kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 29-11-2012 voor het laatst bewerkt.

Maximalen

Groep Nederlandse dichters die met hun poëzie vertegenwoordigd zijn in de bloemlezing 'Maximaal!', in 1988 samengesteld door Arthur Lava. Deze dichters -Pieter Boskma (1956), Bart Brey (1955), Koos Dalstra (1950), René Huigen (1962), Johan Joos (1957), Tom Lanoye (1958), K. Michel (ps. van Michel Kuipers, 1958), F. Starik (1958), René Stoute (1950-2000), Joost Zwagerman (1963) en Arthur Lava (1955) zelf-, die zich aanvankelijk als groep manifesteerden, streefden naar een soort poëzie waarin meer straatrumoer zou doorklinken. Ze zetten zich af tegen de verstilde, ingekeerde en autonome poëzie van veel van hun voorgangers en eisten daarentegen een poëzie van het volle en eigentijdse leven. De belangrijkste vertegenwoordigers van de maximalen zijn Joost Zwagerman, Arthur Lava en René Stoute. Arthur Rimbaud was voor de meeste Maximalen het grote voorbeeld. Trakl, Hölderlin, Pound, Whitman, Camões en Mayakovski waren goede tweeden.

Citaten
Pieter Boskma in 2002 over de Maximalen: "Waar ging het de Maximalen om, in een paar woorden? Tja. Ik denk dat Maximaal vooral een reactie was op het verstarde, ingedutte, hermetisch-academische poëzieklimaat van de jaren tachtig, dat gedomineerd werd door een hele generatie epigonen van Kouwenaar en Faverey, zoals T. van Deel en Wiel Kusters, die beiden dan ook furieus op Maximaal reageerden, wat nog leidde tot een heuse polemiek tussen Zwagerman en Kusters in de Volkskrant, die voor een belangrijk deel over mijn hoofd en werken werd uitgevochten, en royaal door Zwagerman werd gewonnen met een knock-out van Kusters, waar daarna niet veel meer van vernomen werd. Er was een grote behoefte om weer een warmbloedige poëzie te schrijven waarin het weer ging om het volledige leven zelf, in plaats van raadseltjes bakken over het stof op je tuinhek. Maximaal was voor mij vooral een pleidooi voor een lyriek uit het volle hart." - (dit citaat met nadere verklaring is ook te vinden op de onovertroffen website over poëzie: Nederlandse dichters van naam", vindt Pieter Boskma , "zitten hermetisch in hun stalen ons-kent-ons web hoog van de niet-bestaande torens te blazen".

Joost Geerts: "De laatste rebellie dateert van zo'n tien jaar geleden en komt voor rekening van de Maximalen. De heren kakelden luid, maar vergaten en passant beklijvende poëzie te produceren. Hetzelfde geldt voor de aan Generatie Nix gerelateerde performing poets, die gedurende de jaren negentig wel de podia domineerden, maar bij gebrek aan diepgang niet de polemieken."

Wiel Kusters: ‘Zij hebben in het prentenboek der Vijftigers gekeken', concludeerde Kusters na lezing van Lava's inleiding op Maximaal: ‘deze groep dichters heeft studie gemaakt van het scenario dat Lucebert en de zijnen binnen een paar jaar aan hun canonieke status hielp.'

De Maximalen zetten zich af tegen de poëzie van de jaren tachtig, de poëzie van ‘ Kouwenaar en Faverey '. In hun voetspoor, zegt Zwagerman, ‘is een heus kordon van dichters aan het werk gegaan dat zich wenst te enten op een soortgelijke werkwijze en poëtica als van Kouwenaar en Faverey, met als gevolg een overdaad aan steeds dezelfde soort poëzie waarin het 'wit', de 'leegte' en 'verdwijning' de scepter zwaaien.'

Deze dichters door de Maximalen aangeduid als ‘een zorgwekkend groot gedeelte van de dichtkunst in Nederland' of ‘ de hermetische dichters '. Zwagerman geeft in zijn Maximale pamflet ‘Het juk van het grote Niets' (1987) een hele lijst: Wiel Kusters, Peter Nijmeijer, Hans Tentije, Peter Zonderland, J. Bernlef, Kopland en Marc Reugebrink moeten het ontgelden. Ook het werk van Jan Kuijper, Frans Budé, C.O. Jellema en T. van Deel moeten het bij Zwagerman ontgelden.

