kunstbus







De vervoeging [-en] v

Vormverandering van een werkwoord.

Vervoeging of conjugatie is het veranderen van de vorm van een werkwoord om de tijd, persoon, genus, modus of aspect aan te geven. Het veranderen van naamwoorden is hier enigszins mee vergelijkbaar en heet verbuiging.

Zogeheten isolerende talen, zoals het Mandarijn-Chinees, vervoegen werkwoorden helemaal niet, omdat er andere woorden gebruikt worden om de betekenisaspecten weer te geven die in andere talen door middel van de vervoeging worden weergegeven. Andere talen zoals het Latijn ontlenen zoveel mogelijk betekenisaspecten juist weer aan de vervoeging.

Veel moderne talen, zoals het Nederlands, gebruiken zowel de vervoeging als aanvullende woorden om de betekenis aan te geven. Er is daarom onderscheid te maken tussen buigingsrijke ofwel synthetische talen, zoals het het Latijn, Russisch en in iets mindere mate het Duits enerzijds, en buigingsarme ofwel analytische talen, zoals het Engels en in iets mindere mate het Nederlands anderzijds.

Werkwoord (Nederlands)
Werkwoorden vormen een woordsoort die een handeling, gebeurtenis of toestand uitdrukken of helpen uitdrukken. Werkwoorden kunnen een groot aantal verschillende vormen aannemen, afhankelijk van de bedoelde betekenis of de functie in de zin. Het maken van deze verschillende vormen wordt 'vervoeging' of conjugatie genoemd.

Onder vervoeging worden de vormveranderingen verstaan bij werkwoorden, waarmee tijd, persoon, getal en/of wijs worden uitgedrukt:
. Tijd - het brandt (onvoltooid tegenwoordige tijd) - het brandde (onvoltooid verleden tijd)
. Persoon - ik loop (eerste persoon) - jij loopt (tweede persoon)
. Getal - hij werkt (enkelvoud) - zij werken (meervoud)
. Wijs - wij stonden (aantonende wijs) - sta stil! (gebiedende wijs)

Wat de vervoeging betreft, zijn werkwoorden onder te verdelen in zwakke en sterke werkwoorden.

Een zwak werkwoord is een werkwoord waarvan de vervoegde vormen volgens bepaalde regels op regelmatige wijze van de stam afgeleid kunnen worden, bijv. werken - werk (stam) - (hij) werkt - gewerkt.

Een sterk werkwoord is een werkwoord waarbij in de vervoeging (in de zogenaamde hoofd- of stamtijden) klinker- en soms ook medeklinkerveranderingen optreden, bijv. eten - at - gegeten; bederven - bedierf - bedorven; brengen - bracht - gebracht.

Bij de vervoeging speelt een aantal aspecten een rol, waaronder tijd en persoon. Deze aspecten worden 'grammaticale categorien' genoemd. Dit artikel geeft een overzicht van de vervoeging van Nederlandse werkwoorden, geordend naar grammaticale categorie en uitgewerkt met voorbeelden.

Vervoeging naar persoon
In het Nederlands wordt een werkwoord vervoegd naar het onderwerp; hiermee wordt aangegeven of de handeling wordt uitgevoerd door de spreker (de eerste persoon), de aangesprokene (de tweede persoon), of een ander of iets anders (de derde persoon). Ook bestaat er een verschil tussen enkelvoudige en meervoudige onderwerpen. Samen leveren deze (twee maal drie) zes vervoegingsvormen in de stellende en vragende vorm:
enkelvoudmeervoud
stellendvragendstellendvragend
eerste persoonik speelspeel ik?wij spelenspelen wij?
tweede persoonjij speelt
u speelt
gij speelt
speel jij?
speelt u?
speelt gij?
jullie spelenspelen jullie?
derde persoonhij / zij / het speeltspeelt hij / zij / het?zij spelenspelen zij?

De meervoudsvormen van het werkwoord zijn identiek voor alle personen en gelijk aan de vorm die we de infinitief ofwel hele werkwoord noemen. De vorm voor de eerste persoon enkelvoud wordt ook wel stam genoemd.

