kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Marcellus Emants

Nederlands letterkundige, dichter en prozaschrijver (Voorburg 12.8.1848 - Baden, Zwitserland, 14.10.1923).

Tot op zekere hoogte kan Emants gezien worden als één van de eerste naturalisten in Nederland en beschouwd als voorloper van de Tachtigers al voelde hij zich nauwelijks tot de opvattingen der Tachtigers aangetrokken. Hij beschouwde zich meer als naturalist en pessimist, waarbij zijn pessimisme eerder een zaak van het verstand en niet van het gevoel was. Naturalistisch is in elk geval zijn streven naar wetenschappelijkheid en objectiviteit. Ook zijn voorkeur voor het beschrijven van pathologische figuren is een typisch naturalistische trek. Maar anders dan Zola, die elk fatalisme afwees, is Emants een pessimist die de determinerende omstandigheden voor de mens onveranderbaar acht. Wat hem van de naturalisten onderscheidt, is zijn erkenning dat de auteur weliswaar streeft naar objectiviteit, maar deze nooit ten volle kan bereiken. Bovendien heeft Emants zich doorgaans onthouden van de door Van Deyssel in het Nederlandse proza geïntroduceerde ‘écriture artiste’, de zogenaamde woordkunst van de Tachtigers, die het naturalisme in Nederland is gaan kenmerken.

Levensloop
Zoon van Guilliam Balthasar Emants, rechter, en Anna Elisabeth Petronella Verwey Mejan.

Emants bezocht eerst het gymnasium en vanaf 1865 de HBS en deed vervolgens admissie-examen.

Emants wil ingenieur worden, maar hij gaat 29-9-1868 overeenkomstig de wens van zijn vader rechten studeren in Leiden.

Hij publiceert in deze periode essays, beschouwingen en poëzie. Hij debuteerde in 1869 in het mede door hem opgerichte tijdschrift Quatuor.

Wanneer zijn vader in 1871 overlijdt, stopt Emants, vlak voor zijn doctoraalexamen, met zijn studie. Door de erfenis van zijn vader is hij financieel onafhankelijk geworden en hij besluit te gaan reizen en zich geheel aan de literatuur te wijden. Emants bereisde heel Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, Indië, China, Japan en Amerika. Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Italië bezocht hij het vaakst en het langst. Al in 1871 reisde hij naar München, het Salzkammergut, Milaan, Verona, Venetië, Tirol, Stilfser Joch en Oberammergau, waar hij de Passiespelen bijwoonde.

In 1872 is hij medeoprichter met zijn vriend F. Smit van het tijdschrift Spar en Hulst. In de eerste aflevering van het tijdschrift publiceert hij zijn belangrijke essay Bergkristal en enkele gedichten. De tweede en tevens laatste aflevering bevat zijn eerste toneelstuk Jonge harten.

Gehuwd met Christina Magdalena Guilelmina Prins op 30-1-1873, met wie hij op huwelijksreis ging naar Italië en Oostenrijk. Zij overleed op 11-1-1875.

In 1874 debuteerde hij in boekvorm met het drama Juliaan de Afvallige als begin van een opmerkelijk aspect van zijn schrijverschap, het toneel, dat hem heel zijn leven zou blijven fascineren.

In 1875 bezocht hij Zweden en Lapland, in 1876 verbleef hij drie maanden in Parijs en aansluitend in Monaco en Noord-Italië. In 1877 verbleef hij weer in Parijs, daarna in Noord-Italië, Karlsbad, Wenen en Bayreuth. In de volgende twee jaren bezocht hij Zuid-Frankrijk en Duitsland.

In 1875 richt hij De Banier op, dat het belangrijkste jongerentijdschrift werd vóór het verschijnen van De Nieuwe Gids. In dit tijdschrift publiceerde hij beschouwingen, kritieken, reisschetsen en proza, voor een deel verzameld in Op reis door Zweden (1877), Monaco (1878) en Een drietal novellen (1879).

Het epische gedicht Lilith (1879) is een Emants typerende herschrijving van de Paradijsmythe, waarin hij tot de slotsom komt dat wellust de belangrijkste drijfveer is in het menselijk handelen en tevens de oorzaak van leven en dood.

