kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Maken

maken (overgankelijk werkwoord; maakte, heeft gemaakt; maker)
1 (wat kapot is) herstellen
2 tot stand brengen
3 in de genoemde toestand of positie brengen
4 (van hoeveelheden) zoveel bedragen als genoemd wordt',

onbepaalde wijs: maken
verleden tijd: maakte
voltooid deelwoord: gemaakt

tegenwoordige tijd enkelvoud:
. ik maak
. jij/je/U/gij/ge/hij/zij/het maakt

tegenwoordige tijd meervoud: wij/we/jullie/zij/ze maken

verleden tijd enkelvoud: ik/jij/je/U/gij/ge/hij/zij/het maakte
verleden tijd meervoud: wij/we/jullie/zij/ze maakten

toekomende tijd enkelvoud:
. ik zal maken
. jij/je/U zal, zult maken
. gij/ge zult maken
. hij/zij/het zal maken

toekomende tijd meervoud: wij/we/jullie/zij/ze zullen maken

onvoltooid deelwoord: makend
voltooid deelwoord: hebben gemaakt
gebiedende wijs: maak, maakt
aanvoegende wijs: make


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wiktionary.org/wiki/maken/vervoeging.

Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 52.