Er is in het Nederlands geen vervoeging naar het geslacht van het onderwerp. Wel wordt in de tweede persoon enkelvoud een verschil gemaakt tussen de vormen waarbij het onderwerp voor of achter het werkwoord staat, zoals aangegeven in de tabel.

Vervoeging naar tijd
Werkwoordstijden drukken onder meer uit of de werking die door het werkwoord genoemd wordt, vr, tijdens of na het spreekmoment te situeren is. Men onderscheidt dan ook verleden, tegenwoordige en toekomende tijden (of: preteritum/imperfectum, presens en futurum). Naargelang de werking als afgesloten of niet afgesloten voorgesteld wordt, spreekt men van voltooide of onvoltooide tijden.

Het Nederlands kent de volgende werkwoordstijden:
. De belangrijkste vorm is de onvoltooid tegenwoordige tijd (ott). Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. Bijvoorbeeld: Ik maak.
. De tweede vorm is de onvoltooid verleden tijd (ovt). Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond en waarvan het "afgerond zijn" niet nadrukkelijk aanwezig is. Bijvoorbeeld: Ik maakte.
. De voltooid tegenwoordige tijd (vtt) wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. Voor deze vorm wordt het voltooid deelwoord gecombineerd met de tegenwoordige tijd van een van de hulpwerkwoorden "hebben" of "zijn". Bijvoorbeeld: Ik heb gemaakt/Ik ben gegaan.
. De voltooid verleden tijd (vvt) wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. Voor deze vorm wordt het voltooid deelwoord gecombineerd met de verleden tijd van een van de hulpwerkwoorden "hebben" of "zijn". Bijvoorbeeld: Ik had gemaakt/Ik was gegaan.

Hiernaast kennen we ook de vier toekomende vormen van deze tijden. Deze worden gemaakt door een combinatie van het hulpwerkwoord "zullen" met
. de infinitief; bij onvoltooide tijden
. het voltooid deelwoord plus de infinitief van het hulpwerkwoord "hebben" of "zijn"; bij voltooide tijden.
Bijvoorbeeld: Ik zal maken, Ik zou gegaan zijn.

Vervoeging naar vorm
Werkwoorden kunnen in het Nederlands in de bedrijvende vorm (actief) of de lijdende vorm (passief) staan. Beide vormen kunnen gemaakt worden in alle werkwoordstijden en met alle onderwerpen. Met de bedrijvende vorm wordt uitgedrukt dat het onderwerp de handelende persoon (of zaak) is; met de lijdende vorm wordt de zaak omgedraaid: het onderwerp ondergaat dan de handeling.

De lijdende vorm wordt gemaakt door het voltooid deelwoord te combineren met een hulpwerkwoord (het "hulpwerkwoord van de lijdende vorm"). In onvoltooide tijden is dit het werkwoord "worden", in voltooide tijden "zijn".

Bijvoorbeeld: In de zin "Ik maak een lamp" duidt maak een handeling aan die door het onderwerp, ik, wordt uitgevoerd. Dit is de bedrijvende vorm.
In de zin "De lamp wordt gemaakt" duidt wordt gemaakt een handeling aan die door het onderwerp, de lamp wordt ondergaan. Dit is de lijdende vorm.
Andere voorbeelden: "Ik heb geslagen" - "Ik ben geslagen"; "Ik stuurde" - "Ik werd gestuurd"

