kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Nederlandse Middeleeuwse literatuur

Met de Nederlandse literatuur worden in dit artikel bedoeld de hoofdstromingen en -richtingen in de Nederlandse letterkunde die zich, vanaf het begin tot ca. 1500, in de Nederlanden hebben voorgedaan. Dit artikel beperkt zich tot de Middeleeuwen; het vervolg wordt behandeld in het artikel Nederlandse literatuur.

Voorspel: het Oudnederlands
Iedereen weet het tegenwoordig wel: de Nederlandse literatuur begint even na... 1930, en dan ook nog in het Engelse Oxford, met de vondst van het bekende hebban olla vogala....

Maar wat is literatuur? De oudste tekst, dat zijn de zinnen van Oxford zeker niet. Van zeshonderd jaar eerder, rond 510, dateert Clovis' Lex Salica, en hoewel dat wetboek in het Latijn was, bevatte het uitleg in onze talige voorouder, het Frankisch. In een van die gevallen wordt het Latijn niet met losse woorden uitgelegd, maar met een samenhangend zinnetje: maltho thi afrio lito ("ik-zeg aan-jou ik-bevrijd-jou halfvrije"). De halfvrije of "laat" was, als hij deze formule hoorde, vrijgelaten.

We moeten wachten tot de achtste eeuw, maar dan vinden we opnieuw een Oudnederlandse tekst, en die bestaat opnieuw uit formules. Het is de Utrechtse doopbelofte, een vraag-en-antwoorddialoog tussen priester en volwassen dopeling. De zinnen waren precies voorgeschreven, en enkele voorbeelden luiden:
forsachistu diabolae
ec forsacho diabolae

("Verzaak je de duivel?"
"Ik verzaak aan de duivel!")

globistu in crist godes suno
ec gelobo in crist gotes suno

("Geloof je in Christus, Gods zoon?"
"Ik geloof in Christus, Gods zoon!")

Er zijn nog wat fragmentjes van andere teksten overgebleven, maar dan komen er drie lange teksten:
- de Wachtendonkse psalmen (10e eeuw);
- de Egmondse Willeram of Leidse Willeram (ca. 1060); Willeram was een Beierse abt, en zijn tekst is een commentaar op het Hooglied: dit uitbundige Bijbelboek, met zijn nogal aardse inhoud, legt hij uit als een vrome allegorie.
- de fragmentarisch bewaard gebleven Mittelfränkische Reimbibel (begin 12e eeuw).

hebban olla vogala nestas hagunnan
En dan komt de eerste werkelijk literaire tekst. Het is geen juridische taal, het is geen religieus Nederlands: welnee, in Oxford zit rond 1100 een monnik manuscripten over te schrijven. Wie van een tekst een exemplaar wil hebben, heeft immers weinig keus: de boekdrukkunst zal nog 350 jaar op zich laten wachten. Zijn ganzenveer wordt stomp, hij snijdt hem bij zoals een modern auteur zijn potlood, of een hoboïst zijn riet. Maar voordat hij met het secure, uiterst verzorgde kopieerwerk doorgaat, moet hij die pen eerst proberen, en op een leeg stuk perkament schrijft hij:
hebban olla vogala nestas hagunnan
hinase hic enda thu
wat unbidan we nu

("Alle vogels zijn nesten begonnen
behalve ik en jij.
Wat wachten we nog?")
Eigen verzuchting of bestaamd rijmpje? We weten het niet. Maar één ding is zeker: met deze tekst (teruggevonden in de dertiger jaren van de 20e eeuw) is de Nederlandse literatuur "hagunnan".

De Middeleeuwen (tussen 1100 en 1500)
De maatschappij kende drie standen: adel, geestelijkheid en burgerij, en de literatuur is weleens net zo ingedeeld — teksten voor ridders, geestelijke letteren en burgerlijke literatuur.
Het is een moeizame indeling, met veel overlappingen. De eerste grote schrijver die we bij naam kennen, Heynric van Veldeke, verhaalde het leven van de heilige Servaes, maar schreef ook indrukwekkende liefdespoëzie. Een ander indelingsprobleem: voor de rijker wordende burgers die wilden opklimmen, zou verheffende maar ook verstrooiende literatuur bestemd zijn geweest — maar er bestaan ook teksten ter opvoeding van een jonge edelman. En geestelijke teksten? Zeker, ze zijn er. Maar in de van religie doordrenkte Middeleeuwen hadden veel teksten een religieus tintje; niet alle, maar toch veel. En Egidius, waar is die in zo'n onderverdeling gebleven?

Hieronder wordt een iets andere indeling gehanteerd, die, ruw gezegd, zich meer op literaire genres en subsoorten richt. Ridders, geestelijken en burgerij: ze komen zeker aan bod, en het is ook goed om voor ogen te houden dat ze de drie standen vormden in de Middeleeuwen. Maar de driedeling zelf zegt ons meer over de maatschappij dan over de letterkunde van die periode.

