kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Thomas Mann

Thomas Mann
Thomas Mann, Lübeck 6 juni 1875 - Zürich 12 aug. 1955, Duits auteur,

Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, was de zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. Dit huwelijk bracht nog drie kinderen voort, Julia (1877), Carla (1881) en Viktor (1890). Thomas Mann beschreef later de dagen van zijn kindheid als gelukkig en zorgeloos.

In zijn schooltijd toonde Thomas Mann geen groot interesse aan de les, alhoewel hij niet onbegaafd was. Thomas Mann was zich blijkbaar erg bewust van zijn roeping als literator, wat bleek uit een nog steeds goed behouden brief uit 1889, waarin de 14-jarige de brief afsluit met 'Thomas Mann, lyrisch-dramatischer Dichter'.

1891 stierf zijn vader aan de gevolgen van blaaskanker. In zijn laatste wil had hij geuit, dat zijn eigen opgerichte bedrijf en het familiehuis verkocht moesten worden. Daarna leefde de familie Mann van de rente van de verkoop.

Thomas Mann verliet 1894 het gymnasium en verhuisde naar München, waar zijn moeder en gezusters al enige tijd woonden. Daar introduceerde Richard Dehmer Thomas Mann in het schrijversberoep.

Van 1896 tot 1898 ging Thomas met zijn broer op reis naar Italië.

Hij was korte tijd volontair bij een verzekeringsmaatschappij en studeerde enkele jaren aan de technische hogeschool. Hij werkte mee aan verscheidene tijdschriften, o.a. aan Frühlingssturm, Das Zwanzigste Jahrhundert (door Heinrich uitgegeven) en Simplicissimus.
De voogd, die na De Dood van Thomas Mann's vader in huis was gehaald, bepaalde dat Thomas na het gymnasium een burgerlijk beroep zou kiezen. Thomas accepteerde dit en besloot om voor een verzekeringsmaatschappij te gaan werken. Deze bezigheid was voor Thomas Mann saai en pretentieloos, en er is een tot op de dag van vandaag onweersproken anekdote, dat Thomas Mann tijdens zijn werk stiekem ook als literator bezig was. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen", die in het tijdschrift "Wohlgefallen" gepubliceerd werd.

1895 stopte Mann met werken bij de verzekeringsmaatschappij en begon aan een studie aan de "Technische Hochschule" in München. Hij was eerst van plan om een journalistiek beroep te leren. Maar de doellozigheid die hij reeds in zijn werk op school had getoond, zette hij voort in zijn studie. Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver.

Zijn eerste bundel die hij uitbracht was, ‘Der kleine Herr Friedemann' in 1898.

Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig.
Thomas Mann (1875-1955) schreef De Buddenbrooks toen hij zesentwintig was. Het boek werd een eclatant succes, zowel bij het publiek als bij de critici. Het succes van De Buddenbrooks maakte hem financieel onafhankelijk en vormt ook in deze zin het hechte fundament van zijn weergaloze oeuvre.

Op een groot doek schildert Thomas Mann de levensgeschiedenis van vier generaties Buddenbrook, een voornaam koopmansgeslacht uit Lübeck. Johann Buddenbrook sr., de patriarch van de familie, en diens zoon Johann jr. hebben de grondslag gelegd en uitgebouwd voor de solide en machtige familie- en firmatraditie. Maar de kinderen van Johann jr. vertonen symptomen van decadentie die het imperium van degelijkheid en welstand dreigen te ondermijnen. Dochter Toni weet zich geen duidelijk doel in het leven te stellen, Christian is het voorbeeld van een zoon die niet wil deugen en Thomas, die de leiding van het bedrijf overneemt, is veel te kunstzinnig voor de harde handelspraktijk. In Thomas' zoon Hanno, de vierde generatie, bereikt de tegenstelling tussen burger en Kunstenaar - een van Thomas Manns grote thema's - een symbolisch hoogtepunt. Hanno is frêle en ziekelijk, dol op muziek, en vervuld van creatieve impulsen en verlangens die hij niet kan beheersen. Hij sterft jong en sleept de grote familietraditie in zijn ondergang mee. De typische decadentie van het fin de siècle heeft de kracht en vitaliteit van een machtig en welvarend koopmansgeslacht in enkele generaties volledig gesloopt.

