kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 06-01-2009 voor het laatst bewerkt.

Nescio

Nederlands schrijver, geboren 22 juni 1882 te Amsterdam - overleden 25 juli 1961 te Hilversum

Nescio is het pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh, het is Latijn voor "ik weet niet". ‘Ik ben blij en ben er trotsch op te weten, dat ik niets weet’, schreef hij al in 1900 in een brief aan een vriend. In het pseudoniem kan de invloed worden opgemerkt van Multatuli (bijv. Ideëen 96-99), die Grönloh in zijn jeugd veel las.

Aanvankelijk was Grönloh, net als Multatuli, zeer idealistisch. In de loop der jaren maakte Grönlohs idealisme plaats voor realisme. Een belangrijk thema in het werk van Nescio is de tegenstelling tussen de onmaatschappelijke, onpraktische artiest en de zelfvoldane, gearriveerde burger. Persoonlijke idealen leggen het af tegen de onbuigzaamheid van de realiteit.

De toon die in Nescio’s oeuvre overheerst, is die van melancholie. Het is een weemoedige, maar ook berustende praatstijl, waarin bij uitzondering enige bitterheid te ontdekken is. Nescio's verhalen zijn vaak ironisch en deels autobiografisch. Het verlangen naar onvergankelijkheid en harmonie speelt een grote rol. Zijn taalgebruik was eenvoudig en helder, waardoor de spreektaal benaderd wordt. Ook hierin kan de invloed van Multatuli opgemerkt worden, alsmede de versimpelde spelling die Kollewijn, Grönlohs leraar Nederlands op de H.B.S., en leidende figuur in de ‘Vereniging tot vereenvoudiging van onze spelling’ (1893-1947) voorstond.

Het is moeilijk Nescio bij een literaire stroming of beweging in te delen. Vanwege het eeuwige verlangen naar het onbereikbare, het menselijk onvermogen (en dat van de kunst, de literatuur), het zich afwenden van de maatschappij dat in Nescio’s oeuvre constant aanwezig is, wordt het werk romantisch genoemd. Tegelijkertijd wordt het vanwege de ironische, sobere stijl ook met het realisme van bijvoorbeeld Elsschot vergeleken. Door de neerslachtigheid van zijn oeuvre wordt Nescio veelal simpelweg een ‘buitenstaander’ of een ‘afzonderlijke’ in de Nederlandse letterkunde genoemd.

Levensloop
J.H.F. Grönloh, roepnaam Frits, is de eerste zoon van Jan Hendrik Frederik Grönloh, smid en winkelier, en Martha Maria van der Reijden. Uit dit huwelijk werden later nog één zoon en twee dochters geboren. De vader van Frits was afkomstig uit een Duitse familie die zich in de achttiende eeuw in Nederland had gevestigd

Hij is geboren en getogen in Amsterdam, waar hij, op enkele onderbrekingen na, zijn hele leven is blijven wonen; hij ging er naar de driejarige HBS waar hij zich een ijverige leerling met een voorliefde voor talen betoonde en bracht vervolgens nog twee jaar door aan de Openbare Handelsschool aan de Keizersgracht waar hij in juni 1899 eindexamen doet. Hij werkt enige tijd als kantoorbediende te Hengelo bij de Twentsche Bontweverij, enige maanden later is hij weer in Amsterdam om aldaar bij verschillende handelskantoren werkzaam te zijn.

Kort na afronding van de Handelsschool richtte hij met enkele vrienden een debatingclub op (‘Gedachten ontwikkelen het Verstand’; G.O.H.V.) waar hij een openingslezing hield over ‘De sociale kwestie’.

In 1900 werd Grönloh door zijn vader, wegens gebrek aan interesses, lid gemaakt van een zangvereniging. Grönloh bleek geen zangtalent te hebben en werd daarom secretaris van de vereniging. De vereniging was belangrijk voor Grönloh. Hij ontmoette er Aagje Tiket, met wie hij in 1906 zou trouwen.

