kunstbus







Poète Maudit

Benaming voor een miskende en/of maatschappelijk onaangepaste dichter, zoals Francois Villon, Edgar Allan Poe en Oscar Wilde.

Poètes maudits is oorspronkelijk de naam van een groep dichters ontleend aan een artikelenreeks uit de jaren 1884-1888 van Paul Verlaine getiteld ‘Les poètes maudits’ (de verdoemde dichters) in het tijdschrift Lutèce, waarin de destijds vrijwel nog onbekende dichters Corbière, Rimbaud en Mallarmé naar voren werden geschoven.

Bij uitbreiding doelt de term op dichters die op maatschappelijke (bohémien) of psychologische gronden dan wel door lichamelijke aftakeling aan de rand van de samenleving terecht kwamen. In de Nederlandse letterkunde zou men kunnen wijzen op Willem Kloos en J.J. Slauerhoff.

Volgens Rodenko is de poète maudit herkenbaar aan zijn ‘poésie maudite’: dichtwerk waarin een belangrijke plaats is ingeruimd voor het kwaad (satanisme). In die zin vallen daar schrijvers onder als Baudelaire en Slauerhoff.

Het beeld van de poète maudit als onbegrepen verschoppeling die zich in de ‘gewone’ wereld niet thuis voelt, is klassiek geworden door Baudelaires gedicht ‘De albatros’, opgenomen in Les Fleurs du Mal (1857) (De bloemen van het kwaad).

De albatros

Vaak vangt het scheepsvolk, om verveling te verdrijven,
De vogel albatros die op zijn wieken wijd,
Als lome reisgenoot, elk schip nabij kan blijven
Dat over 't bitter diep der oceanen glijdt.

Maar amper prest men hem om op het dek te landen,
Of deze vorst van het azuur sleept gelijk twee
Peddels zijn grote, witte vleugels tot zijn schande
Grotesk en zielig aan weerszijden met zich mee.

Gevleugeld reiziger, nu krachteloos, onhandig!
Komiek en lelijk ook, voorheen zo'n lust voor 't oog!
De een brandt met een pijp zijn snavel en de ander
Hinkt honend het onmachtig dier na dat eens vloog!

De Dichter is gelijk die prins der hemelsferen,
Hij die met storm verkeert, lacht boog en schutter uit;
Gebannen aan de grond, waar spotters hem kleineren,
Wordt hij door reuzenwieken in zijn gang gestuit.


Oorspronkelijke titel: Les fleurs du mal
Vertaler: Peter Verstegen

De dichter wordt vergeleken met een albatros, die dankzij zijn machtige vleugels aan het aardse kan ontstijgen. Wanneer hij echter naar de grond wordt gelokt, zijn het die zelfde vleugels die hem verhinderen om weer aan het wereldse bestaan te ontsnappen.
Slauerhoff vertaalde het slot van Baudelaires gedicht als volgt:
Ten grond gehaald bij ’t hoongelach dermenigt’,
Maken zijn reuzenvleugelen zijn voeten kreupel.
” (Slauerhoff 1998, p. 387)

Charles Baudelaire deelde een groot gedeelte van zijn moeilijk, door schuldeisers achtervolgd bestaan met de mulattin Jeanne Duval; de gedichten voor haar en enkele andere vrouwen in zijn leven vormen het hart van dit boek en behoren tot de mooiste liefdespoëzie die er geschreven is. Baudelaires werk staat enerzijds in het teken van de zwarte romantiek, door zijn fascinatie met het lugubere en satanische, het onbehagen van de mens met zijn lot; anderzijds stond hij als eerste poète maudit lijnrecht tegenover de romantische opvatting van de dichter-ziener die de mensheid verlicht op haar reis naar een betere toekomst. Hij verwierp fervent ieder geloof in vooruitgang.
Waar de Duitse dichters Goethe, Schiller en de Fransman Lamartine de mens wilden 'opvoeden' op weg naar een betere toekomst, wees Baudelaire dit af. Zijn visie: de kunstenaar is gedoemd om onbegrepen te blijven tussen niet-kunstenaars.

Websites:
. www.ingmarheytze.nl
. www.dbnl.org
. owen.blogse.nl



privacybeleid