Thomas Mann wordt beschouwd als een van de belangrijkste Duitse schrijvers in de eerste helft van de 20ste eeuw. Zijn oeuvre omvat novellen, romans, musicologische en letterkundige studies en essays. Vanuit zijn eigen aanleg bevond hij zich, evenals zijn broer Heinrich, in de ban van het fenomeen van de Kunstenaar, die ook bij hem neurasthene trekken vertoont. Ook voor Thomas bestond de tegenstelling kunstenaar-burger, maar op geheel andere wijze. Hij leed eronder, omdat hij zich noch met de een noch met de ander kon identificeren. Hij stond ertussenin, had trekken van beiden, maar behoorde nergens bij, wat een kil eenzaamheidsbesef bij hem opriep. Vaak brengt hij zijn positie in verband met zijn deels burgerlijke, deels exotische afstamming. Deze thematiek vindt haar treffendste neerslag in de novelle Tonio Kröger (1903), maar speelt door heel zijn oeuvre.

In 1905 trouwde hij met Katharina (Katja) Pringsheim. en krijgt 6 kinderen met haar.

‘Königliche Hochheit', 1909.

1913 Dood in Venetië (Der Tod in Venedigen)
De vijftiger Von Aschenbach - in de film een componist, in het boek een schrijver - bevindt zich als Kunstenaar in een crisis. Ondanks de overtuiging van zijn eigen meesterschap en zijn publieke succes heeft hij de indruk dat zijn werk iets mist: 'de kenmerken van een vurig speelse geest'. Hij is een man met ijzeren discipline en doorzettingsvermogen en wil zich bevrijden van het keurslijf van 'van jongs af aan beoefende zelftucht'. Hij reist af naar Venetië, in de hoop op 'een nieuwe geestdrift en verwarring, een laat gevoelsavontuur'.
In Venetië stuit hij op een Pools gezelschap, waarin de betoverend mooie jongeling Tadzioe verkeert. Aanvankelijk meent hij nog dat het om een louter esthetische verrukking gaat, maar al snel komt zijn verblijf geheel en al in het teken van deze jongen te staan. Alleen al het opklinken van diens naam op het Strand brengt hem in vervoering. De jongen is de katalysator van zijn onderkoelde gevoelsleven. Onder het Vernis van zijn Pruisische gestrengheid broeit en gist een amalgaam van verdrongen lust en doodsverlangen.
De Dood is in de hele roman als een sijpelende onderstroom aanwezig - terloops, in allerlei details (een gondel die de vergelijking met een doodskist oproept), gaandeweg steeds onmiskenbaarder door de met veel geheimzinnigheid omgeven cholera-epidemie in Venetië. Mann laat de dreigende gebeurtenissen in de buitenwereld subtiel samenvallen met 'het avontuur van zijn hart'. Zoals de cholera Venetië berooft van zijn morele grondslag (criminaliteit en prostitutie tieren welig), zo slaat de obsessie voor Tadzioe de bodem onder het bestaan van Von Aschenbach weg. De man die altijd alles onder controle had, die de afgrond voor altijd dacht te hebben bezworen met zijn Pruisische discipline, wordt hier van z'n ankers geslagen vanaf het moment dat hij de sluizen van zijn gevoelsleven openzet en Eros zich meester maakt van zijn bestaan.
Bron: Alle Lansu, 5-3-199, Het Parool

Ook De Dood fascineerde hem. In dit alles spreekt de in zijn beginjaren sterke verwantschap met Schopenhauer, Nietzsche en Richard Wagner. De schrijver poogde, naar eigen zeggen, zijn problemen door schrijven de baas te worden, te neutraliseren. Hij deed dit op tweeërlei wijze: in de vorm van werken waarin hij parabelsgewijs zijn ideeën vertolkte, en in de meer directe vorm van essays. Na een crisis, mede veroorzaakt door de Eerste Wereldoorlog, maakte de doodsfascinatie plaats voor een positievere waardering van het leven: hij stond nu een humaniteitsideaal voor, gebaseerd op onderling respect. Hiervan getuigt o.a. de 'tijdroman' Der Zauberberg (1924).