Met een aantal goede vrienden, die we later in Nescio's werk zullen tegenkomen, sprak hij over idealen die jongens van om en bij de twintig rondom 1900 hadden. Idealen over een ommekeer in de maatschappij, over de talloze éénkamerwoningen in de grauwe stadswijken en de kapitale villa's van de 'bazen' in Het Gooi; over marxisme en anarchisme en vooral over Frederik van Eeden en diens 'commune' Walden. In 1900 komt Grönloh in contact met mensen die de Vereeniging Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB) oprichten.

In 1901 richtte hij met drie vrienden van de zangvereniging in Huizen (Noord Holland) de kolonie 'Thames' op. Dit in navolging van Frederik van Eedens kolonie ‘Walden’. Hij brengt er de weekenden door, schiet er geld bij in en moet met zijn vrienden in 1903 de opheffing van de kolonie meemaken; de bruto-opbrengsten waren aanzienlijk lager dan de kosten.

In deze periode verdiende Grönloh zijn geld als kantoorbediende bij katoenhandelaren in Oldenzaal en Rheine (Westfalen, Duitsland). In 1904 komt hij bij de exportfirma Holland Bombay Trading Company. Vanaf 1920 ondernam Grönloh veel buitenlandse handelsreizen voor deze firma. In 1926 werd hij er directeur van, in 1937 trad hij wegens nervositeit terug als directeur.

Als auteur is hij Nescio en niet de als kantoorman bekend staande Grönloh: twee gescheiden werelden.

Gehuwd op 8-2-1906 met Aagje Tiket. Uit dit huwelijk werden 4 dochters geboren.

Grönloh wordt in 1906 administrateur van het tijdschrift van de GGB De Pionier. We zijn dan echter al weer een paar jaar verder, en erg gelukkig met dat administrateurschap schijnt hij niet geweest te zijn, wat vooral te wijten is aan zijn scepsis over de inhoud van De Pionier: vaagheden en slechte stijl.

Grönloh is geen teleurgestelde socialist of iets van dien aard, de tegenstelling ligt bij hem anders: tegenover het burgerlijke, geregelde, het 'beter en alles-weten', zowel van 's lands ambtenaren als van mensen die de mond vol hebben van klassenstrijd en maatschappijhervorming, komt bij Grönloh het bewustzijn van het 'niet-weten', nescio, van het absolute onbereikbare, dat tegengesteld is aan het domme en zinloze gedoe om hem heen; je kunt daar iets van beleven in een natuurervaring, in de liefde: een soort religieus gevoel. Daarover gaat hij schrijven!

Hij wil publiceren, maar dat valt voor een onbekende niet mee; niet zonder moeite wordt in januari 1911 'De Uitvreter' (dan nog onder het pseudoniem 'Koekebakker') geplaatst in het tijdschrift De Gids en in juni 1915 'Titaantjes' in Groot-Nederland. Het verhaal, of novelle, Dichtertje (1918, De Gids) behandelt op ironisch ontluisterende wijze het burgerlijk huwelijk, gekoppeld aan de tegenstelling dichter-burger. Ook voor dit - Nescio's beste en meest gave verhaal - is het moeilijk een uitgever te interesseren. Ten slotte verschijnen de drie verhalen in één bundel Dichtertje, De Uitvreter en Titaantjes, bij de kunsthandelaar J.H. de Bois te Haarlem, in een oplage van 500 exemplaren! Aldus vonden zijn verhalen duurzame waardering in de kleine kring van kenners, die overigens niet wisten of vermoedden hoe de auteur eigenlijk heette. In 1929 en 1932 maken respectievelijk de uitgever en Nescio zelf in de NRC bekend wie er achter de schuilnaam Nescio verborgen ging.
Ofschoon stuk voor stuk een afgerond verhaal, behoren de drie verhalen bij elkaar door de eenheid van stof en sfeer; in een precieze, originele stijl vol 'understatement', wars van iedere woordkunst, beschrijven ze een groepje jonge wereldhervormers en hemelbestormers: onpraktische idealisten en artistieke bohémiens, vrienden vol fantasie en zelfoverschatting, waartoe Grönloh eens behoorde en waaraan hij de dierbare herinnering niet verloochent. Met de weemoedige glimlach van meer mensenkennis en reëler levenservaring neemt Nescio nu afstand van hen; de term 'afscheid' zou onjuist zijn, want hij is niet bereid de wijsheid van de maatschappelijke aanpassing hoger aan te slaan dan de dwaasheid van een onmaatschappelijk puberteitsideaal.
Dit proza laat zich tot op zekere hoogte vergelijken met dat van Elsschot, zowel om het autobiografisch gehalte ervan, als om de ironische toon; maar ook de levens van deze jaargenoten lopen merkwaardig parallel, aangezien Grönloh in de exportfirma waar hij in 1904 ging werken ten slotte opklom tot directeur.