Vervoeging naar wijs
De wijs van het werkwoord geeft de relatie tot de werkelijkheid weer. De vervoeging naar wijs is in het Nederlands niet erg uitgebreid wat het aantal vormen betreft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Frans en Duits.
. Het belangrijkst is de aantonende wijs, de "normale" vorm van het werkwoord: "ik maak". De aantonende wijs geeft aan dat de handeling volgens de spreker "echt" plaatsheeft, plaats heeft gevonden of zal vinden. Deze wijs komt voor in alle werkwoordstijden en met alle onderwerpen.
. De gebiedende wijs geeft een bevel van de spreker weer. De gebiedende wijs wordt niet vervoegd naar tijd, de vervoeging naar persoon is beperkt tot het onderscheid enkelvoud-meervoud: "maak!" (enkelvoud) en "maakt (u)!" (meervouds- of beleefdsheidsvorm). Zie ook verderop in dit artikel.
. De aanvoegende wijs kan een wens, aansporing of onmogelijkheid weergeven. Het gebruik van de aanvoegende wijs is in het Nederlands - in tegenstelling tot veel andere talen - beperkt tot een klein aantal werkwoorden. De aanvoegende wijs komt in het Nederlands alleen nog voor in de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd en wordt gevormd door de -n van de infinitief weg te laten: "Leve de koningin", "Hij ruste in vrede", "Men neme een ons suiker", "Het zij zo". Alleen het werkwoord "zijn" kent nog een vorm van de aanvoegende wijs in de verleden tijd : "Ware het niet dat ...". De meeste vormen van de aanvoegende wijs gelden als verouderd.
. De onbepaalde wijs (infinitief) in engere zin kent slechts n vorm: maken, zijn enz. In het Nederlands bestaan echter ook samengestelde vormen, zoals: gemaakt (te) hebben of gepakt (te) zullen worden.

Deelwoord
Het deelwoord wordt zo genoemd omdat het werkwoordelijke en naamwoordelijke aspecten combineert. In het Nederlands worden deelwoorden gebruikt om samengestelde verleden tijden te vormen (voltooid deelwoord) en om beknopte bijzinnen te maken. Daarnaast kan een deelwoord gebruikt worden als bijvoeglijk naamwoord en als bijwoord. Een als bijwoord gebruikt deelwoord wordt ook wel gerundium genoemd.
Het Nederlands kent twee deelwoorden:
. Het onvoltooid of tegenwoordig deelwoord; gevormd door een -d aan de onbepaalde wijs toe te voegen. Bijvoorbeeld: "makend", "gaand".
. Het voltooid deelwoord; gevormd door ge- vr de stam en -d, -t of -en chter de stam toe te voegen (onregelmatigheden voorbehouden). Bijvoorbeeld: "gemaakt", "gezegd".
Zie ook verderop in dit artikel.

Basisvormen
De vormen die van belang zijn voor het maken van deze tijden zijn de infinitief, de vorm voor de verleden tijd enkelvoud, en de vorm van het voltooid deelwoord. Wanneer men deze drie vormen van een werkwoord kent, kan men in het Nederlands alle gebruikelijke tijden uitdrukken.

Sterke, zwakke en onregelmatige werkwoorden
Op basis van de manier waarop de verleden tijd en het voltooid deelwoord worden gevormd worden traditioneel drie soorten werkwoorden onderscheiden: sterke werkwoorden, zwakke werkwoorden en onregelmatige werkwoorden. Zwakke werkwoorden hebben een vervoeging door middel van een achtervoegsel. Kenmerk is dat de klinker van de stam van elke vorm hetzelfde is. Sterke werkwoorden krijgen geen achtervoegsel, maar kennen in plaats daarvan in de verleden tijd en het voltooid deelwoord klinkerwisseling in de stam (ook wel ablaut geheten), die vaak ook gemakkelijk is af te leiden uit de tegenwoordige tijd.

De begrippen sterk en zwak slaan dus op de manier waarop de verleden tijd en het voltooid deelwoord worden gevormd.

De sterke werkwoorden beschouwt men soms ook als onregelmatig, maar deze benaming is misleidend voor alle werkwoorden met klinkerwisseling, aangezien in de klinkerwisseling van de meeste sterke werkwoorden zeer veel regelmaat valt te bespeuren. Daarnaast zijn er werkwoorden waarin behalve de klinker nog meer verandert in de stam, zijn (was/waren) en komen (kwam). Naast deze "onregelmatig sterke" zijn er bovendien ook "onregelmatig zwakke" werkwoorden, waarbij in de verleden tijd gaandeweg nieuwe veranderingen zijn opgetreden zoals zeggen, kunnen en willen: zegde(n) werd zeide(n), en in de verleden tijd enkelvoud is bovendien mettertijd de uitgang -de is weggevallen, net als bij konde → kon). Verg. ook equivalente Duitse vormen als sagte(n), konnte(n) en wollte(n) (vs. (ik) wolde > woude > wou). Het indelen van alle werkwoorden van het Nederlands in uitsluitend de categorin "regelmatig/onregelmatig" op grond van hun verleden tijd en voltooid deelwoord is dus nogal problematisch.

