kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 21-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Plinius

. Plinius de Oudere, Romeins schrijver en wetenschapper (23-79), auteur van Naturalis Historia (De wereld).
. Plinius de Jongere, Romeins schrijver en staatsman (63-ca. 113), auteur van de 'Epistulae' = 'brieven'.

Plinius de Oudere was de oom (langs moederskant) van Plinius de Jongere. Hij was tevens zijn adoptievader.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Gaius Plinius Secundus maior (Como, rond 23 na Chr. - nabij Stabiae, 24 augustus 79), bijgenaamd maior, d.i. de Oudere, ter onderscheiding van zijn gelijknamige neef Gaius Plinius Caecilius Secundus minor, was een Romeins militair, letterkundige en amateur-wetenschapper.

Biografische gegevens
Hij werd geboren te Como rond 23 na Chr. en kwam om het leven in de buurt van Stabiae tijdens de uitbarsting van de Vesuvius, op 24 augustus 79.

Voor zijn opleiding kwam Plinius al vroeg naar Rome. Als jonge officier diende hij onder Corbulo. Later was hij keizerlijk procurator in verschillende gebieden (Germania, Gallia Narbonensis, Gallia Belgica en Africa) en ten slotte werd hij, als vertrouweling en adviseur van keizer Vespasianus, commandant van het vlooteskader te Misenum in de baai van Napels.

Tijdens zijn beroepsleven ontwikkelde hij tevens een grote literaire bedrijvigheid en legde hij zich toe op de studie. Hij staat bekend als een belezen man met universele weetgierigheid, die weinig behoefte had aan slaap en zeer veel las en excerpeerde. Tijdens de lectuur van belangrijke werken maakte hij aantekeningen waarmee hij zelf naslagwerken samenstelde op het gebied van het krijgswezen, de geschiedenis, de grammatica, de retoriek en de natuurwetenschappen.

Plinius werd het slachtoffer van zijn eigen wetenschappelijke belangstelling en zijn plichtsbetrachting: hij kwam om door verstikking (hij leed aan astma) tijdens de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n.Chr., toen hij zich naar het terrein van de ramp had begeven, niet alleen voor waarnemingen, maar ook met het oog op de evacuatie van geïsoleerde villabewoners. Hij voer van Misenum naar Pompei, maar deze stad heeft hij nooit bereikt, want het was te donker door het as van de vulkaan, dus voer hij naar Stabiae. Door de inlandige wind kon hij niet meer wegvaren en hij is gestorven aan de giftige gassen (zwavel en kooldioxide) die op hem veel meer impact hadden door zijn zwakke longen. De omstandigheden van zijn dood én van de uitbarsting werden uitvoerig beschreven door zijn neef Plinius de Jongere.

Literaire betekenis (Naturalis Historia)
Van de 160 collecties van uittreksel die uit Plinius' verzamelwoede voortkwamen, bezitten wij enkel nog de in 77 aan keizer Titus opgedragen Naturalis Historia (in 2004 vertaald als De wereld), een ware encyclopedie die bestond uit 102 boeken, waarvan er nog 37 van bewaard zijn, zonder veel kritische zin samengesteld, waarin een enorme massa feiten is opgenomen, over natuurwetenschappen, astronomie, aardrijkskunde, antropologie, biologie, geneeskunde, mineralogie (en aansluitend daarbij tevens belangrijke gegevens over de toepassing in en de geschiedenis van de beeldende kunsten).

Naturalis Historia is een verzameling van 37 boeken, waarin de Romein Plinius de Oudere halverwege de 1e eeuw na Chr. (het eerste boek verscheen in 77) alle hem bekende feiten en feitjes heeft verzameld, om zo te proberen een compleet beeld van de (toen bekende) wereld te geven. Men zou kunnen zeggen dat het de eerste poging was om een encyclopedie te maken.
Plinius verzamelde niet alleen, hij leverde vaak ook commentaar. Zo komt hij bij de beschrijving van de werelddelen tot de conclusie dat de wereld meer lengte heeft dan breedte en dat deze enigszins bol moet zijn, omdat de zon niet overal op dezelfde tijd opkomt.

