond met literaire prijzen en de Cobra-schilders exposeerden steeds vaker in grote musea.

Visuele/concrete poëzie
Poëzie waarin geen gevoelens of gedachten worden uitgedrukt, maar waarin de lezer met klanken of beelden van woorden/letters (akoestische en grafische structuren) geconfronteerd wordt. Wanneer er sprake is van een combinatie van tekst en grafiek, spreken we van visuele poëzie. Auteurs o.a. P. de Vree, J. Hanlo.

Zestigers
Kenmerkend zijn afkeer van schijncultuur, moraliseren en hoogdravendheid, bewust zoeken naar het onesthetische en onpoëtische, ondichterlijk taalgebruik, nadruk op toeval en herhaling, spelen met en vanuit ideeën, uitgaan van de verwondering, schrijven als proefondervindelijk proces en integratie van poëzie en dagelijks leven. Terwijl de poëzie van de Vijftigers rond 1960 meer en meer geaccepteerd raakte, manifesteerde zich een tegenbeweging. Twee nieuwe tijdschriften, Gard Sivik en Barbarber, eisten de aandacht.

Gard Sivik (Nieuw realisme)
Gard Sivik, genoemd naar een Antwerps artiestencafé, werd in 1955 opgericht door een groep jonge Vlaamse avant-gardisten. In 1957 voegden de Rotterdamse dichters Hans Sleutelaar en Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992) zich bij de redactie. Al gauw bepaalden zij, samen met Armando en Hans Verhagen, de nieuwe, neo-realistische koers van het tijdschrift. De dichters van de 'Nieuwe Poëzie' vonden de Vijftigers veel te kunstzinnig, te dichterlijk. De burgerlijke zakelijkheid die door de Vijftigers werd verworpen, werd door de nieuwe generatie juist omarmd. 'Er moet een geheel nieuwe kunst komen... een kunst die geen kunst meer is, maar een gegeven feit', schreef Armando. Geïsoleerde zinnen uit bestaande, realistische teksten zonder opsmuk werden de basis voor gedichten. Dat kon van alles zijn, flarden van gesprekken op straat en regels uit reclamefolders of krantenberichten. In 1964 verscheen de laatste aflevering van Gard Sivik. Het werd een jaar later opgevolgd door het internationale tijdschrift De Nieuwe Stijl, waarvan echter maar twee nummers zijn verschenen.

Barbarber
Vanaf 1958 was een andere groep dichters actief in Barbarber. Tijdschrift voor teksten. Ook zij zetten zich af tegen de Vijftigers en dan vooral tegen het belang dat aan literatuur werd gehecht. Meer dan bij Gard Sivik lag de nadruk op humor en taalspel. De redacteuren, G. Brands, J. Bernlef en K. Schippers, vonden ook dat in principe alles materiaal voor poëzie kon zijn. Waar het op aankwam was de keuze die de dichter uit het materiaal maakte. Het toeval speelde hierbij een grote rol. De dichters hadden een grote voorkeur voor de ready-made en het objet trouvé. Het laatste nummer van Barbarber verscheen in december 1971.

Poëzie 1965-1985
De tijd van de 'bewegingen' in de poëzie leek na de jaren zestig voorgoed voorbij. Tot het optreden van de Maximalen in 1985 manifesteerden zich geen groepen die zich programmatisch tegen hun voorgangers afzetten. Wel ontstond er een duidelijke herleving van traditionele versvormen, een voorkeur die Gerrit Komrij deelde in zijn bloemlezing De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten uit 1979. In datzelfde jaar werd de P.C. Hooft-prijs toegekend aan Ida Gerhardt (1905-1997), die bewust de klassiek-christelijke traditie gevolgd had. Onder de oudere dichters bleven er twee opvallend actief: Leo Vroman, die zijn speelse en intieme waarnemingen weet om te zetten in rijke beeldspraak, en Kees Stip, bekend geworden door zijn diergedichten vol humor die vaak op woordspelletjes berust. In Tirade verschenen gedichten waarin herkenbare gevoelens weer een rol spelen. Bij Rutger Kopland wordt de poëzie een troost voor het voorbijgaan van het leven. Judith Herzberg laat je op een verrassende manier beter kijken naar het vanzelfsprekende. In de poëzie in Raster werd vooral de relatie tussen het woord en de werkelijkheid onderzocht: bijvoorbeeld in de muzikale, zuivere lyriek van Hans Faverey (1933-1990). Van Maatstaf, waarin Neeltje Maria Min in 1966 debuteerde, was later Gerrit Komrij redacteur, die in zijn gedichten de autonomie van de kunst bepleit, maar daarbij wel de klassieke vormen in ere herstelde. Virtuoze vormbeheersing blijkt eveneens uit de verzen van Jean Pierre Rawie, die veelal over vergankelijkheid gaan. In het werk van Kees Ouwens lijkt de relatie van het ik met de buitenwereld bezworen te worden. Bij Eva Gerlach speelt de herinnering een grote rol in haar zorgvuldig opgebouwde gedichten. Steeds meer dichters treden met hun werk op voor volle zalen. Een van de meest veelzijdige performers is J.A. Deelder, 'neonrealist, neonromantic en neonkomiek', bij wie de poëzie op straat ligt, taal en muziek (jazz) een vorm van leven zijn.

Nieuwe romantiek
Kenmerkend zijn motieven als fascinatie voor het absolute, ontkenning van de werkelijkheid, weemoed, dood, liefde, de bedreiging van een wereld die weinig ruimte laat voor een intense gevoelsbeleving, de troost in de kunst en in de droom, verlangen naar het onbereikbare, verdriet en tederheid, het gewone taalgebruik, wachten en vrezen en de drang naar vrijheid en ongekende verten. Auteurs o.a. Luuk Gruwez, Miriam Van hee, Daniel Billiet, H. De Coninck.

Jaren 80
Deze periode wordt gekenmerkt door een nieuwe gedrevenheid om te zeggen wat er te zeggen valt, dwars tegen alle regels en vormenstructuren in. Karakteristiek voor de nieuwe dichters in de jaren 80 is hun openheid voor de wereld en het gevoel van één-zijn daarmee. Auteurs o.a. Miriam Van hee, Marleen de Crée. Daarnaast ontstond het postmodernisme, met hermetische dichters, aanhangers van nihilisme en defaitisme, die het einde van alle ideologieën en 'elk zijn eigen waarheid' vooropstelden. Auteurs o.a. S. Hertmans, E. Spinoy, B. Dewulf, Ch. Ducal, D. Van Bastelaere. Aansluitend, maar anders, horen hier ook de Maximalen en de Nieuwe Wilden bij. Auteurs o.a. T. Lanoye, K. Michel, Elly de Waard.

Jaren 90,
Nieuw is dat de poëzie nu zichtbaar beïnvloed is door de wereld van videoclips, MTV, computerkunst, films en technologie. Rond de eeuwwisseling ontstond een nu nog steeds voortdurende strijd tussen de zogenaamde autonome en niet-autonome dichters. Daar waar de autonome groep hermetisch schrijft, schrijven de niet-autonome dichters heldere, toegankelijke gedichten. Auteurs o.a. Ruben van Gogh, Miguel Declerq.

Zie bronnen http://www.poeziecentrum.be/ en http://www.letmus.nl/


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 464.