kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Simon Vinkenoog

Simon Vinkenoog (1928).

Simon Vinkenoog, 1968. Foto: Ben Wolff.

Nederlands journalist, dichter en prozaschrijver (Amsterdam 18.7.1928).

Moderne Sjamaan, bewustzijnsverruimer, mediator, archivaris, schrijver, dichter, Leidsepleintijger en volkstuinier: dat zijn slechts enkele trefwoorden om Simon Vinkenoog (1928) mee te beschrijven. De dichter schreef behalve dichtbundels ook romans, hij maakte bloemlezingen en vertalingen, publiceerde in diverse tijdschriften, introduceerde De Vijftigers en organiseerde happenings, jazz en poëziefestijnen.

Op 18 juli 1928 wordt Simon Vinkenoog geboren, als enig kind uit het huwelijk van Hendrik Albert Vinkenoog en Anna Katharina van Meel. In 1934 scheiden zijn ouders. Simon wordt aan zijn moeder toegewezen. Hij bezoekt verschillende lagere scholen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog volgt hij de MULO en behaalt in 1944 zijn vierjarig einddiploma en ontwikkelde zich verder autodidactisch tot homo universalis.

Vinkenoog is dan twee jaar jongste bediende bij uitgeverij Querido.

1946 Trouwt
In 1947 wordt zijn zoon Robert geboren, na een mislukt huwelijk verlaat hij vrouw en kind.

Parijs
In september 1948 vertrekt hij met zijn acht jaar oudere tweede vrouw Judith Chrispijn naar Parijs. De eerste tijd voorziet hij in zijn levensonderhoud door te poseren voor Ossip Zadkine (1890-1967) en andere beeldende kunstenaars zoals Appel, Tajiri en Corneille. Hij trof daar regelmatig schrijvers onder wie Claus, Campert en Hanlo. In Nederland ontstond het tijdschrift Braak waarin bijvoorbeeld Remco Campert en Rudy Kousbroek zich manifesteerden.

In 1949 wordt hij pakhuisknecht bij de UNESCO, waar hij tot 1956 werkzaam zal zijn en zich op weet te werken tot ‘special request documents officer' ( archivaris ).

1950 Schrijft 'Brieven uit Parijs' ten behoeve van Ad Interim, Litterair paspoort en De gids; publiceert gedichten in Podium; publiceert gesprekken met Franse schrijvers in Litterair paspoort en schrijft een artikel in De gids over Jean Genet; intensieve correspondentie met Paul Rodenko, Jan Hanlo en Ad ten Besten

Vanuit Parijs gaf hij in Nederland het gefotokopieerde avantgardistische eenmanstijdschrift Blurb uit (1950-1951, 8 nummers, in fascimile heruitgegeven in 1962). Simon Vinkenoog stuurde zijn Blurb uit Parijs iedereen toe, ook die er niet om vroegen.

In 1950 debuteerde hij met de dichtbundel Wondkoorts.

Hij sluit zich aan bij de Vijftigers, van wie hij werk in de bloemlezing Atonaal (1951) liet verschijnen.

Atonaal (1951) ( bloemlezing )
Op verzoek van de uitgever A.A.M. Stols stelt hij Atonaal (1951) samen, een anthologie van dichters die zich daarvoor 'ondergronds' bevonden en die als de '' Beweging van Vijftig '' later verbasterd tot '' De Vijftigers '' de literatuurgeschiedenis in zullen gaan. 'Ik was toen net in het zesde nummer van Blurb tekeergegaan tegen de enquête over de jonge Nederlandse poëzie in Elseviers Weekblad. Ik had geschreven dat men de hele ondergrondse poëzie over het hoofd had gezien. Het woord bestond toen nog niet maar die dichters waren inderdaad ondergronds. Toen zei Stols: ‘Nou, maak er dan maar een bloemlezing van.'

De Vijftigers, Een aantal individuele dichters zoals Andreus, Campert, Claus, Hanlo, Kouwenaar, Lodeizen en Lucebert die zich afzetten tegen het heersende dichtklimaat. Hun gedichten maakten meer gebruik van assonantie, alliteratie en ritme dan van eindrijm en was daardoor vaak geschikt als voordrachtspoëzie.

Vinkenoog verhuist diverse malen binnen Parijs en ontmoet zijn derde vrouw Ferdy.

Land zonder nacht (1952)
Heren Zeventien (1953)

Zolang te water (1954)
In Parijs schrijft hij zijn eerste roman Zolang te water. Een boek vol autobiografie, walging en exhibitionisme.

Lessen uit de nieuwe school van taboes (1955)

Amsterdam
Na acht jaar Parijs keert hij in 1956 weer terug naar Amsterdam. Vinkenoog heeft lang te kampen met aanpassingsmoeilijkheden.