De bundel Dichtertje, De uitvreter, Titaantjes die o.a. bij Ter Braak grote waardering had gevonden werd in 1933 herdrukt.


De uitvreter
In het verhaal De uitvreter staat Japi centraal. Japi heeft slechts één ideaal, namelijk de volmaakte bohémien zijn. Hij wil niet eens een kunstenaar zijn. Ik ben Goddank helemaal niks. aldus Japi. Via schilder Bavink komt hij in contact met Koekebakker, de ik-persoon van het boek. Japi, Bavink (die een niet-succesvol schilder is), en Koekebakker, een journalist, verzetten zich tegen de maatschappij, waarin mensen worden uitgebuit, en zij zweren langzaam maar zeker het werken af. Van hun idealen komt echter niets; Koekebakker blijft werkzaam bij zijn kantoortje en verdient daar een aardig salaris, maar verliest wel al zijn idealen. Japi pleegt aan het eind van het verhaal zelfmoord door van de Nijmeegse spoorbrug over de Waal af te stappen.
De best bekende zin van Nescio is de zin waarmee De uitvreter begint: Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.
Met "de man die..." verwijst Nescio naar de Nederlandse schrijver en Walden-oprichter Frederik van Eeden. Van Eeden beschreef de Sarphatistraat in 1888 als een voorbeeld van negentiende-eeuwse wansmaak, terwijl hij zich toch kon herinneren dat hij het vroeger de mooiste straat van Amsterdam vond. Kennelijk was het algemeen bekend dat Nescio Van Eeden bedoelde met de 'wonderlijke kerel' uit de Uitvreter. In een toespraak die hij in 1899 tot Amsterdamse arbeiders richtte, introduceerde Van Eeden zich met de woorden: "Misschien heeft men u verteld dat ik een wonderlijke kerel ben..."
Japi - De Uitvreter - is waarschijnlijk gemodeleerd naar Tom Schilperoort, een Amsterdams journalist.

Titaantjes
Bijna iedereen kent de openingszin van Titaantjes: Jongens waren we - maar aardige jongens.
Titaantjes is het vervolg op De uitvreter. In Titaantjes blikt Koekebakker terug op de tijd met Japi en Bavink en hij vertelt hoe Bavink gek wordt. Bavink schildert een meesterwerk en snijdt dit vervolgens aan reepjes als hij ontdekt dat hij door dit schilderij in feite heeft bereikt wat hij altijd al had afgezworen, namelijk een succesvol en rijk man worden. Aan het eind gaat het dan alleen Koekebakker voor de wind. Hij wordt een succesvol journalist en verdient daarmee een goed belegde boterham. In feite kunnen zijn idealen hem niet meer zo schelen. Het boek heeft als moraal dat ieder mens zich uiteindelijk van zijn idealen aanpast aan de maatschappij en ondanks zelfs de meest grote walging van maatschappelijke idealen hij toch altijd deel daaraan neemt, of hij wil of niet. De 2 werken zijn dan ook een groot protest tegen de maatschappij, maar geven ook de tweestrijd aan tussen Nescio (De schrijver)en Grönloh (directeur van de Holland-Bombay Trading Company), die in een en dezelfde persoon wordt uitgevochten. Dit vinden wij bijvoorbeeld ook terug in de boeken van Willem Elsschot (A.J. de Ridder) die deze tegenstelling schrijver-zakenman in zijn Laarmans-Boorman boeken laat terugkomen.

