kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Menno ter Braak

Menno ter Braak (1902 - 1940)

Nederlandse schrijver, essayist, journalist, geboren 26 januari 1902 te Eibergen, overleden 15 mei 1940 te Den Haag.

Pseudoniemen: A.P., Kurt Brennema, K.B., M.L., Murena, P.C.R., Thea Poortman, Priktol, Scissor, Baron zur Wüste

Levensloop
Menno ter Braak was oudste van vijf kinderen in een vrijzinnig protestants doktersgezin uit Eibergen gelegen in de Achterhoek.

Na de lagere school in zijn geboorteplaats en de ULO in Winterswijk te hebben bezocht vertrok hij in 1915 naar Tiel, nam zijn intrek bij een oom die arts was en bezocht er het gymnasium. Daar kon hij de vernederingen, die hij in zijn jeugd door een fysieke minderwaardigheid steeds onderging, compenseren door een intellectuele ontwikkeling waar zowel vroegrijpheid als een gevoelige intelligentie uit bleek.
Een andere oom, leraar Nederlands, wekte in die tijd zijn belangstelling voor het filosofisch-esthetische denken door hem in aanraking te brengen met het werk van zijn leermeester J.A. der Mouw, die zelf beïnvloed was door Oosterse filosofieën.
Privé-catechisatie door de vrijzinnig predikant en leerling van de filosoof Bolland ds. E.J. van den Brugh gegeven, maakte de jonge Ter Braak vertrouwd met Hegel en het door hem geëntameerde antithetische denken, dat dan ook het kenmerk zou blijven van zijn werk als schrijver. Later noemde hij deze predikant 'een van de inspirerendste figuren, die ik in mijn jeugd ontmoet heb' en schreef aan hem 'mijn eerste arrogantie, maar ook mijn eerste vorming' te danken te hebben. ( Eerste Wereldoorlog lijken zijn idealen niet aan te tasten. Dit wordt anders in zijn studiejaren te Amsterdam, waar hij geschiedenis en Nederlands studeerde, ingeluid met het echec van een vanwege ruw geweld vroegtijdig afgebroken ontgroening. Het verwachtingsvolle mensbeeld valt in stukken: 'ook ik heb het contact met het absolute verloeren'.

Toch toont Ter Braak in de jaren twintig een ongehoorde dadendrang. Hij wordt in februari 1924 redacteur van 'Propria Cures' tot oktober 1925. Daarin nam hij zijn aanloop als een veelzijdig en polemisch ingesteld schrijver. Die activiteit omschreef hij in zijn latere essay Politicus zonder partij als volgt: 'Ik schreef, met locaal succes in studentenkringen, over toneel, litteratuur, schilderkunst, ontwapening, socialisme, dancings, Amerika, modevraagstukken ; daarbij gerhythmeerd proza, aphorismen, op zijn tijd een gedicht.' In het studentenblad publiceerde hij onder diverse pseudoniemen.

Via zijn voorganger als redacteur Henrik Schölte, die toen al als dichter bekend was, en zijn studiegenoot, de ook dichterlijk aangelegde D.A.M. Binnendijk, kwam hij in aanraking met de kunst en een kring van kunstenaars die relaties onderhielden met het literaire tijdschrift De Vrije Bladen, waarin hij in 1925 debuteerde. Even later publiceerde hij in dit periodiek een studie over de door hem zo bewonderde Der Mouw. Hij had het toen voor het grootste deel nog onuitgegeven werk van deze mystieke dichter leren kennen door diens leerling en pleitbezorger Victor E. van Vriesland.

Intussen hield hij zich o.m. bezig met de esthetiek van de jonge filmkunst. Menno ter Braak ontmoette de jonge filmer Joris Ivens en met hem en enige andere vrienden, waaronder H. Schölte en L.J. Jordaan , richtte hij 'De Nederlandsche Filmliga' op. In een tijd waarin de film door velen als een soort kermisvermaak werd beschouwd, streefde deze liga ernaar dat ook allerlei 'experimentele' films het publiek konden bereiken. Ter Braak zorgde bij de vertoning van deze - nog stomme - films regelmatig voor begeleiding op de piano.
In 1928 pleitte hij er in zijn essay Cinema militans (Strijdbare cinema) voor dat de film als een aparte kunstvorm zou worden erkend.