Tweespraak (1956)
Enkele reis Nederland (1957) ( poëzie )

Onder eigen dak (1957)

Wij helden (1957)
Van een zelfde sfeer als ''Zolang te water'' is zijn tweede roman Wij helden (1957).
‘Het boek: koel en onversierd, mijn gevoelens ingetogen houdend; de handeling en ontknoping beklemde mij, maar het boek kon niet anders. Ik groeide boven de haat en afkeer uit, die de jaren daarvoor hadden gekenmerkt, en in feite moest ik nog geboren worden voor de dingen die mij later zouden komen te geschieden.'

1957 Houdt een serie interviews voor De Haagse post; werkt als assistent ter hoofdredactie bij De Haagse post; ontmoet de beatschrijvers Allen Ginsberg, Gregory Corso en Peter Orlovsky

1958 Maakt een televisiedocumentaire voor de VPRO (De taal van de machine)

Tijdens een medisch experiment in het Wilhelminagasthuis maakt hij in 1959 kennis met LSD. ‘Ik kreeg [door LSD-gebruik] oog voor dimensies die ik daarvoor niet kende. Tijd en ruimte bleken geen vaststaande begrippen te zijn. Daar had ik voor mijn 31ste geen idee van gehad. Toen ik die LSD kreeg zag ik wat echt was in mijzelf.'

1960 Neemt een elpee op met gesproken poëzie (Stem uit de groef)

1961 Maakt een serie literaire radioprogramma's voor de VPRO (Het woord betrapt)

Eind 1961 neemt hij zijn ontslag bij de Haagse Post en wordt beroepsschrijver: free lance-journalist, schrijver van televisiedocumentaires en -films, medewerker aan radioprogramma's, organisator van poëziemanifestaties, vertaler enz.

Hij was medeoprichter van het tijdschrift Randstad (1961).

1962 Stelt met Armando en Hans Sleutelaar voor het tijdschrift Gard-Sivik het speciaal themanummer 'Taboes' samen; trekt zich drie maanden terug op Ibiza en organiseert na terugkeer de happening 'Open het graf' (als reactie op 'Open het dorp')

Drie staat tot één (samen met H. Andreus en N. Verhoeven, 1962) ( poëzie )
Spiegelschrift (1962)

Hoogseizoen (1962)
Schrijft als eerste in Nederland over de drugs-sien van het Leidseplein, zijn derde roman Hoogseizoen.

1963
Schrijft teksten bij litho's van Constant, New Babylon.
Organiseert serie Jazz & Poetry avonden in de Amsterdamse jazzclub Sheherezade.

Medeoprichter van het tijdschrift Kunst van Nu (1963).

Het verhaal van Karel Appel (1963) ( biografie )
Preambuul voor een nieuwe wereld (1963) ( proza )

Eerste gedichten 1949-1964 (1965)

Februari 1964 wordt hij voorwaardelijk veroordeeld tot zes weken voor het in bezit hebben van ,16 gram marihuana. Een tweede proces volgt in december 1964 en moet hij in maart-april 1965 zes weken uitzitten in het Utrechtse Huis van Bewaring. Het dagboek dat hij daar heeft geschreven verschijnt pas in 1980 onder de titel Tegen de wet.

1965 Publiceert , een 'biecht-dagboek-essay-gedicht-betoog-autobiografie-journalistiek-mystiek'.
Treedt op bij de Wholly Communion, een poëzieavond in de Royal Albert Hall in Londen (8.000 bezoekers).
Schrijft mee aan een filmscript in Turkije (niet gerealiseerd).
Vertaalt de roman Toxique van Francoise Sagan in het Nederlands.
Presenteert driedaagse manifestatie in Brussel (Poëzie in het Paleis)

Vinkenoog trad maar liefst zes maal in het huwelijk. Ook ondernam hij tal van (verre) buitenlandse reizen. Zijn literaire werk is de weerspiegeling van zijn bewogen leven, dat in zijn eerste dichtbundels, alle verzameld in Eerste gedichten 1949-1964 (1965), en in zijn autobiografische bekentenisromans Zolang te water (1954), Wij helden (1957) en Hoogseizoen (1965) uiting gaf aan een pessimistisch existentialisme: machteloosheid tegenover een `valse wereld', waartegen hij zich, eerst onder invloed van Achterberg en Lodeizen, later van Antonin Artaud, een `levensdriftig' bestaan op papier opbouwde.