Een gesproken overlevering
Diezelfde Middeleeuwen eindigen wanneer de boekdrukkunst haar doorbraak beleeft. Anders gezegd: de Middeleeuwen moesten het hebben van gesproken en (dure) handgeschreven literatuur, en aangezien alleen de adel (soms), de geestelijkheid (meestal) en de meer gegoede burgers (in toenemende mate) konden lezen, nam die gesproken literatuur een grote plaats in. De openingsregels van Karel ende Elegast luiden:
Vraye historie ende al waer
Maghic u tellen. Hoerter naer!

en dat moet letterlijk genomen worden (alleen dat "geheel waar", dat gelooft niemand meer). Ook de slotregel van deze ridderroman:
Nu segghet Amen allegader.
zal door het gehoor ongetwijfeld met een vroom collectief "Amen" zijn beantwoord.

Ook bij het toneel wordt het publiek veelvuldig toegesproken, maar dat is minder opmerkelijk. Toneel heeft per definitie een luisterend publiek, al ontstond het (naar men aanneemt) ook alweer door de ongeletterdheid van de toehoorders. Bijbelse verhalen werden in de kerk uitgebeeld, waardoor ze aanschouwelijker werden. Uiteindelijk verhuisde het gehele tafereel naar buiten, hetzij door te grote drukte van toeschouwers, hetzij omdat de stof steeds wereldser werd. Normvervaging is van alle tijden.

Het overgrote deel van de teksten uit die tijd is poëzie. De versmaat is nog weinig strak: daarin komt pas na de Middeleeuwen, onder Italiaanse invloed, verandering. Het ging vooral om het rijm: dat diende als geheugensteun bij de declamatie.

Spelling, woordvorm, woordgebruik

Spelling en woordvorm
De teksten die ons uit de Middeleeuwen resten, zijn hetzij opgetekende mondelinge overleveringen, hetzij rechtstreeks geschreven literatuur. De lezer valt in het begin de wat afwijkende spelling op, maar die went gauw. Slechts enkele verschillen met onze spelling zijn van belang; en dan nog, niemand die een tekst wil lezen, hoeft te onthouden:
- dat wij een lange klinker schrijven door die te verdubbelen ("paard", "voor"), maar dat de middeleeuwer daarvoor vaak een -e- of -i- gebruikte (paert, voer); vandaar nog ons "Oirschot";
- dat ui als ons "uu" klinkt, ij als ons "ie";
- dat de middeleeuwer vaak schreef wat hij hoorde (vandaar die -t in paert; vandaar ook tgrote voor het grote);
- dat sc staat voor ons "sch": bliscap;
- dat ge- vóór het deelwoord soms ontbreekt (comen, "gekomen");
- dat en of ne "niet" betekent, en dat in soms een samentrekking is van ic en: "ik [doe dit of dat] niet".

Woorden
Ook het woordgebruik valt in het begin op. Maar de meeste teksten hebben voetnoten die alles verduidelijken, en zo hoeft de lezer niet te onthouden dat ontbeiden niet de maag vult, maar "afwachten" betekent. Net als in die Oudnederlandse vogala-regels trouwens!
Misschien is het wel nuttig om te weten dat er met mogen meestal "kunnen" wordt bedoeld.

Middelnederlandse literatuur

Overigens zijn er uit het begin van de Middeleeuwen helemaal geen teksten: tussen ca. 1100 en ca. 1150 gaapt een gat. Maar wie weet wat er nog in kastelen, in kloosters, in bibliotheken verborgen ligt: duurde het niet tot na 1930 voordat de vogala-tekst werd teruggevonden? Ook oude boekbanden kunnen nog voor verrassingen zorgen: beschreven perkament werd veelvuldig hergebruikt om er nieuwere boeken mee te binden.

Heynric van Veldeke
Vooralsnog is Heynric van Veldeke (?1140—?1200) de eerste middelnederlandse schrijver die we bij naam kennen. Geboren bij Hasselt, soms woonachtig in Maastricht, soms in Thüringen, schreef hij zowel in het Duits als in het Nederlands. Zijn Leven van Sint Servaes (ca. 1170) is een heiligenleven waarin trouwens ook stevig gevochten wordt. Zijn Eneïde (ca. 1175) is een herschrijving van een Frans verhaal dat weer van Vergilius afkomstig was: er is alleen een Duitse versie van over.
Veldeke schreef ook hoofse, hoffelijke, lyriek: korte gedichten in de trant van de Provençaalse troubadours: gevarieerd, geestig, met een sterke, vaak wisselende versmaat en met huzarenstukjes aan klank, rijm en woordgebruik. "Liever was ik bij haar met duizend mark, met goud en edelstenen, dan dat ik ver van haar zou zijn, arm en alleen" is de teneur van een zo'n gedicht. De eerste reactie van de geamuseerde lezer is: "Ja, nogal wiedes!", totdat hij de associatie doorziet: de aanwezigheid van de geliefde betekent rijkdom, scheiding beduidt armoede.
Hiermee hebben we het begin van de Middelnederlandse literatuur gesitueerd: dat begin lag in Limburg. Daarna volgden eerst Groot-Brabant en Vlaanderen, later Holland.