In de loop der eeuwen hebben zich nogal wat verschuivingen voorgedaan, m.n. van de sterke klasse naar de zwakke. Dit is ook niet zo verwonderlijk, aangezien het aantal zwakke werkwoorden in het Nederlands veel groter is dan het aantal sterke waarbij analogie een grote rol speelt. Daar staat echter tegenover dat de meeste sterke en onregelmatige werkwoorden zeer frequent gebruikt worden, terwijl de meeste regelamig zwakke werkwoorden perifeer zijn, waardoor men juist weer minder geneigd is om een sterke vorm te vervangen door een zwakke. Ook de verschuiving in omgekeerde richting (dus van zwak naar sterk) is dan ook geen uitzondering.

Zwakke werkwoorden
De regelmatig zwakke werkwoorden zijn veruit het grootst in aantal en hebben allemaal een verleden tijd (VT) met een zogenaamde dentaalsuffix, dat wil zeggen het achtervoegsel -de(n) of -te(n) . Twee gangbare voorbeelden: maakten, gemaakt en hoorden, gehoord. Volgens de meest gangbare theorie heeft deze uitgang zich in alle West-Germaanse talen ontwikkeld uit de verleden tijd van doen [[1]].
. Wanneer de laatste letter van de stam van het werkwoord een stemloze medeklinker is, bijvoorbeeld haken en happen, dan wordt de t gebruikt (haakTe, gehaakT en hapTe, gehapT).
. In andere gevallen, bij een stemhebbende medeklinker of een klinker, bijvoorbeeld reizen en remmen, wordt de 'd' gebruikt (reisDe, gereisD en remDe, geremD).

Als ezelsbruggetje wordt scholieren meestal het 't kofschip of 't fokschaap aangeleerd. De medeklinkers uit deze woorden zijn de stemloze medeklinkers van het Nederlands (x, t, k, f, s, ch en p). Zie ook D en T in de Nederlandse spelling.

soortstamonvoltooid verleden tijdvoltooid deelwoord
zwak op -twerkenwerktegewerkt
zwak op -dspelenspeeldegespeeld


Sterke werkwoorden
Deze werkwoorden zijn bij wijze van spreken "sterk" genoeg om zonder hulp van een achtervoegsel hun verleden tijd te vormen (het onderscheid "sterk/zwak" is in de 19e eeuw bedacht door Jacob Grimm). Twee gangbare voorbeelden: schreven, geschreven en boden, geboden.

soortstamonvoltooid verleden tijdvoltooid deelwoord
sterkgaanginggegaan
sterkvindenvondgevonden
sterkslapensliepgeslapen


Als deze vormen bekend zijn kan in principe elke andere vorm worden afgeleid. Voor de tegenwoordige tijd worden de regels gevolgd van de eerste tabel op deze pagina. Voor de verleden tijd wordt voor het enkelvoud de bovenstaande vorm gebruikt en voor het meervoud de bovenstaande vorm +-(e)n.

De sterke werkwoorden zijn een zeer oude erfenis en met alle afgeleide vormen zijn er zo'n 1400 stuks. In het Nederlands zijn nog steeds zeven klassen te onderscheiden. Zes daarvan gaan rechtstreeks terug op de 'ablaut'sklassen van het Proto-Indo-Europees. De zevende klasse is een noviteit van het Proto-Germaans.

Klasse 1
Dit is de grootste klasse, die zo'n 45 wortels en met alle scheidbare en niet-scheidbare voorvoegsels erbij zo'n 300 werkwoorden in totaal bevat. De onbepaalde wijs en de tegenwoordige tijd bevatten de stamklinker ij, die in de verleden en voltooide vormen verandert in een lange e:
blijven - bleef - gebleven
verkrijgen - verkreeg - verkregen
ingrijpen - greep in - ingegrepen

Veel werkwoorden met ij in de stam horen tot deze subgroep. De volgende werkwoorden worden echter volledig zwak vervoegd: gijpen, hijgen, ijken, ijlen, inlijven, krijsen, lijmen, lijnen, pijpen, prijken, prijzen (in bet. "van een prijs voorzien"), rijmen, rijpen, verstijven, vijlen.