Zuivere vs. onzuivere
De door Zwagerman geintroduceerde term de ‘ anecdotisten ' werd door de Maximalen niet geadopteerd. In een Revisor opstel van de literatuurhistoricus A.L. Sötemann uit 1979, ‘Twee modernistische tradities in de Europese poëzie', vindt Zwagerman echter een etiket dat meer aansluiting vindt. Tegenover de ‘ zuivere ' dichters ( Mallarmé, Valéry, maar ook Kouwenaar en Faverey ) plaatst Sötemann de ‘ onzuivere ' ( Rimbaud, Whitman, Pound, Mayakovski ). Deze laatsten worden door Sötemann beschreven in termen van afzwering van klassieke vormen, geobsedeerdheid door de stad, doordringbaarheid en het glorifiëren van energie. Zwagerman ziet daarin ‘een omschrijving die van de poëtica van de Maximalen [had] kunnen zijn'.

Hermetisme
De Maximalen verwijten hun voorgangers protectionisme. De oudere, binnen het literaire veld machtigere generatie schrijft ‘hyperkeurige poëzie', zoals Zwagerman het uitdrukt, die ‘aansluit bij al die anderen die ieder op hun beurt óók weer bezig zijn met zo'n zelfde frêle stilte'. Het hermetisme is, zoals hij het elders zegt (1988), ‘tot een heilig huisje geworden'. En de poëziekritiek, waarin volgens Lava ‘een verziekt soort inteelt' heerst, vindt het allemaal prachtig, met als gevolg dat poëzie en poëzieklimaat op de Maximalen overkomt als hermetisch gesloten. Die geslotenheid moet worden aangepakt: de deuren moeten open want niets en niemand moet van de poëzie worden uitgesloten. Anything goes, zo luidt het devies van de nieuwe generatie.

De Maximalen willen de poëzie terugbrengen naar het publiek. In de praktijk leidt dit streven naar podiumpoëzie. Solo, en sinds hun eerste gezamenlijke optreden in de Amsterdamse disco Roxy in mei 1988 ook groepsgewijs. Tirade poëziechroniqueur Tomas Lieske: ''Uit de grote anonieme groep pelgrims die onder voortdurende bescherming van Simon Vinkenoog van café naar disco naar parochiehuis trekt, is onlangs een klein groepje in het licht van de grote dagbladen gaan staan en razendsnel bekend geworden.'' Zwagerman, publiceert in 1990 in de Volkskrant een pleidooi voor poëzie als voordrachtskunst: ''Maar dan moet het wel anders dan het ‘geneuzel' en ‘gemurmel' dat de oudere dichters op het podium ten beste plegen te geven: vitaal en met Maximale overtuiging.''

populaire kunst
‘Populaire kunst = de voornaamste literaire bron', schrijft Dalstra (1984) in Maximale kunst, zijn 200 stellingen tellende oertekst van de Maximale beweging. En: ‘Fashion = de inhoud van Maximale kunst'. Ook Zwagerman prijst de Maximale poëzie aan als ‘de kunst van het grote gebaar, waarbij dan ook alles wordt geannexeerd, de hoge en de lage kunst, de liefdeslyriek en de pornografie, cocaïne en gezondheidscultus, kortom, de Tros en De Held'. ‘Wij zijn de eerste generatie dichters die ook iets met popmuziek te maken hebben', zegt Zwagerman.

De nieuwe wilden & Ieder hangt aan zijn gevallen toren
Maximaal is de meest succesvolle, maar niet de enige bloemlezing waarin eind jaren tachtig een vernieuwing van de poëzie wordt aangekondigd – een ‘vernieuwing' die neerkomt op de vraag om hernieuwde aandacht voor een reeds bestaande poëticale traditie. In 1987 verscheen de door Elly de Waard samengestelde vrouwenbloemlezing De nieuwe wilden (een jaar later gevolgd door een tweede deel), en in 1988 Ieder hangt aan zijn gevallen toren (van Rogi Wieg).

Bronnen:
• http://www.epibreren.com/rs/boskma.html

• Zie ook Een weg door het korenveld
Het Nederlandse poëziedebat sinds Maximaal
Thomas Vaessens Nederlandse letterkunde 7-4, 2002, p.343-372


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 100.

Tweets by kunstbus