Hiermee hebben we het begin van de Middelnederlandse literatuur gesitueerd: dat begin lag in Limburg. Daarna volgden eerst Groot-Brabant en Vlaanderen, later Holland.

De ridderroman
Ridderromans waren populair, zeker bij de adel, en vertellers trokken van kasteel naar kasteel om hun hoog publiek te onderhouden. Maar wat zij vertelden, waren geen "romans" in onze zin van het woord, en met ons begrip "romantisch" houden ze ook weinig verband: dineetjes bij kaarslicht spelen er geen rol in. De ridderromans waren lange gedichten in de volkstaal (en die volkstaal was in het begin het Romaans, vandaar). Er zijn er zo'n dozijn van overgebleven, maar uit vermeldingen weten we dat er ongeveer zeventig hebben bestaan.
De ridderromans zijn berijmd, al verschijnen er in de vijftiende eeuw prozabewerkingen van, nu voor de burgerij. Vaak is de stof internationaal: vertaald uit het Frans, bewerkt uit het Engels. De cultuur was niet nationaal, maar Europees. De romans gaan over noeste strijders, over de toewijding tot verheven dames, over de klassieke Oudheid of over het Oosten. Daardoor zijn ze in vier groepen te verdelen.

De Frankische romans
De Frankische of Karolingische romans draaien alle om Karel de Grote en zijn ridders, al is het "aankleefeffect" onmiskenbaar: als je alle avonturen bij elkaar optelt, kunnen ze onmogelijk door één keizer, of onder diens bewind, zijn beleefd. Ze zijn later aan Karel en diens kring toegeschreven. De nadruk ligt op het vechten, en de gebeurtenissen zijn vaak ruw. Ze dateren doorgaans uit de 12e of 13e eeuw.

- Het Roelantslied, een mindere, 13e-eeuwse bewerking van het Franse Chanson de Roland, verhaalt de ongelijke strijd van een van Karels ridders, die daarbij de dood vindt. Roelant vormt een achterhoede, wordt verraden, en als Karel hem te hulp snelt, is het te laat. De soms wat langdradige dialoogvorm die het verhaal moet voortstuwen, bestaat eigenlijk meer uit betrekkelijk lange monologen. Overigens is het Roelantsliet inderdaad een samenstel van (oorspronkelijk gezongen) liederen.

Levendiger, geestiger en ook verrassender is Karel ende Elegast; ditmaal geen vertaling, maar oorspronkelijk Nederlands. Een engel beveelt Karel uit stelen te gaan. "Wat nou?" denkt de keizer. "Ik ben heer tot aan de Donau, zelfs Spanje heb ik zelf ingepikt. Ik héb alles al!" De engel houdt aan, Karel gehoorzaamt, alle kasteeldeuren openen zich als bij toverslag, de wachters zijn in diepe slaap, en Karel komt buiten een ridder tegen, de door hem verbannen Elegast. Verrassing: die is totaal in het zwart, wapenrusting en al. Ze gaan uit stelen, al heeft Elegast al snel door dat zijn onbekende metgezel er weinig van terechtbrengt:
"Ghi en weet van stelen niet een haer!"
"Die coninc peinsde: "Ghi secht waer."

Ten slotte blijkt Gods bedoeling: een complot tegen de keizer wordt onthuld, de vrouw van de verrader wordt aan de gerehabiliteerde Elegast overgedaan. Vrouwen staan niet in hoog aanzien:
Vrouwen list es menichfout,
Sijn si jonc oft sijn si out!

Daarom worden de Frankische ook wel vóórhoofse romans genoemd.

- Ook Renout van Montelbaen is een Karelroman; ook dit is een bewerking uit het Frans.

De Brits-Keltische romans
Verfijnder zijn de hoofse Arthurromans, gesitueerd aan het hof van Koning Arthur, en met zijn ridders als hoofdpersonen. Ze zijn, heel algemeen gesproken, van iets later datum dan de Karolingische; we situeren ze in de 13e eeuw.

- Ferguut, tweede helft dertiende eeuw en uit het Frans: de boerenzoon Ferguut moet een ridder verlaan, ontmoet een jonkvrouwe, maar lomperik die hij is, wijst hij haar af. Als zijn strijdmissie volbracht is, ontwikkelt hij zich tot hoofse ridder, en gewint alsnog de dame.

