kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Louis-Ferdinand Celine

Frans schrijver, geboren 27 mei 1894 Courbevoie - overleden 1 juli 1961 Meudon.

Céline wordt tot de grootste romanschrijvers van de 20e eeuw gerekend. Zijn optreden leidde tot enorme vernieuwing in de Franse romankunst door een taalgebruik dat brak met alle gangbare regels. Céline wist gesproken taal en 'argot' (bargoens) te verwerken tot zuiver 'literaire' taal.

Louis-Ferdinand Céline, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches, werd geboren op 27 mei 1894 te Courbevoie in een familie die tot de kleine middenstand behoorde. Na de lagere school had hij het ene baantje na het andere; herhaaldelijk werd hij ontslagen. In de avonduren studeerde hij, zonder enige leiding, totdat hij in 1917 zijn middelbare-schooldiploma had bemachtigd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte hij zwaar gewond, waardoor hij voor de rest van zijn leven invalide was. Vanaf 1918 studeerde Céline medicijnen en in 1924 volgde zijn promotie, waarna hij arts werd in een Parijse armenwijk. Hij werd lid van een medische commissie van de Volkenbond. Als scheepsarts maakte hij reizen naar Afrika en Amerika; hij bezocht in 1936 Rusland.

Tijdens het werk aan zijn dissertatie had Céline zijn aanleg voor het schrijven ontdekt en vanaf 1928 werkte hij aan 'Voyage au bout de la nuit' (1932), zijn meesterwerk. In deze roman, die de lotgevallen verhaalt van de arts Barmadu, manifesteert zich Célines pessimistische levenshouding, zijn wanhoop over de absurditeit van het menselijk bestaan, dat geen andere afloop kent dan de dood en dikwijls ondragelijk is door lichamelijk lijden, zoals de schrijver als arts en als soldaat ervaren had.
Deze levensvisie uit zich ook in een permanente opstand tegen alle conformisme, die het sterkst in het oog springt in Célines taalgebruik. In 'Voyage' had Céline zijn gevoelens ten aanzien van de verschrikkingen van de hem omringende wereld in een vrij traditionele vorm gegoten. Later zou hij dit betreuren. Immers, al zijn schrijven moest er op gericht zijn om gevoelens op een adequate wijze tot uitdrukking te brengen.

1932: Voyage au bout de la nuit (Reis naar het Einde van de Nacht)
Eerste druk: Gallimard, Parijs (Frankrijk)
Uitgever: Denoël et Steele, Paris, 1932
Voyage au bout de la nuit was zowel aan Denoël & Steele als aan Gallimard aangeboden. Gallimard wilde, vooral op advies van Benjamin Crémieux (1888-1944) - literair criticus van het gezaghebbende tijdschrift Nouvelle Revue Française, waarmee de gelijknamige uitgeverij van Gaston Gallimard was verbonden -, Célines roman slechts met omwerkingen en coupures uitgeven.
De roman is meteen een groot succes en Céline ontvangt de Prix Renaudot, nadat hij de prestigieuzere Prix Goncourt is misgelopen. Mede door de rel rond het niet-behalen van de Prix Goncourt werden er in twee maanden tijd 50.000 exemplaren van Voyage au bout de la nuit verkocht.

De roman verhaalt in geromantiseerde vorm Célines wederwaardigheden vanaf het begin van de Eerste Wereldoorlog tot aan het moment van publicatie van de roman.
In dit boek beschrijft Céline de uitzichtloze tocht van Bardamu door onze absurde wereld. In de oorlog realiseert hij zich de waanzin van de collectief georganiseerde moordpartijen waarvoor de mensen enthousiast in de rij moeten gaan staan om zich te laten afslachten. In Afrika wordt hij geconfronteerd met de hebzucht en de botheid van de blanke kolonist. Maar nergens voelt hij de eenzaamheid zo sterk als in New York, de kille ´rechtopstaande´ stad van levende automaten. Eenmaal terug in Parijs staat hij als arts volkomen machteloos tegenover de achterdocht, de bekrompenheid en het misdadig egoïsme van zij patiënten. Fel, genadeloos en met een onnavolgbaar soort macabere humor klaagt Céline in dit relaas van Bardamu´s omzwervingen onze maatschappij aan, waarin altijd dezelfden het gelag moeten betalen. Even fel, genadeloos en humoristisch ontleedt hij de mens tot op het bot.
Websites: Céline over zijn jeugd. Hij bedient zich hierin van de eerste persoon, de zinnen zijn kort als in de spreektaal en het 'argot' (bargoens) is in overvloed aanwezig. Het is duidelijk dat Céline hiermee de vorm heeft gevonden die hij wenste. Hij zou deze vorm dan ook blijven gebruiken in zijn latere boeken.

Achtereenvolgens verschenen van zijn hand 'Bagatelles pour un massacre' (1937) 'l'École des cadavres' (1938) en 'Les beaux draps' (1941), drie sterk antisemitische pamfletten. Eindelijk meende Céline de oorzaak van alle ellende gevonden te hebben en op maniakale wijze trok hij tegen de joden van leer. In 1944 verliet Céline Frankrijk uit angst gearresteerd te worden na de bevrijding. Zowel in Duitsland als in Denemarken werd hij echter geïnterneerd.

In 1947 kwam hij vrij, maar pas in 1951 kon hij naar Frankrijk terugkeren, nadat hem gratie was verleend. Hij vestigde zich als arts te Meudon, waar hij op 1 juli 1961 overleed. In 1964 werd 'Le pont de Londres' gepubliceerd, een vervolg op het in 1944 verschenen 'Guignol's band'. Voorts zijn nog vermeldenswaard: 'D'un château l'autre' (1957), 'Nord' (1960) en 'Rigodon' (postuum in 1969), drie kronieken, zoals Céline ze zelf genoemd heeft. Zij bevatten het relaas van zijn ballingschap en zijn geschreven in de stijl die hij met 'Mort à crédit' had ingevoerd. Toch heeft Céline nooit meer het niveau gehaald van het laatstgenoemde werk en vooral niet van 'Voyage'.

Zijn antisemitisme en heulen met het fascisme, gevoed door zijn woede over het degenererende Frankrijk en over het kapitalisme, veranderen niets aan zijn grote verdiensten op literair gebied.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1266.