Werkwoorden met ei in de stam (bijv. neigen) zijn, een enkele uitzondering daargelaten, uitsluitend zwak.

Klasse 2
In deze klasse, naar grootte de derde, worden de verleden en voltooide vormen gekenmerkt door een lange o. De onbepaalde wijs heeft ofwel ie ofwel ui:
bieden - bood - geboden
kruipen - kroop - gekropen

Klasse 3
Deze klasse is de tweede naar grootte en wordt gekenmerkt door een korte klinker i of e gevolgd door een nasaal of liquide (m,n,ng,l,r) in de onbepaalde wijs. In de andere tijden verandert de klinker in een korte o
klimmen - klom - geklommen
melken - molk - gemolken

Een kleine groep heeft een ie gekregen in de verleden tijd, waarschijnlijk onder invloed van klasse 7:
bederven - bedierf- bedorven

Klasse 4
In deze vrij kleine klasse is er nog een verschil bewaard gebleven tussen de klinker van het enkelvoud en meervoud van de verleden tijd:
breken - brak - braken - gebroken
Het Nederlands is een van de weinige talen waarin van dat verschil nog iets te merken is

Klasse 5
Ook in deze klasse is er nog verschil tussen enkelvoud en meervoud van de verleden tijd, net als in de vorige klasse, maar het deelwoord heeft een e:
geven - gaf - gaven - gegeven

Klasse 6
Deze kleine klasse is het duidelijkst bezig aan een teruggang. Er zijn niet veel complete voorbeelden over, ook al zullen deze vormen de eerste paar honderd jaar zeker niet verdwijnen:
dragen - droeg - gedragen
slaan - sloeg - geslagen
De verleden tijd met -oe- is reeds sinds de tijd van het Middel-Nederlands bezig te verdwijnen. Dit schept gemengde vormen als:
laden - laadde - geladen (vgl Duits: lud)
ervaren - ervoer/ervaarde - ervaren
Onder invloed van deze klasse zijn er echter werkwoorden die oorspronkelijk zwak waren maar waarvan de verleden tijd sterk is geworden:
vragen - vroeg - gevraagd (vgl Duits: fragte)

Klasse 7
In deze klasse is de klinker van het deelwoord dezelfde als van de onbepaalde wijs. De klinker van de verleden tijd is een lange -ie-. Afhankelijk van uit welke klasse het werkwoord oorspronkelijk stamt is de andere klinker tamelijk verschillend:
-aa-
slapen - sliep -geslapen
-a-
vallen - viel -gevallen
-an-
vangen - ving - gevangen
-oe-
roepen - riep - geroepen

Ook deze klasse is enigszins aan slijtage onderhevig. De verleden tijd in -ie- wordt soms vervangen door een zwakke vorm:
raden - ried / raadde - geraden
wassen - (wies; bet. "groeien")/ waste (bet. "schoonmaken)" - gewassen

Onregelmatige werkwoorden
Naast sterke en zwakke werkwoorden kennen we ook de onregelmatige werkwoorden, die vaak ook in de tegenwoordige tijd afwijkende vormen kennen. De belangrijkste zijn: hebben, zijn, willen, zullen, mogen en kunnen. Voor de vorming van de verleden tijd en het voltooid deelwoord van deze werkwoorden zijn vrijwel geen regels te geven; soms lijkt het engiszins op een zwakke vervoeging, in die zin dat er sprake is van een (vaak gedeeltelijk weggevallen) uitgang -t(e)(n)/ d(e)(n).

Totaaloverzicht
Met de bovenstaande richtlijnen kunnen van een onovergankelijk werkwoord in totaal 8 werkwoordstijden gevormd worden. Als het werkwoord overgankelijk is, komen daar nog 8 tijden van de lijdende vorm bij en zijn er dus 16 vormen:

TijdActiefPassief
Onvoltooid tegenwoordige tijdIk bedank.Ik word bedankt.
Onvoltooid verleden tijdIk bedankte.Ik werd bedankt.
Voltooid tegenwoordige tijdIk heb bedankt.Ik ben bedankt.
Voltooid verleden tijdIk had bedankt.Ik was bedankt.
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdIk zal bedanken.Ik zal bedankt worden.
Onvoltooid verleden toekomende tijdIk zou bedanken.Ik zou bedankt worden.
Voltooid tegenwoordige toekomende tijdIk zal bedankt hebben.Ik zal bedankt zijn.
Voltooid verleden toekomende tijdIk zou bedankt hebben.Ik zou bedankt zijn.