Romans heeft Vinkenoog na Hoogseizoen (1962) niet meer gepubliceerd. De prozaboeken die daarop gevolgd zijn en een tiental dichtbundels, bloemlezingen en vertalingen, getuigen van zijn rol als schrijver/dichter, bewustzijnsverruimer, mediator, archivaris, profeet, chroniqueur van ‘de andere wereld'.

tweede periode
Aanvankelijk was 'haat' het belangrijkste thema bij Vinkenoog. Later werden zijn gedichten associatief en spiritueel van aard en kwam het thema 'liefde' centraal te staan.

Vormelijk was zijn poëzie en proza gekenmerkt door een zekere breedsprakigheid en gebrek aan structuur, maar zij waren op vele plaatsen pregnant van beeldspraak. Steeds hield hem bezig wie hij eigenlijk wel was en wat hij van zichzelf verwachtte. Voor beide `angstige vragen' vond hij omstreeks 1964-1965 het antwoord in wat hij zijn `zelfrealisatie' noemde, en dat hij verwoordde in Aan het daglicht (1971). De kentering naar het optimisme van deze futurologische heilsleer zette in met alweer een autobiografisch boek, Liefde (1965), gevolgd door Weergaloos (1968) en de bundel verzamelde gedichten Wonder boven wonder (1971) waartussen een groot aantal verzamelde teksten van lezingen, voordrachten en essays over marihuanagebruik (The Book of Grass, samen met George Andrews, 1967, Het moederkruid, 1970), de yinyangologie (Tussen wit en zwart - het ABC van de I Ching, 1971), geestelijke volksgezondheid (Het hek van de dam, 1971) enz. het licht zagen.

Levensbeschouwelijk heeft zijn werk in deze tweede fase met magie, mystiek, occultisme en parapsychologie te maken, terwijl de fictie heeft plaatsgemaakt voor een hartstochtelijke registratie van ontmoetingen, happenings, leeservaring en bewustzijnsverruiming door drugs. Het is ook in dezelfde geest dat hij de poëzie als `taaltheater' in Londen, Amsterdam en Brussel ten beste gaf.

Liefde (1965), ‘zeventig dagen op ooghoogte', wordt een totaal andere wereld beschreven dan in Tegen de wet. Angst en walging hebben plaats gemaakt voor liefde. ‘Ik knoop als een dolleman eindjes aan elkaar, de kaleidoscoop toont altijd alles. Een bont mozaïek, een grillig tapijt: alles wat waar is, is goed.'

Poëzie in Carré
In 1966 was hij de drijvende kracht achter Poëzie in Carré, het eerste grote poëziefestival van Nederland, een poëzie-avond met 26 dichters.
Stelt een dubbelnummer samen over avant-gardistische kunst voor het tijdschrift Randstad ('Manifesten & manifestaties').
Initiatiefnemer Nederlandse Sigmavereniging (voorloper van huidige Paradiso) in Amsterdam voor toneel-, dans- en muziekworkshops, lezingen en poëzie voordrachten (in 1967 gesloten)

Manifesten en manifestaties (1967) ( proza )
The Book of Grass (1967)
Vogelvrij (1967) ( proza )

1967 Vult dubbelnummer van het tijdschrift Maatstaf ('LSD-25'), met artikelen over psychedelische ervaringen

Weergaloos (1968)

Sinds 1968 schreef hij voor het spirituele tijdschrift Bres.

Leven en dood van Marcel Polak (1969) ( proza )
Het moederkruid (1970)
Aan het daglicht (1971)
Het hek van de dam (1971)
Tussen wit en zwart - het ABC van de I Ching (1971)
Wonder boven wonder (1971)
To Timothy Leary, magiër (1972) ( proza )
Niet niets. De kunst van het sterven (1974) ( proza )
Mij best (1976) ( poëzie )
De andere wereld (1978) ( proza )
Het huiswerk van de dichter (1978) ( poëzie )
Levend licht (1978) ( proza )
Tegen de wet (1980) ( proza )
Voeten in de aarde en bergen verzetten (1982) ( proza )
Maandagavondgedichten (1985)

1985 Jurylid George Orwell-Globe-Literatuurprijs
1986 Ontvangt de G.H. 's-Gravesande-Prijs voor 'zijn stimulerende activiteiten op het terrein van de literatuur, in het bijzonder van de poëzie'

Jarings jaren '60 (1986)
Stadsnatuur (1986)
Op het eerste gehoor (1988)
Brieven 1950-1956 (1989)
Louter genieten (1993)

1993 Ontvangt Johnny van Doorn-Prijs voor de gesproken letteren voor 'zijn benadering van literatuur waarbij het experiment een centrale rol vervult'
1994 Jurylid C.Buddingh'-Prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie

1994 Bloemlezing uit de poëzie van Simon Vinkenoog
Vinkenoog begeleidde de literaire revolutie van de experimentele dichters met de bloemlezing ' Atonaal '. De veelzijdige, cosmopolitische Vinkenoog, die ook een link legde naar de verwante schildersgroep Cobra, fungeerde als bindende kracht. Buiten de poëzie promootte Vinkenoog jazz en psychedelische ervaringen en vergrootte hij als 'zingzeggende moderne druïde' de tolerantie voor 'gesproken poëzie' die in onze Nederlandse cultuur op verzet stuitte. Zijn gedichten met hun minachting voor het traditionele, rancunes, maar ook angst, mededogen en liefde, zijn zeker programmatisch voor de experimentele dichtkunst. Maar Vinkenoog mist het volstrekt eigene van een groot talent en ook het meesterschap over de taal zoals zijn kornuiten Lucebert, Campert en Lodeizen dat bijv. tentoonspreidden. De inleiding van de neerlandicus Coen de Jonge neigt naar kritiekloos bewieroken. De bundel lijkt me dan ook interessanter voor professionelen dan voor zomaar een bevlogen poëzieliefhebber. - Els van Geene.

1996 Het hoogste woord
Simon Vinkenoog, aanvankelijk deel uitmakend van de Vijftigers of Experimentele Dichters, zoekt al jaren aansluiting bij een eeuwenoude orale traditie: hij wil per se voor een publiek staan, zijn gedichten laten hóren en er een boodschap bijdoen: mens, kom weer tot jezelf, heb gevoel en mededogen, zoek de bron: de goede aarde. Daartoe kon hij niet langer de complexe autonome beelden van de Vijftiger poëzie gebruiken. Het werd weer het direct geplaatst woord, vaak omlijst door muziek en veel 'theater'. Geïnspireerd door zijn internationale contacten ontwikkelde Vinkenoog zich tot de peetvader van de Nederlandse 'performance poetry'. Podiumkunst vereist retorische middelen als: de herhaling, de hyperbool en 'zingende klanken'. Hierdoor èn omdat deze bundel veel gelegenheidsgedichten bevat, is het 'leesgenot' niet erg hoog. - Els van Geene.

1996 Jurylid Geertjan Lubberhuizen-Prijs
1998 Vast jurylid van de Poetry Slam in Amsterdam

Herem'ntijd (1998)
Vreugdevuur (1998)

2000 De ware Adam
De samensteller Coen de Jonge koos voor deze uitgave uit ongebundeld werk van Vinkenoog, meest voor speciale gelegenheden geschreven. De gelegenheden tekenen het feit dat Vinkenoog allereerst een dichter is in een sociaal-culturele context: vernissages, een jazzfestival, het Amsterdams Vijftigercafé Eylders als omgeving voor de eerste ontmoeting met Campert, een gedicht voor Rushdie. De bundel toont de ware Vinkenoog: een vormenvariatie waarbij ook een vet rijm als het uitkomt niet gemeden wordt; een mengeling van ongebreidelde lyrische uitbarstingen met een naïef, pancultureel vrijheidsmoralisme. Bij God en Vinkenoog is alles mogelijk. De enorme vitaliteit die hem kenmerkt laat zijn poëzie wel eens tekort komen. Dan maalt hij te lang op een vondst door. Maar bij Vinkenoog neem je dat voor lief. - Hans Groenewegen

Me and my peepee (vertalingen van gedichten van Allen Ginsberg)
vertalingen van poëzie van Allen Ginsberg (2002)

Goede raad is vuur (2004)
Al sinds ‘Poëzie in Carré' is de inmiddels 75 jaar geworden Simon Vinkenoog een enthousiast promotor van poëzie in het algemeen en van het voordragen van poëzie in het bijzonder. Zijn vele belevenissen op dit vlak vormen de basis voor deze bundel verhalen. Recentelijk heeft Vinkenoog weer veel ervaring opgedaan met jonge dichters, als jurylid van de Poetry Slam in Amsterdam. Dit boek wil Vinkenoogs passie voor de poëzie overdragen, en niks is in dit verband sprekender dan de titel: ‘Goede raad is vuur'.

Op 23 februari 2004 werd Simon Vinkenoog na een spannende verkiezingsstrijd via Rottend Staal Online uitgeroepen tot de tweede Dichter des Vaderlands om zo een opvolger van de onverwacht afgetreden eerste Dichter des Vaderlands, Gerrit Komrij, te kunnen benoemen. Hij blijft in functie tot Gedichtendag 2005 (27 januari 2005). Dan wordt de derde DDV benoemd.

Vinkenoog vertaalde nog werk van o.a. F. Sagan en A. Huxley.

Websites: www.dbnl.org, VPRO Boeken


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2119.