Hij huwde met Eveline Gesine Henriette Verniers van der Loeff op 10-6-1880, die overleed op 1-7-1900. Tijdens de huwelijksreis vertoefde hij o.a. in Venetië, Egypte en Nubië. In 1881 en 1882 woonde hij verschillende maanden in Parijs, Florence en Rome.

Het epische gedicht Godenschemering (1883) is gebaseerd op de Noorse mythologie zoals die is opgetekend in de Edda. In dit gedicht is Loki de representant van het verstandelijke. Loki zal uiteindelijk tot de conclusie komen dat het verstand weliswaar een positieve kracht is, maar dat de mens uiteindelijk geregeerd wordt door het instinct en dat de mens niet bereid is de waarheid onder ogen te zien.

Met Lilith (1879) en Godenschemering, opende hij naar de mening van Kloos de reeks van duurzame werken in onze moderne letterkunde, waarin hij, volgens Verwey, als eerste 'de poging waagde om de poëzie boven het tijdelijk wereldgebeuren uit te stellen in de sfeer van eeuwigheid en goddelijkheid waarin een nieuw geslacht haar wenschte' (Inleiding tot de Nieuwe Nederlandsche Dichtkunst (1880-1900) 27). Geen wonder dat de Nieuwe Gidsers hem als een voorloper beschouwden. In feite stond Emants los van hen. Hij heeft slechts weinig contact gehad met de beweging, de individuele schrijvers van de tachtiger-generatie en slechts een enkele keer in De Nieuwe Gids gepubliceerd. De 'woordkunst' heeft hij nauwelijks beoefend, omdat deze niet overeenstemde met zijn neiging tot nuchterheid, soberheid en bijna wetenschappelijke nauwkeurigheid.

In zijn voorwoord bij Een drietal novellen (1879) noemde hij zich naturalist maar, zegt hij, om zijn instemming te kunnen betuigen met de leer die Taine aan Balzac toedicht en die van oordeel is dat de mens een eenvoudige, niet-onafhankelijke kracht is, van dezelfde orde als de andere krachten, die zijn graad en richting krijgt van de omstandigheden. Hij was overtuigd pessimist en hij achtte dit geen gevoels- maar een verstandszaak.

In 1884 was hij in Noorwegen en in de daarop volgende jaren was hij weer in Parijs, in Spanje, op de Balearen en vooral in Zwitserland en Duitsland.

Emants opvattingen zijn, zoals uit zijn opstellen in Pro Domo (1889) blijkt, vooral gevormd door corrrespondentie met Taine en Toergenjew. Met de eerste correspondeerde hij en Toergenjew bezocht hij in Parijs. Aan de laatste wijdde hij, reeds in 1880, een uitvoerig en indringend essay, dat veel verheldert omtrent zijn eigen levensinzichten. Wat hem in Toergenjew zo aansprak, was diens wetenschappelijke aanpak en zijn pessimisme, zoals hij in een opstel over deze auteur schrijft.

Van november 1892 tot augustus 1893 maakte hij een wereldreis, die hem o.a. naar Bombay, Ceylon, Benares, Bengalen, Canton, Hong-Kong, Japan, de Sandwicheilanden, Honolulu, San Francisco, Chicago en New York bracht.

Van al zijn romans en novellen is het vooral de roman Een nagelaten bekentenis (1894) die nog herhaaldelijk herdrukt is. Emants beschrijft in Een nagelaten bekentenis een dégénéré, Willem Termeer, een personage dat door erfelijke factoren bepaald onafwendbaar afstevent op de uiteindelijke moord op zijn echtgenote en die zelf in de ik-vorm van dat proces verslag uitbrengt. In de overige personages van de roman toont Emants de lezer dat op het oog rechtschapen of fatsoenlijke mensen in feite hypocriet blijken te zijn. Ook in deze hypocriete bourgeoisfiguren kan een typisch naturalistisch thema worden aangewezen.