- de Roman van Walewein, waarvan we de Vlaamse auteurs kennen: dat waren Penninc en, na diens dood, Pieter Vostaert. Arthurs ridders hebben de maaltijd genoten, maar dan:
Hebben si wonder groot vernomen:
Een scaec ten veinstren in comen,
Ende breedde hem neder uptie aerde:
Hie mochte gaen spelen dies begaerde.

Maar het schaakbord mag dan wel "ten venstren in" zijn gezweefd, het moet toch nog veroverd worden. Walewein slaagt daarin; dat niet alleen, hij huwt ook de schone Ysabele. (Nog in 1922 verscheen een roman, gebaseerd op dit verhaal: Louis Couperus' Het zwevende schaakbord.)

Lanceloet en het hert met de witte voet (de titel is later gegeven), dat deel uitmaakt van een hele verzameling romans rond Lancelot, de zogeheten Lancelotcompilatie. De auteur zegt herhaaldelijk dat hij aan het scriven is: de mondelinge traditie wordt minder dominant. In deze roman mag diegene met de prinses huwen, die haar de witte voet van een befaamd hert brengt. Het lukt Lancelot met veel moeite het hert te doden, maar nu begint de ellende pas. Er is een snodaard (hi es so leelijc ende ooc quaet), een tweegevecht, een happy end. De toon is veel hoffelijker dan in de Karelromans:
Doen sprac die riddere vri:
"Joncfrouwe, ic sal doen u gebot."
"Here," seit si, "dat lone u Got."

De klassieke romans
De klassieke romans mogen dan hun stof uit de klassieke Oudheid putten, aan de sfeer zou je het niet zeggen. Die sfeer is door en door middeleeuws.
- Dit geldt voor vertalingen die Maerlant maakte: Alexanders geesten ("handelingen") en Die historie van Troyen.
- Maar ook in het werk van de Brabander Seger Die(n)gotgaf, Tprieel van Troyen en Parlement van Troyen (vroeg-13e eeuw) bespeuren we eerder een middeleeuwse dan een klassieke toonzetting. Het zijn bewerkingen van een oorspronkelijk Franse Roman de Troye. De toon is hoofs. Weliswaar wordt Troje belegerd, maar de beschrijving van de wapenstilstand heeft alles van een middeleeuwse reverdie — de terugkeer van het groen in de prille lente, dat we zo vaak aantreffen. Het is mei, en
Doe stonden bloemen int scone dal,
Ende men hoerde die voghele overal
Singhen blidelicke ende vroilike,
Ende die woude waren lovesrike (rijk aan lover).

Het verhaal is vooral beschrijvend, het vers soms hoekig, en veel gebeurt er niet; maar de wat volkse dialoog is raak getroffen, en vaak ook spits. Als een ridder in zwijm valt, bijkomt en de jonkvrouwe om genade vraagt, zegt die: "Genade? Biecht eerst je misdaad maar op! Je sliep!"
"Sliep ic?" — "Ja ghy." — "Dede of en dede,
Synt ghyt segt, ic lye also mede.
Messeidic dan slapende iet?"

("Sliep ik?" "Ja, je sliep, jij." "Of ik dat deed of niet, als u 't zegt, leg ik me daarbij neer... Heb ik in mijn slaap eigenlijk iets verkeerds gezegd?")
Ze heeft allang door dat hij verliefd op haar is.

De oosterse romans
Ten slotte is er de niet zozeer hoofse, maar eerder zinnelijke ridderroman Floris ende Blancefloer, die in het midden van de 13e eeuw door Diederic van Assenede werd opgetekend; het origineel is Frans. Een adellijke christendame wordt, zwanger van Blancefloer, gevankelijk meegevoerd naar het Moorse Spanje, waar zij van haar dochter bevalt. Tezelfdertijd krijgt de koningin een zoon, Floris. Blancefloers moeder voedt beide kinderen op, die, pas vijf jaar oud, een diepe liefde voor elkaar opvatten. Dit verdriet Floris' vader, de koning der Moren, zeer, maar zijn listen zijn tevergeefs: Floris wordt in een mand bloemen verstopt, en zo worden de jongelieden herenigd. Floris wordt uiteraard christen; dat kon in de Middeleeuwen niet uitblijven.
Het is een sprookjesachtig verhaal over vreemde oorden. De middeleeuwers gingen al wel op reis, maar exotisch bleef "het Oosten" toch nog.

Geestelijke literatuur
Geestelijken konden lezen en schrijven, maar ze hadden nóg een voorsprong op de leek: zij kenden Latijn. In die taal bestaat er volop literatuur, die echter buiten het blikveld van dit artikel valt. Maar juist omdat leken geen Latijn kenden, bestond de behoefte aan teksten in het eigen Diets (Middelnederlands); die behoefte werd alleen maar groter toen er, ruwweg rond 1200, grote nadruk kwam te liggen op een persoonlijker, sterk mensgerichte (geloofs)beleving.

