kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 13-09-2008 voor het laatst bewerkt.

Obe Postma

Obe (Piters) Postma

Friese dichter, historicus en wis- en natuurkundige, geboren 29-03-1868 te Cornwerd, Overleden 26-06-1963 te Leeuwarden

Postma's werk is nauw verbonden met het Friese landschap en zijn geschiedenis en is tegelijk universeel. Zijn poëzie kent, zij het in verrassende variaties, slechts één thema: dichters verbondenheid met de kosmos die hij in eigen bestaan als component ook in het 'Fryske lân en libben' weerspiegeld weet.

Zijn poëzie is sober wat betreft zijn taalgebruik. In later werk ging Postma een parlando-stijl toepassen. Hierin wordt hij wel vergeleken met J.C. van Schagen en met K.P. Kaváfis.

Obe Postma was homoseksueel, maar liet dit in zijn werk niet naar voren komen.
Obe Postma schreef ook historische studies op agrarisch gebied.
Obe Postma publiceerde in 'Proloog'.

Levensloop
Obe Postma werd geboren als zoon van Pieter (Obes) Postma, landbouwer, en Sijbrigje (Tjeerds) Rinia, in een boerderij op Sotterumerdyk 1. Postma groeide op in een protestants boerengezin.

In zijn jeugd vatte hij niet alleen een blijvende liefde op voor het boerenleven, maar ook voor literatuur en geschiedenis. Zijn vader bracht hem reeds in aanraking met de Friese letterkunde, vooral met het dichtwerk van J.C.P. Salverda en J.G. van Blom.

Na vijf jaar lager onderwijs in zijn geboorteplaats te hebben genoten bezocht Postma de lagere school, de'Franse school' te Makkum, waar hij les in Frans en wiskunde kreeg. Daarnaast volgde hij lessen Latijn.

In 1881 werd hij na een mondeling examen toegelaten tot de tweede klas van het gymnasium in Sneek.

Na het behalen van het diploma gymnasium-B ging hij in 1886 wis-en natuurkunde studeren aan de Universiteit van Amsterdam, omdat hij het 'wezen der dingen' wilde leren kennen. Hij ontwikkelde hier een brede culturele belangstelling, waarbij hij Friesland en de Friese literatuur niet vergat. Hij promoveerde in 1895.

Hij werkte mee aan een aantal studentenperiodieken en publiceerde in 1891 - zijn laatste studiejaar - '33 Brieven uit Amsterdam' in de Leeuwarder Courant.

Na zijn afstuderen in 1892 slaagde hij er eerst niet in een betrekking te vinden. Begin 1893 was hij een maand leraar in Tiel, de rest van het jaar in Tilburg.

Van 1894 tot 1933 was hij leraar wiskunde en mechanica aan de rijks-HBS te Groningen, waar zijn jongere zuster al die jaren de huishouding voor hem waarnam. Vooral in de eerste jaren van zijn leraarschap hield hij zich actief bezig met de natuurwetenschappen.

In 1895 promoveerde hij te Amsterdam bij J.D. van der Waals sr. op het natuurkundig proefschrift Iets over uitstraling en opslorping. Tot 1918 publiceerde Obe Postma artikelen over wis- en natuurkunde, merendeels over waarschijnlijkheidsberekening. Tevens bewerkte hij een aantal leerboeken voor de middelbare school over algebra, stereometrie, beschrijvende meetkunde en vlakke driehoeksmeting.

Obe Postma debuteerde in 1902 met enkele Friese gedichten in 'Forjit my net', waaronder het bekende 'De boerinne fan Surch'.
Al op het gymnasium had hij zijn eerste gedichten - zoals veel Friese schrijvers nog in het Nederlands - geschreven, maar zich ook al beziggehouden met vertalen in het Fries.

In de daaropvolgende jaren volgden meer gedichten, voornamelijk in Forjit My Net en enkele in Swanneblommen, en na 1915 vooral in Fryslan en in It Heitelan; na de Tweede Wereldoorlog in De Tsjerne.

Pas in 1918 werd een deel van zijn gedichten gebundeld in Fryske lân en Fryske libben (1918. 2e verm. dr. 1923). In deze vroege verzen sluit Postma nog nauw aan bij het voor de kleine Friese literatuur gebruikelijke genre van vaag sentimentele plattelandsromantiek. Toch steekt hij in niveau reeds boven de meeste van zijn tijdgenoten uit, vooral door zijn eenvoud en zijn milde ironie en door een duidelijk concrete gerichtheid. Al zal in zijn latere werk, waarin hij grotere hoogte bereikt, een vrij opvallende breuk in vorm en diepgang waarneembaar zijn, toch liggen zijn motieven reeds grotendeels verankerd in dit eerste werk. De dichter roept met uiterst eenvoudige middelen het Friese boerenland, dat hij zo goed kent uit zijn jeugd, op in een eindeloze stroom van beelden uit het leven van alledag verheven tot tekens van onvergankelijke vreugde en schoonheid. Het zijn gelukkige gedichten van een wijs mens, waarin van hartstochtelijkheid, conflicten of angsten vrijwel geen spoor te vinden is. De vorm van deze verzen blijft bij hem altijd zeer eenvoudig, waarbij de vierregelige strofe, die hij aan P.C. Boutens ontleende, overheerst.