De voltooide tijden worden gevormd met een van de hulpwerkwoorden "zijn" of "hebben", gevolgd door het voltooid deelwoord. Voor de toekomende tijd wordt gebruikgemaakt van het hulpwerkwoord "zullen", in combinatie met de infinitief en eventueel het voltooid deelwoord (voor de voltooide tijden).

De keuze tussen het hulpwerkwoord "hebben" of "zijn" is werkwoordsafhankelijk. Bij de meeste werkwoorden wordt altijd "hebben" gebruikt, een kleinere groep wordt met "zijn" vervoegd. Een nog kleiner aantal werkwoorden kan met beide werkwoorden vervoegd worden, wat soms een klein betekenisverschil oplevert, meestal transitief (met "hebben)" versus intransitief (met "zijn"). Bijvoorbeeld: Ik ben het vergeten/Ik heb het vergeten.

Onbepaalde wijs
De onbepaalde wijs wordt niet naar tijd onderscheiden, maar er zijn wel voltooide, toekomstige en lijdende vormen, zoals: gezien te zulllen worden of gepakt te zijn. De onbepaalde wijs wordt vaak achter andere werkwoorden gebruikt al of niet onder toevoeging van het partikel te of om te:
hij hoopt te komen
hij was bang (om) gepakt te zullen worden

Achter werkwoorden als zitten, liggen ,lopen, staan en zelfs hangen ontstaat een soort voortgaande tijd, vergelijkbaar met de continuous tense in het Engels:
ik liep te denken
de was hing te drogen

De onbepaalde wijs kan ook een opdracht of verplichting uitdrukken:
dat is nog te regelen

Onbepaalde wijzen kunnen ook als onderwerp of voorwerp dienen, terwijl ze zelf ook voorwerpen of bepalingen bij zich dragen kunnen:
hij vond het verschrikkelijk plotseling zonder geldige reden ontslagen te zijn
door een hond gebeten te zijn is geen pretje
na hem gezien te hebben liep zij naar huis.

Deelwoorden
Het Nederlands kent twee verschillende deelwoorden, het tegenwoordig of onvoltooid deelwoord en het voltooid deelwoord. Deze deelwoorden kunnen beide gebruikt worden als bijvoeglijk naamwoord of als bijwoord. Voltooide deelwoorden hebben daarbij altijd een passieve betekenis, onvoltooide deelwoorden altijd een actieve:
De bedankte man. (voltooid, als bijvoeglijk naamwoord)
De bedankende man. (onvoltooid, als bijvoeglijk naamwoord)
Bedankt liep hij over straat (voltooid, als bijwoord)
Bedankend liep hij over straat (onvoltooid, als bijwoord)
Ze kunnen ook beide in het gezegde gebruikt worden voor het vormen van de tijden. Het onvoltooid deelwoord wordt echter in deze vorm amper nog gebruikt. Voor voorbeelden van gebruik: zie tabel.

Gebiedende wijs
De gebiedende wijs heeft in het Nederlands dezelfde vorm als de stam van het werkwoord. Voorbeelden:
"Ga weg!"
"Doe eens gewoon!"

Als het om een meervoudsvorm gaat, of als er u als een onderwerp bij het werkwoord staat, komt er een t bij. Voorbeelden:
"Komt allen!" (gebiedende wijs van "Allen komen.")
"Leest u maar." (gebiedende wijs van "U leest.")

Als het enkelvoudige u echter een wederkerend voornaamwoord is (een vorm van "zich"), komt er geen t bij:
"Wees u bewust." (gebiedende wijs van "U bent zich bewust.")
"Schaam u!" (gebiedende wijs van "U schaamt zich.")
"weest u" en "schaamt u" zijn meervoudsvormen.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Werkwoord_(Nederlands).

privacybeleid