Dichtertje
De novelle Dichtertje uit 1918 behandelt op ironische en ontluisterende wijze het als burgerlijk bestempelde huwelijk, gekoppeld aan de tegenstelling dichter-burger. De drie verhalen De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje verschijnen uiteindelijk in 1918 in één band, bij de Haarlemse kunsthandelaar J.H. de Bois in een oplage van 500 exemplaren. Vanaf 1956 werd het verhaal Mene Tekel (1946) aan deze bundel toegevoegd. Lange tijd zijn dit de enige verhalen geweest die van Nescio verkrijgbaar waren.
Pas in de loop van de jaren dertig komt er iets meer aandacht voor zijn werk. De waardering ervoor groeit gestaag: in 1954 ontvangt hij de Marianne Philips-prijs, en vlak voor zijn dood verschijnt - mede op aandrang van vrienden - de bundel Boven het dal en andere verhalen (1961). Die 'andere' verhalen waren door zijn vrouw en vrienden gekozen uit het vele ongepubliceerde werk uit zijn jeugd. Sindsdien is Nescio op weg naar de top van de Nederlandse letteren.

Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article 1929 meldt een literair handboek dat achter het pseudoniem Nescio de schrijver Nico Eissenloeffel schuil gaat. De uitgever van Nescio maakte toen via de 'NRC' bekend dat Nescio 'de heer Grönloh' was, 'thans handelsman te Amsterdam'.

In 1935 publiceert Nescio weer twee korte stukken in tijdschriften; het zijn oude stukjes, die nog in portefeuille lagen, maar er was nog (veel) meer. In 1942 bereidt hij uit dat materiaal een uitgave voor onder de titel 'Boven het dal'; mede door oorlogsomstandigheden komt er niets van een uitgave; slechts enkele stukjes kiest Nescio uit, die in 1946 onder de titel Mene Tekel worden uitgegeven.

Nog is zijn lezerskring klein, evenals de omvang van zijn tot dan toe gepubliceerde werk (150- 160 pagina's). De waardering groeit echter: in 1954 ontvangt hij de Marianne Philips-prijs.

Vlak voor zijn dood verschijnt - mede op aandrang van vrienden - de bundel Boven het dal en andere verhalen (1961).
In Boven het dal en andere verhalen (1961) publiceerde Nescio voor het eerst weer prozastukken uit de tijd waarin hij 'De uitvreter' en 'Titaantjes' schreef. Deze bundel die hij al in 1942 samenstelde en van een inleiding voorzag waarin hij over zijn 'literaire nalatenschap' spreekt, had hij zelf echter nooit publikatie waardig bevonden.

In 1956 kreeg Nescio een beroerte. Hij werd opgenomen in het Burgerziekenhuis in Amsterdam.
op 25 juli 1961 overleed hij in het sanatorium Zonnestraal te Hilversum.

Na zijn overlijden in 1961 bleek zijn nalatenschap echter nog allerminst uitgeput, want in 1971 volgde nog De X geboden.

In 1996 vond nog veel meer materiaal een plaats in het Verzameld proza en het Natuurdagboek.

Websites: www.nescio.info, www.dbnl.org, www.inghist.nl, boeken.vpro.nl, www.dodenakkers.nl, www.ned.univie.ac.at, www.schrijversinfo.nl, www.literairnederland.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 21.