Sterk beïnvloed door Oswald Spenglers Der Untergang des Abendlandes en door Carry van Bruggens erudiete essay over het individualisme in de literatuur Prometheus, promoveerde Ter Braak cum laude in 1928 op een in het Duits geschreven dissertatie over de middeleeuwse keizer Otto III, nadat hij in 1926 zijn doctoraal examen geschiedenis met Nederlands als bijvak en in Berlijn aan bronnenstudie had gedaan.
Daarna was Ter Braak enkele jaren als leraar werkzaam, laatstelijk aan het Rotterdams Lyceum. Hij is dan al een gevreesd literair criticus.

De kritische en essayistische arbeid van zijn studententijd en daarna, bundelde Ter Braak in Afscheid van domineesland (1931) en Man tegen man (1931): verhandelingen die voor een groot deel als zelfbevrijdend en standpuntbepalend gezien kunnen worden. Ter Braak rekende hierin af met opgang makende figuren en met aangelegenheden, die hij als ‘provincialistisch’ ervoer.

Dramatische levenservaringen brengen hem in 1930 echter op de rand van instorting. Hij weet zich te vermannen en vindt steun bij de schrijfster Carry van Bruggen: 'Want alle verlies is winst'. In 1930 verscheen zijn cultuurkritische werk 'het Carnaval der burgers', waarvan de titel een eerbewijs was aan Carry van Bruggen. In zijn boek liet Ter Braak zien hoe 'burger' en 'dichter' in onverzoenlijke tegenstelling tegenover elkaar staan: fantasie, vrijheid en scheppingsdrang worden maar al te vaak door onze gereglementeerde samenleving onderdrukt. Aan de andere kant blijkt steeds weer dat de maatschappij niet zonder een zekere ordening kan blijven voortbestaan.
Een ander belangrijk boek in deze periode was 'Afscheid van domineesland' (1931), waarin de ideeën van allerlei waarheidsverkondigers geestig op de korrel werden genomen.

Eind 1930 was Ter Braak bevriend geraakt met de schrijver E. du Perron, die een diepgaande invloed op hem heeft uitgeoefend. In tien jaar tijd wisselden zij meer dan twaalfhonderd brieven. (Deze zijn alle uitgegeven in zeven delen bij uitgeverij Van Oorschot). De gevoelsmens Du Perron en de kritische Ter Braak bleken elkaar goed aan te voelen. Samen trokken zij ten strijde tegen allerlei opvattingen in het politieke en literaire leven van de jaren dertig. Samen met E. Du Perron, Maurice Roelants en enkele anderen richtte hij het tijdschrift Forum (1932 - 1936) op.
Met de in dit blad gepubliceerde programmatische essays Uren met Dirk Coster van Du Perron en Démasqué der schoonheid van Ter Braak (waar Du Perron een woord vooraf bij schreef) werden de stellingen betrokken van waaruit onder de leuze "Niet de vorm maar de vent." Dit Ventisme had bewondering voor een literair werk waarin een persoonlijkheid werd uitgebeeld, een vent dus. Het gehalte van de kunstenaarspersoonlijkheid werd tot criterium voor de kwaliteit van het kunstwerk geproclameerd.
Forum werd een begrip voor een anti-esthetische en op de bewustwording van de hele persoon gerichte kunst, waarbij vooral Ter Braak het uit de Renaissance en de Verlichting bekende begrip 'honnête homme' centraal stelde. Met zijn essay 'Démasqué der schoonheid' onderneemt Ter Braak een aanval op gevestigde literaire en esthetische waarden. Ter Braak, die door zijn tegenstanders ook wel ‘Menno ter Afbraak’ werd genoemd, werd vooral door zijn bijdragen aan ‘Forum’ bekend als een voorvechter voor het vrije, onafhankelijke denken.

In 1932 gaf Ter Braak zijn leraarsbaan op en werd hij benoemd tot letterkundig redacteur van het Haagse dagblad ‘Het Vaderland'.
In hetzelfde jaar verscheen zijn roman ‘Dr. Dumay verliest...': hierin wordt een leraar beschreven, die er beter in slaagt de orde in zijn klas te handhaven dan in zijn persoonlijke leven. In dit boek heeft Ter Braak veel eigen ervaringen verwerkt.
Nog een roman zou Ter Braak publiceren naast zijn vele kritische werk: Hampton Court.