Vanden levene ons Heren
Tegen 1300 ontstond een tekst die in die persoonlijke behoefte wilde voorzien, en die ook tegenwicht wilde verschaffen tegen al die "goddeloze" ridderromans. Vanden levene ons Heren is een verdietste navertelling van het Evangelieverhaal, en beschrijft vol vaart het leven onzes Heren in levendige, gevoelvolle poëzie — al zijn de gebeurtenissen wel sterk in een middeleeuwse context geplaatst, met ridders, bisschoppen en al.
Jezus is na zijn dood in het voorgeborchte van de hel, en bevrijdt de deugdzamen. Boosheid bij de duivel:
Doen riep die duvel tonsen here:
"Horstut, du does mi grote onere,
Dattu sonder orlof quames
Te mire hillen, ende du names
Mine zielen, die metti gaen;
Ghi selse weder geven saen!
Al haddi se noch also verre geleit,
Geefse weder eer enich sceit!"

("Toen riep de duivel tot onze Heer: "Hoort U, U doet me grote oneer dat U zonder verlof kwam naar mijn hel, en dat U mijn zielen nam, die met U mee gaan; U zult ze terstond teruggeven, al had U ze nog zo ver weggeleid, en wel voordat er een weg is!")
Hij krijgt natuurlijk nul op het rekest.

Marialegenden
Talrijk zijn de verhalen rond de moeder Gods. Wellicht werden ook deze verhalen (sommige inmiddels in proza) geschreven als tegenwicht tegen de wereldlijke literatuur. Om de vele wonderen worden deze legenden ook wel Mariamirakelen genoemd. Een vrome man wil dolgraag Maria zien, maar: "wees verstandig", zegt ze: "ik straal zó, je zult blind worden." De man bindt zich het ene oog toe: dan maar halfblind, en Maria verschijnt. Hij heeft er nog geen genoeg van; Maria verschijnt hem opnieuw, nu is hij geheel blind; maar hij blijft haar dermate toegewijd vereren dat ze hem het gezicht teruggeeft.

Beatrijs (eind 13e eeuw) is het beroemdste voorbeeld. Dit is weer een (lang) gedicht... al schiet een mens met dichten weinig op, meent de schrijver: Van dichten comt mi cleine bate. Beatrijs is non, maar gaat er met haar jeugdliefde vandoor. Ze krijgen twee kinderen, na zeven jaar verlaat de man haar, nog zeven jaar houdt ze zich in leven met prostitutie, om dan naar het klooster terug te keren. Pas nu blijkt het mirakel: men heeft haar niet gemist, want al die tijd heeft Maria haar plaats ingenomen. Het verhaal is met matig succes herdicht (1909) door P.C. Boutens.


Heiligenlevens
De levens van talloze heiligen werden beschreven, ook al om het publiek te stichten. Deze hagiografieën zijn niet vergelijkbaar met moderne biografieën: daarvoor zijn ze te kritiekloos en verdiepen ze zich ook te weinig in het werkelijke leven van de beschrevene. De opzet volgt vaak een vast stramien: eerst wordt het leven van de heilige beschreven, dan de verrichte wonderen en de betoonde verering. Vermaard is het Leven van Sinte Lutgart (midden 13e eeuw): een bewerking, naar het Latijn, door de Vlaming Willem van Afflig(h)em (1210—1297). Veldekes Leven van Sente Servaes is een ander voorbeeld.

Mystiek
Mystiek is de eenwording met God, of het verlangen naar die eenwording. Middeleeuwse auteurs hebben van dit verlangen getuigd, in taal die soms voor niet-mystici moeilijk invoelbaar is. De eenwording wordt soms in sterk doorvoelde, zelfs erotische termen beschreven: niet iedere middeleeuwse geestelijke was dan ook blij met deze teksten.
Het eerste literaire proza uit de periode is van Beatrijs van Nazareth; deze zuster schreef haar Van seven manieren van heiliger minne rond 1240 in het klooster Nazareth bij Lier. Verreweg de grootste onder de mystici is echter Hadewijch (rond 1250?). Haar sterk getuigende, zeer lyrische dichtkunst staat op eenzame hoogte: het bekendst zijn wellicht de Strophische gedichten. Jan van Ruusbroec (1293—1381) trok zich, teleurgesteld in de kerk, terug in Groenendaal bij Brussel, en schreef Van seven trappen in den graed der gheesteleker minnen: dit werk is deels proza, deels poëzie. Zijn bekendste gedicht is De chierheit der gheesteliker brulocht Hij vond weerklank bij de Broeders des gemeenen levens met hun spirituele stroming, de Moderne devotie.