In boek XVI beschrijft hij het boomloze land van de Chauken tussen de Noordzee en de wouden, waar mensen op terpen wonen en aarde als brandstof gebruiken. Ze moeten voor de opkomende oceaan vluchten op zelfgemaakte heuvels, lijden kou en kunnen geen vee houden. Tot overmaat van ramp moeten ze regenwater uit kuilen voor hun huizen drinken.

(...) wat is de natuur en karakteristieken van het leven van mensen die leven zonder bomen of struiken. We hebben inderdaad gezegd dat in het oosten, aan de kusten van de oceaan, een aantal rassen in zulke behoeftige condities verkeren; maar dit geldt ook voor de rassen van volkeren die de Grote en Kleine Ghaucen genoemd worden, die we gezien hebben in het noorden. Daar stort, twee keer in elke periode van een dag en een nacht, de oceaan zich met een snel getij zich over een onmetelijke vlakte, daarbij de eeuwenoude strijd van de Nature verhullend of het gebied tot het land of de zee behoort. Daar bewoont dit miserabele ras opgehoogde stukken grond of platforms, die ze met de hand hebben aangelegd boven het niveau van het hoogst bekende getij. Levend in hutten gebouwd op de gekozen plekken, lijken zij op zeelieden in schepen als het water het omringende land bedekt, maar op schipbreukelingen als het getij zich heeft teruggetrokken, en rond hun hutten vangen ze vis die probeert te ontsnappen met het aflopende getij. Het is voor hen niet mogelijk om kuddes te houden en te leven op melk zoals de omringende stammen, ze kunnen zelfs niet met wilde dieren vechten, omdat al het bosland ver weg ligt. Ze vlechten touwen van zegge en biezen van de moerassen om daarmee netten te kunnen uitzetten om vis te vangen, en zij graven modder op met hun handen en drogen het meer in de wind dan in de zon, en met aarde als brandstof verwarmen zij hun voedsel en hun eigen lichamen, bevroren in de noordenwind. Hun enige drank komt van het opslaan van regenwater in tanks in het voorhof van hun huizen. En dit zijn de rassen die, als ze nu overwonnen worden door de Romeinse natie, zeggen dat ze vervallen tot slavernij! Het is maar al te waar: Het lot spaart de mens bij wijze van straf.

Plinius' taal is niet echt verzorgd, maar zijn werk is van grote waarde als bron voor de kennis over zijn tijd. In zijn Naturalis Historia beschrijft Plinius ook de later naar hem genoemde Pliniusfontein in de buurt van de stad Tongeren, die hij wellicht heeft leren kennen tijdens zijn verblijf in Gallia Belgica.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Gaius Plinius Caecilius Secundus minor (bijgenaamd minor, d.i. de Jongere) was de neef en (na de dood van zijn vader) ook adoptiefzoon van Plinius de Oudere, en net als zijn oom letterkundige.

Biografische gegevens
Plinius werd geboren in 61-62 na Chr. te Como in Noord-Italië, en ontving zijn opleiding te Rome, waar hij les kreeg van de pedagoog Quintilianus. Hij verwierf zich een naam als advocaat en staatsman, en bekroonde zijn ambtelijke loopbaan in 100 met het consulaat. Plinius was bevriend met keizer Trajanus. Hij werd in 112 n. Chr. stadhouder van Bithynia, toen de toestand er uit de hand dreigde te lopen en de financiële en politieke toestand dringende sanering behoefden. Trajanus verleende Plinius daarvoor consulaire bevoegdheden. Plinius wordt vaak gezien als de verpersoonlijking van de homo litteraris van zijn tijd. Plinius overleed rond 114 na Chr.

Literaire betekenis
Van Plinius is een dankrede (Panegyricus) bewaard gebleven, gericht tot keizer Trajanus als dank voor het verlenen van het consulaat. Naar de mode van zijn tijd, is het werk geschreven in een gezwollen stijl, vol platvloers gevlei, eigen aan het genre.