Voor 'Het Vaderland' schreef hij in de jaren hierna honderden literaire kritieken, waarin hij niet alleen zijn mening gaf over allerlei boeken, maar zich ook uitsprak over de grote problemen van zijn tijd. Dat hij er daarbij niet voor terugschrok om ook zichzelf en zijn eigen motieven scherp te ontleden, blijkt uit zijn boek 'Politicus zonder partij'. In zeven delen werd zijn Verzameld proza gebundeld.

Gehuwd op 2-8-1933 met Antje Faber. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Intussen voelde hij zich door de terreur van het nationaal-socialisme in Duitsland steeds duidelijker tot een politieke stellingname (die hij tot nog toe had afgewezen) gedwongen. Ter Braak wierp zich na 1931 op tot verdediger van de democratie, omdat deze regeringsvorm naar zijn mening tenminste een minimum aan geestelijke vrijheid en menselijke waardigheid waarborgde. In het nationaal-socialisme zag hij een beweging die voornamelijk gevoed werd door wraakgevoelens van het allerlaagste allooi, gevoelens van rancune.
Persoonlijk zette Ter Braak zich in om het fascisme te bestrijden door kort voor de Tweede Wereldoorlog het Comité van Waakzaamheid op te richten. Als kunstredacteur van de Haagse krant Het Vaderland laat hij geen gelegenheid onbenut te waarschuwen tegen culturele zelfgenoegzaamheid, politiek extremisme of antisemitisme. Deze houding leidt in 1939 tot een hooglopend conflict met zijn directie.

Ter Braak hield zich ook bezig met de Exil-literatuur van de Duitse emigranten van wie er na de machtsovername door Hitler velen een toevlucht in Nederland hadden gezocht. Onder hen waren Klaus Mann en Konrad Merz. Hij bleef tot zijn dood toe bevriend met Nobelprijswinnaar Thomas Mann, die na de oorlog een 'In Memoriam' aan hem wijdde.

In 1938 vertaalde hij Die Revolution des Nihilismus van Rauschning.

Toen de Duitse troepen in de meidagen van 1940 ons land waren binnengevallen, probeerde Ter Braak, die in talrijke boeken de opvattingen van Hitler aan de kaak had gesteld, met een vissersboot van uit Scheveningen naar Engeland te ontkomen. Zijn pogingen mislukten. Een dag voordat de Duitsers zijn woonplaats Den Haag binnentrokken, maakte hij een einde aan zijn leven. Ter Braak was al jaren geleden tot het besluit gekomen in geval van een Nazi-bezetting van Nederland zijn leven te beëindigen. Op 14 mei 1940 pleegde Ter Braak in de woning van zijn broer, huisarts te Den Haag, zelfmoord door een combinatie van een slaapmiddel en een injectie, toegediend door zijn broer.
Later bleek dat hij hoog genoteerd stond op een soort zwarte lijst die de bezetter hanteerde om hun belangrijke tegenstanders te elimineren.

Op literair gebied is het vooral de verdienste van Ter Braak geweest dat hij onmiddellijk signaleerde welke auteurs belangrijk waren en welke niet. Zo stimuleerde hij Willem Elsschot om door te gaan met publiceren. Diens boek Lijmen is aan Ter Braak opgedragen.

Hoewel het persoonlijkheidscriterium door lateren als onhanteerbaar werd afgewezen, bleef zijn oordeel nog lang gezag houden. Nadat hij zelf een selectie gegeven had in zijn bundel In gesprek met de vorigen (1938), en anderen nog enkele bundeltjes tijdens en na de oorlog in het licht gaven (deels als clandestiene uitgaven), werd het overgrote deel bijeengebracht in het Verzameld werk (7 dln, 1950-1952).

Na WO II bleef de invloed van Ter Braak groot. Zijn erfenis werd doorgegeven in een reeks tijdschriften die na de oorlog verscheen. Zo bleef het persoonlijkheidscriterium een rol spelen in Libertinage (1948-1953) en in Tirade (1957-...). Pas door de Vijftigers werd definitief gebroken met de opvattingen van Ter Braak en Du Perron, ook al bleef de belangstelling bij anderen voor hun werk bestaan.

Websites: www.collegenet.nl, www.dbnl.org, boeken.vpro.nl, www.inghist.nl, www.ned.univie.ac.at, nl.wikipedia.org


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1025.

Tweets by kunstbus