"Mach hi wel te wijsheit comen": Jacob van Maerlant
Ups en down kenmerken de literaire carrière van Jacob van Maerlant. Bij leven zeer succesvol, werd hij kort na zijn dood de "vader der Dietse dichters" genoemd, en van zijn (enorm omvangrijke) werk zijn zoveel handschriftexemplaren overgebleven, dat het niet anders kan of zeer vele tijdgenoten moeten hem hebben gelezen — of hebben gehoord hoe zijn werk werd voorgelezen. Maar in het midden van de 19e eeuw stelde de grote neerlandicus Matthias de Vries Maerlant verantwoordelijk voor het verval van de middeleeuwse letterkunde. Tegenwoordig is de mediëvist Frits van Oostrom een ijverig pleitbezorger voor de dichter.

Jacob werd waarschijnlijk bij Brugge geboren (rond 1230?), vertrok naar het Oostvoornse Maerlant en vandaar naar het Haagse hof. Hij schreef een aantal werken voor Floris V: Alexanders geesten, de Historie van Troyen en de Historie van den Grale. Naar hun uiterlijk ridderromans, hadden zij tot doel de opvoeding en wereldoriëntatie van de jonge graaf, en ze zijn dan ook didactisch. Liefdesbeschrijving zoekt men in Maerlants werk tevergeefs — of het moest de liefde voor Maria zijn. Heimelijkheid der heimelijkheden gaat over de kunst van het regeren.

Dan komt een aantal encyclopedische werken. Der naturen bloeme behandelt de natuurlijke historie. De Rijmbijbel vertelt het Bijbelverhaal, maar, anders dan bijvoorbeeld Vanden levene ons Heren, behandelt het ook het Oude Testament — stof die veel omstredener en riskanter was. Maerlants grote Spiegel historiael moest de wereldgeschiedenis beschrijven vanaf de schepping; maar toen Jacob van Maerlant op een paar eeuwen na klaar was, begaven zijn krachten het.

Wel zijn er nog een paar korte gedichten van zijn hand, felle aanklachten tegen de laksheid der christenen: Der kercken claghe en de oproep het Heilig Land te heroveren: Vanden lande van oversee:
Kersten man, wats di gheschiet?
Slaepstu? Hoe ne dienste niet
Jhesum Christum, dinen (uw) here?

Deze verzen zijn, anders dan Maerlants overige werk, niet door Latijnse of Franse bronnen geïnspireerd, maar origineel en persoonlijk. Maerlant stierf tussen 1291 en 1300.

Geestverwanten
Melis Stoke's Rijmkroniek van Holland lijkt geïnspireerd op de Spiegel historiael, Maerlants werk dat twee andere dichters nog hebben trachten te voltooien: Lodewijk van Velthem en Philip Utenbroeke. Jan van Boendale schreef het didactische Der leken spieghel. Zij waren allen actief in de eerste helft van de 14e eeuw.
Rond 1400 zijn er nog dichters in Maerlants geest werkzaam aan het Haagse hof: Willem van Hildegaersberch (inderdaad dichtbij Rotterdam geboren) schreef om den brode, en het was vaak gelegenheidspoëzie, bijvoorbeeld bij een hilic (huwelijk); Dirc van Delft was een uitzonderlijk geleerde hofkapelaan, Dirc Potter een vechtjas maar ook baljuw van 's-Gravenhage.

Reisverhalen, dierverhalen, liederen

Reisverhalen
Uit de 12e eeuw is De reis van Sente Brandaene, dat ondanks de titel een geheel andere opzet volgt dan de hierboven besproken heiligenlevens. Het is veeleer een reis- en avonturenverhaal. De Ier Brandaan leest een boek over Gods wonderen, gooit het vol ongeloof in het vuur, en krijgt de opdracht de wereld rond te reizen. De mirakelen die hij daarbij meemaakt (en ze zijn verbluffend), stelt hij te boek, om als een geheiligd man te sterven. Het verhaal werd in de negentiger jaren van de vorige eeuw opnieuw berijmd door Willem Wilmink; eerder had Bertus Aafjes dat al eens gedaan.

Reisverhalen waren populair in de Middeleeuwen. Nieuwsgierig keek men om zich heen naar de nog maar zeer ten dele ontdekte wereld, waarvan men de wonderen wel begon te vermoeden. De Kruistochten immers hadden gezorgd voor tal van verslagen over streken en culturen die van alles wat bekend was, verbluffend afweken.

Zoals veel middeleeuwse literatuur laten die reisverhalen zich aan taalgrenzen weinig gelegen liggen. Even internationaal als het Keltische Brandaanverhaal was het gefingeerde reisverslag van Jan van Mandeville. Het was van oorsprong Frans, maar genoot elders, ook bij ons, grote populariteit.