Zijn overtuiging dat het leven zinloos is, omdat men het doel ervan niet kent en zelfs niet weten kan of er een doel is, en dat het batig saldo aan leed dit aan lust overtreft. Een belangrijk thema van Emants is ook de ontoereikendheid van de liefde om aan de drang naar het absolute te voldoen. Men treft deze thema aan in zijn novellen in Dood (1892), het autobiografische Op zee (1899), de Haagse roman in twee delen Inwijding (1901) en de grote, op zijn weinig gelukkige derde huwelijk geïnspireerde roman Liefdeleven (1916). Men vindt het eveneens in verscheidene van zijn toneelstukken.

In 1901 ging hij op reis naar de Balkan en Berlijn. Twee jaar later leerde hij in Bad Ems zijn latere derde vrouw, de Berlijnse actrice Jenny Emma Gertrude Kühn, kennen. Zijn derde huwelijk werd op 5-7-1904 gesloten. Zijn eerste twee huwelijken waren kinderloos, uit het derde werd 1 dochter geboren.

In 1906 bracht hij een bezoek aan Noord-Afrika (Algiers, Tunis, Egypte). In de daaropvolgende jaren ging hij nog vaker naar Italië, Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk (in 1910 was hij in Wenen, in 1913 in Tirol).

Emants is vaak, zonder veel grond, als een vrouwenhater gekenschetst, vermoedelijk omdat zijn filosofie veel verwantschap vertoont met Schopenhauer en von Hartmann, maar dit stond los van zijn gevoelens en alleen het derde van zijn drie huwelijken, dat met de Berlijnse actrice Jenny Kühn, is weinig gelukkig geweest. Hierop heeft hij zich geïnspireerd voor de korte roman Waan (1905) en voor Liefdeleven (1916), die veel aan de werkelijkheid ontleende trekken vertonen.

Emants schreef ongeveer 25 stukken, waarvan een vrij groot aantal werd gespeeld door beroepstoneel of door het amateurgezelschap Utile et Laetum, dat door Emants in 1871 werd opgericht en waaraan hij ook als regisseur en acteur meewerkte. Hij maakte ook lange jaren deel uit van het hoofdbestuur van het Nederlandsch Tooneelverbond, waarvan hij tevens geruime tijd voorzitter was, en schreef tal van artikelen in toneeltijdschriften. Zijn bekendste stuk is Domheidsmacht (1907), dat de fatale, egoïstische geborneerdheid van een vrouw tot onderwerp heeft.

In de boek-uitgave van de roman Liefdeleven (1916) nam hij een discussie op met Carel Scharten over het probleem van de pathologie in de literatuur, waarin hij de begrenzing van het literaire domein, zoals die tot dan toe in onze letteren gold, aanzienlijk verruimde.

De Eerste Wereldoorlog dwong Emants in Nederland te blijven. Maar in februari 1920 verhuisde hij met zijn gezin naar Zwitserland. Daar werd hij op 1 mei ziek en hij bleef dat tot hij op 14 oktober 1923 overleed. Hij werd zes dagen later in 's-Gravenhage begraven.

Het typisch Hollands realisme van Emants, maar met een internationaal normbesef en gecombineerd met een lucide pessimisme, heeft een schrijverschap opgeleverd van een zeer eigenzinnig, sterk en niet sentimenteel karakter. De zekerheid der vergeefsheid was voor hem niet als voor zoveel anderen een vage en daarom niet al te hinderlijke abstractie, maar een concrete en kwellende realiteit. Zijn oeuvre is van de weerklank daarvan vervuld en wellicht is het daarom, ofschoon steeds van belang geacht, nooit populair geworden als dat van zijn jongere tijd- en stadgenoot Louis Couperus. Maar het belang ervan is niet minder, zoals een groeiende omstreeks 1960 ingezette herwaardering heeft aangetoond.

Behalve de grote romans zijn ook van veel belang de soms tot kleine romans uitgegroeide novellen gebundeld in Dood (1892), Op zee (1899), Vijftig (1899) en Mensen [1920].

Websites en bronnen: www.dbnl.org, www.inghist.nl, cf.hum.uva.nl, www.ned.univie.ac.at

Bronvermelding: Pierre H. Dubois, 'Emants, Marcellus (1848-1923)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn1/emants [14-12-2006]


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 10.