Zijn beroemdheid als schrijver dankt Plinius de Jongere echter vooral aan zijn verzameling brieven (epistulae), die klaarblijkelijk met het oog op latere publicatie waren geschreven en door hem zelf als literaire essays zijn gepubliceerd. Ze zijn een sprekend bewijs van Plinius middelmatigheid, maar bezorgen toch bijzonder waardevolle inlichtingen over eigentijdse gebeurtenissen en over het gezelschapsleven in die dagen.
In de twee vermaardste brieven beschrijft hij aan de geschiedschrijver Tacitus de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr., die hij als zeventienjarige heeft meegemaakt, en waarbij zijn oom Plinius de Oudere het leven verloor. Historisch even waardevol zijn de brieven en rapporten aan zijn vriend keizer Trajanus, met wie hij vanuit Bithynia geregeld correspondeerde.

Een deel van de antwoorden van Trajanus zijn opgenomen in de verzameling, die onder meer een beroemd geworden brief aangaande de christenen bevat. Deze brief verschaft waardevolle inlichtingen over het leven van de eerste christenen en hun kerkdiensten (avondmaal, psalmen).

Plinius treedt ons uit zijn brieven tegemoet als een ontwikkeld en humaan persoon, die ondanks enige oppervlakkigheid en ijdelheid, een sympathieke figuur blijft, en die zich uitstekend thuis voelt in zijn tijd. Daardoor toont hij ons de keerzijde van het sombere en pessimistische tijdsbeeld geschetst door zijn tijdgenoot Juvenalis.

Plinius over het christendom
Hij vertelt dat hij overal waar hij kwam in zijn provincie christenen vond. Hun snel groeiend aantal was een belangrijk sociaal en economisch probleem geworden. Afkeuring van godsdienstige zijde en economische sancties waren er niet in geslaagd de opmars te stuiten, totdat hij aan de macht kwam en aan zijn superieur rapporteerde dat hij het mogelijk achtte, onder zijn capabel beheer, verandering in deze situatie te brengen. Degenen die het christelijk geloof trouw bleven werden door hem, als ze geen Romeins burger waren, ter dood gebracht. Anders werden ze op de transportlijst naar Rome gezet (een provinciebestuurder had blijkbaar niet het recht om romeinse burgers ter dood te brengen); zulke mensen waren duidelijk ongehoorzaam en verdienden te sterven. Maar hij gaf toe dat hij onthutst was over de aard van hun misdaad. Hun hele schuld lag hierin, dat zij weigerden het standbeeld van de keizer te aanbidden, of de beelden van de goden, en dat zij gewoon waren op een bepaalde dag (de zondag) een samenkomst te hebben voor het licht werd, waarbij zij lofzangen aanhieven voor Christus, als ware Hij een god. Zij legden een eed af om geen misdaden te begaan. Ze leefden voorbeeldig: men vond onder hen geen bedrog, geen overspel, diefstal of oneerlijkheid. Plinius was van zijn stuk gebracht door de kennelijke onschuld van dit alles, vandaar zijn brief aan de keizer. (Plinius, "brieven", 10.96) Ook in de gedeelte wordt over Jezus gesproken. Interessant detail is dat ‘Christus aanbeden werd alsof Hij een god was’. Verder wordt ook weer gesproken over de enorme snelle groei van het christendom in de 1e eeuw, en dat ondanks enorme christenvervolging.

Werk
Plinius Minor heeft tien boeken (de 'Epistulae' = 'brieven') geschreven. I-IX gaat over de correspondentie tussen zichzelf en zijn vrienden en boek X is later toegevoegd met de correspondentie met keizer Trajanus. De Stijl van het laatste boek is minder afgewerkt en onderdaniger. Een van de bekendste brieven is de brief van Plinius Minor aan zijn vriend de geschiedschrijver Tacitus, waarin hij vertelt over de dood van zijn oom. De meeste brieven zijn met een terugkerend patroon geschreven. Het begint met de aanspreking, dan volgen de eigenlijke tekst, een 'sententia' (een persoonlijke terugblik van de schrijver op de inhoud van de brief met een opvallende formulering) en de afscheidsgroet 'vale'. De Latijnse tekst en een Nederlandse vertaling zijn te vinden op GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Plinius


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 93.