Dierverhalen
Dierverhalen komen in zoveel culturen voor dat het genre wel een archetype lijkt. Nú blijkt ook dat iedereen weleens met middeleeuwse literatuur in aanraking is gekomen: Van den vos Reynaerde is niet een werk dat aan velen voorbijgaat. Maar dat is dan in een gekuiste versie. Het laat 12e-eeuwse origineel van ene Willem, waarschijnlijk een Oostvlaming, is een felle satire, waarin alle menselijke zonden, of het nu hebzucht of domheid is, worden gehekeld. De slimme Reynaert (in de Middeleeuwen werd voor "slimmigheden" zelfs het woord reynaerdien gebruikt) is een schijnheilige schurk, maar ook een wreedaard. Het verhaal overtreft het Franse origineel en is een hoogtepunt uit de Middelnederlandse literatuur, niet het minst door de levendige dialogen:
Lude riep hi, "Cuwaert, comt hare (hier)
Comet voer den coninc, Cuwaert!"
Die dieren saghen dese vaert. (handelwijze)
Hem allen wonderde, wat daer ware (waren benieuwd wat er was)
Cuwaert die ghinc met vare; (vrees)
Hem wonderde, wat die coninc woude.
Reynaert sprac: "Cuwaert, hebdi coude? (het je 't koud?)
Ghi bevet; zijt blide al sonder vaer,
Ende secht minen heere den coninc waer." (de waarheid)

Ook in de 13-eeuwse Vlaamse Esopet staan de dieren voor mensen, met al hun karakterktrekken en hebbelijkheden. De dierfabels zijn zeer oud, zouden afkomstig zijn van ene Aesopus (van wie niet eens zeker is of hij heeft bestaan), en ook La Fontaine bewerkte ze. Onze Vlaamse auteur baseerde zich op een Latijnse versie. Ook deze anekdotische verzen hebben een moraal.
Een man vant, ligghende in den rijm, (rijp, ijzel)
Een jonc serpent in swijm.
Die man naemt in sinen arm
Ende maket daer soe warm

— maar de slang blijkt inderdaad een serpent, en kronkelt zich rond de man om hem te vangen. Ondank is 's werelds loon.

Liederen
Gewemeld moet het hebben van de liederen in de Middeleeuwen. En herhaaldelijk zijn ze ook opgetekend en in druk gegeven, al maakt dit de datering van hun ontstaan natuurlijk niet gemakkelijk. In 1508 verscheen Een suverlijc boecxken in Antwerpen; het is een bundel met geestelijke liedjes, vaak van hoog niveau. (Onder deze titel zijn vaker publicaties verschenen.) Het Antwerps liedboek (1544) bevat een grote variëteit aan, in totaal, 221 liederen.
Middeleeuwse balladen moeten worden onderscheiden van latere vormen. Het zijn dramatische, vaak tragische of romantische vertellingen in coupletten. Het verhaal vordert niet geleidelijk, maar in sprongen.
De geschreven lyriek van Heynric van Veldeke werd hierboven besproken. Dergelijke liederen zijn er ook van de hand van hertog Jan I van Brabant.

Het toneel
Er wordt weleens gezegd dat zeer grofweg één vijftiende van de middeleeuwse literatuur bewaard is gebleven (Van Oostrom 2006). Verlies aan toneelstukken is er beslist geweest; die werden vaak pas laat opgetekend, en dan nog ging er veel verloren.

De vermoedelijk kerkelijke oorsprong van het Westeuropees toneel (zie hierboven) vinden we terug in de religieuze spelsoorten: mysteriespel, mirakelspel en moraliteit.

- Een mysteriespel is een spel dat de geloofsbeleving behandelt, met als doel: lekenopvoeding. Bewaard zijn Die erste bliscap van Maria (over kerst) en Die sevenste bliscap van onser Vrouwen (tenhemelopneming) (beide midden 15e eeuw): er zijn er vijf weg.
- In een mirakelspel komen wonderen voor. Mariken van Nieumeghen (wellicht van Antwerpse oorsprong) is, hoewel een mengsel van lees- en speeltekst, een goed en literair hoogstaand voorbeeld: Mariken verkeert met de duivel, overleeft op miraculeuze wijze een aanslag die hij op haar leven doet; en de dikke metalen ringen die zij ter boetedoening moet dragen, worden door een engel verbroken als ze voldoende heeft geboet. In deze categorie vallen ook heiligenspelen.
- Een moraliteit kent geen menselijke spelers, maar zinnebeeldige. Elckerlijc, weer een werk dat hoog wordt aangeslagen, en dat in diverse talen werd vertaald, staat voor "Iedereen", en andere figuren in dit memento mori-spel zijn Het Gezelschap, De Deugd en De Dood.