Hij ontving in 1929 de Nobelprijs voor Literatuur, vooral uit waardering voor Buddenbrooks.

In 1933 ondernemen Thomas en Katja een reis door Europa, maar zien zich vanwege Hitlers machtsovername genoodzaakt niet terug te keren naar Duitsland.

Tussen 1933 en 1943 verscheen de tetralogie Joseph und seine Brüder, een psychologische benadering van een aan de Bijbel ontleend, mythisch gegeven.

Zijn werken waren van 1933 tot 1945 in Duitsland verboden. Na de Oorlog kritiseerde hij niet-geëmigreerde anti-nationaal-socialistische schrijvers om het feit dat zij gebleven waren. Dit schaadde zijn aanzien in Duitsland zeer. Thans echter wordt hij ook daar weer gewaardeerd als een van de grote figuren van zijn tijd.

In 1933 verliet hij Duitsland en vestigde zich, na een kort verblijf in Frankrijk, in de buurt van Zürich (tot 1938).

De Duitse nationaliteit werd hem (evenals zijn eredoctoraat van de universiteit van Bonn) ontnomen en hij nam de Tsjechische aan (1936).

Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal-socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger (Deutsche Ansprache, ein Appell an die Vernunft, 1930; Achtung Europa! Aufsätze zur Zeit, 1938).

In 1938 emigreerde hij naar de Verenigde Staten, gaf gastcolleges aan de universiteit van Princeton (N.J.).

‘Mario und den Zaubere' in 1939

Een grandioze reanimatie was de schildering van Goethe in zijn nadagen in de roman Lotte in Weimar (1939).

Mann vestigde zich in 1940 in Californië (tot 1952).

In oorlogstijd verzorgt hij voor de BBC 25 radio-uitzendingen naar Duitsland.

In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap.

Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw.

In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland.

In 1952 vertrok hij naar Zwitserland.

Op het eind van zijn leven greep hij opnieuw naar het oude Motief van de Kunstenaar als verdacht individu, in de onvoltooid gebleven roman Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull (1937; def. uitg. 1954).

Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull
Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull is een typische schelmenroman. Het is het ondeugende, avontuurlijke verhaal van een niet al te betrouwbare opschepper. Felix Krull is een fantast, een aartsleugenaar en een zeldzame charmeur die zich aan alle situaties aanpast, die andermans zwakke kanten moeiteloos aanvoelt en daarvan schaamteloos misbruik maakt. De mensen willen nu eenmaal bedrogen worden...

Deze picareske roman is zowel een van de eerste werken van Mann als ook zijn laatste. De latere meester van De Toverberg, De Buddenbrooks en Doctor Faustus begon namelijk al in 1910 aan dit groots opgezette boek, waarmee hij wilde aantonen dat Kunstenaars en misdadigers verwante zielen zijn. In 1913 gaf hij er de brui aan om pas aan het eind van zijn leven aan het boek verder te werken. Na de verschijning in 1954 dacht hij over een vervolg, maar bij zijn dood (een jaar later) bleek hij er niets aan te hebben toegevoegd.

Op 2 juli 1955 reist hij voor enkele voordrachten nog naar Den Haag. Hij ontvangt er het Commandeur-kruis van de Orde van Oranje-Nassau. Op 14 juli wordt Mann door koningin Juliana ontvangen.

Op 12 augustus 1955 stierf hij als gevolg van een hartkwaal.

Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921. Met de Tagebücher 1933-1934 begon Peter de Mendelssohn in 1978 aan de uitgave van alle dagboeken. Na zijn dood zette Inge Jens de uitgave voort. In 1996 verscheen het laatste deel. In Zürich is het Thomas Mann-archief gevestigd.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 4922.

Tweets by kunstbus