In zijn latere werk, verzameld in een viertal bundels, groef hij dieper. Belangrijk als inspiratiebron is voor hem dan de wijsgerige richting van het psychisch monisme, die in ons land vooral door G. Heymans vertegenwoordigd werd. In de vorm zocht hij nu nieuwe wegen. Veelal ging hij over op het vrije vers zonder rijm of vast schema; daarnaast schreef hij veel scherpzinnige kwatrijnen. Soms greep hij voor zijn onderwerpen terug naar het middeleeuwse verleden, soms voerde hij auto's of vliegtuigen ten tonele; een enkele maal schreef hij over andere schrijvers of over zijn eigen dichtkunst.

Hij verhuisde naar Leeuwarden, waar hij van zijn pensionering in 1933 tot zijn dood in 1963 samenwoonde met zijn zus Liezabeth.

Tijdens de bezettingstijd gaf hij van zijn antinationaal-socialistische gezindheid ondubbelzinnig blijk in een aantal ironische verzen, na de oorlog opgenomen in de bundel It sil bistean (1946).

(eerste) Gysbert Japicx-priis 1947 voor 'It sil bistaen'. Obe Postma was lid van de jury voor de Gysbert Japicx-priis 1949.

In 1949 verschenen zijn Samle Fersen (Sneek, 1949. 2 dl.). Tineke Steenmeijer gaf ze in 1978 opnieuw uit met een inleiding van D.A. Tamminga. Nadat het boek al jaren uitverkocht was, bezorgde ze in 2005 een nieuwe editie van de Samle fersen, nu met een inleiding van Philippus Breuker. Deze werkt daarin de Platoonse inslag van de poëtica van Postma uit.

Ondanks zijn ouderdom bleef hij werk van hoog gehalte publiceren. Ook hield hij zich bezig met literaire besprekingen, o.m. in De Holder.

Een groot deel van Postma's werk stamt van na pensionering. Dat geldt in het bijzonder voor zijn historische studies. Postma's beste vriend, T.J. de Boer, oorspronkelijk bibliothecaris in Groningen en later hoogleraar in de wijsbegeerte in Amsterdam, stimuleerde bij hem de liefde voor de geschiedenis van Friesland en Groningen in de Middeleeuwen en de 16e en 17e eeuw. Tot op hoge leeftijd maakte hij de wandeling naar het toenmalige Rijksarchief, in de Kanselarij aan de Tweebaksmarkt, waar hij stof vond voor zijn vele historische publicaties over het Friese land en zijn bewoners.
Een serie van artikelen, zowel van puur wetenschappelijke als van populaire aard, verscheen van zijn hand in ruim twintig periodieken, in het Fries en in het Nederlands, vooral in De Vrije Fries, It Heitelân en It Beaken. Het merendeel van deze artikelen had betrekking op agrarische geschiedenis, maar ook zuiver taalkundige kwesties of rechtshistorische onderwerpen werden door hem aangesneden. Op het gebied van de landbouwgeschiedenis toonde hij in het bijzonder belangstelling voor de verkaveling. Daarnaast hield hij zich bezig met de aard van het boerenbedrijf, het sociale leven van de boer en het ontstaan van de dorpen en de kleine steden. Opvallend is zijn grote aandacht voor het detail, dat ook in zijn poëzie zo duidelijk te bespeuren valt. Een aantal van deze artikelen fungeerde als voorstudie voor grotere werken, zoals De Friesche kleihoeve. Bijdrage tot de geschiedenis van den cultuurgrond vooral in Frieslanden Groningen (1934) en het eerste deel van Geschiedenis van de Friese landbouw (1952). Voor dit laatste werk werd hem in 1954 met zijn medeauteur, J.J. Spahr van der Hoek, de Joost Halbertsma-prijs verleend. Ook thans nog wordt dit historische werk door specialisten zowel als geïnteresseerde leken hoog gewaardeerd, al zijn niet al zijn conclusies houdbaar gebleken. Zelf was hij overigens kritisch genoeg om oorspronkelijk aangenomen opvattingen, zoals over het hoevestelsel op de Friese kleigronden, geheel te herzien.

'De Tsjerne' bracht in 1953 een Obe Postma-nummer uit.
Ter gelegenheid van zijn 85e verjaardag gaf De Tsjerne een bijzonder nummer uit en schilderde D. Osinga zijn portret.

Rely Jorritsma-prijs 1954 voor 'Fan de fjouwer eleminten'

It Beaken gaf een speciaal nummer uit toen hij 90 werd.

Het laatste gedicht van Obe Postma werd gepubliceerd in 'De Tsjerne' in 1962.

Obe Postma overleed op 26-06-1963 in het Leeuwarder Diaconessenhuis.
Hij werd op 01-07-1963 begraven aan de voet van de Nederlands Hervormde Kerk (zuidzijde) in Cornwerd.
Het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum bezit een olieverfschilderij (1958) en een potloodtekening (1953) van Obe postma door Dick Osinga en twee portetten door Gerben Rypma.

In 1978 en 1979 werd een tentoonstelling over hem georganiseerd door de letterkundige musea in Leeuwarden en Den Haag. Een verdiende eer voor de volgens velen belangrijkste Friese dichter van deze eeuw.

De provincie Friesland stelde in 1984 een literaire prijs in voor vertalingen: de Dr. Obe Postma-prijs. De prijs ging in 1984 naar Gerben Brouwer voor zijn vertalingen in de bundel 'Ljochte nachten'.

Websites: Nederland. http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn2/postma [05-09-2003]


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1483.