Het wereldlijk toneel van de Middeleeuwen heeft ons drie groepen nagelaten: abele spelen, kluchten en esbattementen.
- De abele (wellicht: "bekwame, mooie") spelen betreffen de liefde tussen man een vrouw; soms pakt die man (Lanseloet van Denemerken) het dermate verkeerd aan dat hij zijn kansen verspeelt; in andere gevallen (Esmoreit, Gloriant) loopt het beter af. Beide spelen zijn nogal exotisch: de prins wordt als baby verkocht, de (slecht begrepen) islam komt eraan te pas; liefde; een snelle bekering. In Vanden Winter ende vanden Somer voeren beide seizoenen een twistgesprek: wie is de beste van de twee? We vinden deze stukken in het Hulthemse handschrift, dat ca. 1405 ontstond. De spelen dateren echter al uit de tweede helft van de 14e eeuw, en zijn daarmee het oudste bewaarde toneel in onze taal. In een periode waarin de cultuur niet nationaal was, maar Europees, nemen de abele spelen een unieke plaats in: men vindt ze alleen in het Nederlandse taalgebied.
- De kluchten zijn platvloerser en behandelen vaak het huwelijkse wel en (vooral) wee. In het Hulthemse handschrift vinden we ook De buskenblaser: het verhaal van een oude man die, gehuwd met een jonge vrouw, het advies krijgt om in een bus met roet te blazen: dan zal hij pas aantrekkelijk worden! Nu noch zijn de steeds herhaalde woorden van een man die, om rust te hebben, zich gek houdt tegenover zijn vrouw. Dit stuk is van later datum.
- Esbat(t)ement was de naam die de Rederijkers aan hun kluchten gaven. Werken als Hanneken Leckertant (over een verwend jongetje) en het Esbatement van den appelboom vormen vooral lichtvoetig vertier. Ze verschillen daarnaast van de oudere kluchten doordat er veel aandacht is besteed aan taal en taalvormen; niet voor niets waren ze werk van de Rederijkers.

Tussenspel: de Rederijkers
Als we de Middeleeuwen gelijk stellen aan de jaren 1100—1500, en de activiteiten van de Rederijkers bepalen op 1400—1700, dan kan het niet anders of die perioden, hoe gemakzuchtig ook in ronde getallen uitgedrukt, overlappen elkaar. De Rederijkers staan met het ene been nog in de Middeleeuwen, met het andere zijn zij reeds de nieuwere tijd binnengestapt.

De Rederijkers vervullen de rol van tussenpersoon. Hoezeer zij ook zijn verguisd en weer gerehabiliteerd, zeker is dat hun experimenten met rijm, versvorm en toneel de weg hebben geplaveid voor de latere literatuur. Het losse vers van de Middeleeuwen heeft in Renaissance en Barok (zie Nederlandse literatuur: na de Middeleeuwen) plaats gemaakt voor een vormvaste poëzie, met een strakke versmaat en met vaak subtiele rijmschema's. De religieuze spelen gaan in handen van de Rederijkers over in het zinnespel met zijn allegorische sinnen: kwajongens die voor de komische noot zorgen, of die (als een soort koor) commentaar leveren op de handeling. De kluchten worden verfijnd tot esbattementen.

Uit de rederijkerstijd hebben wij enkele toppen over: het Gruuthuse-handschrift, de poëzie van Anna Bijns en die van Anthonis de Rovere.

Anna Bijns
Niemand heeft de protestanten, met name de lutheranen, meer gehaat dan Anna Bijns (1493—1575), een ongehuwde Antwerpse onderwijzeres. Zij ziet de wereld ten prooi vallen aan dwaalleer, en vaart daartegen uit in een uiterst felle, maar even welsprekende dichtkunst:
O cruypende cancker, boose pestilentie, (pest)
Tvenijn ('t gif) is vast (almaar) voort en voort gecropen.

Anthonis de Roovere
Anthonis de Roovere (ca. 1430—1482) was een metser, een metselaar of architect, in Brugge. Hij was voorman van een der Rederijkerskamers, en is bekend gebleven om zijn gedichten, waaronder het beroemde rondeel dat begint:
Die door de wereldt sal gheraken,
Die moet connen huilen met de honden
Ende moet ook connen diverssche spraken
("Wie vooruit wil komen in de wereld, moet kunnen huilen met de wolven in het bos, en ook met allerlei mensen kunnen meepraten.")

Langer is zijn (eveneens hekelende) Vander mollenfeeste: iedereen, voornaam of eenvoudig, belandt uiteindelijk onder de grond, een feestmaal voor de mol.

Het Gruuthuse-manuscript
Onder de gedichten in het Gruuthuse-handschrift (ca. 1400) bevindt zich een raadselachtig gedicht, wellicht het beroemdste uit de Middeleeuwen, dat begint:
Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct (ik verlang) na di, gheselle mijn.
Du coors (koos) die doot, du lietst mi tleven.

Ook Elckerlijc en Mariken van Nieumegen zijn rederijkersteksten. Het slotstuk van Elckerlijc heeft een opschrift dat ons tegenwoordig bevreemdt; het heet "Die Naeprologue". Dat zou een passende benaming voor de Rederijkers zijn: tegelijk naspel van de Middeleeuwen en proloog voor een nieuwere tijd.

Websites: GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Categorie:Middeleeuwse_literatuur


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2898.

Tweets by kunstbus