kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

W.G. van Focquenbroch

Noordnederlands dichter en toneelschrijver, (Amsterdam 26.4.1640 - St. George da Mina, Guinee, juni 1670).

Zijn poëzie doet zeer realistisch aan en staat ver van de `verheven' poëzie van de 17de eeuw. Als een van de eersten volgde hij Scarron en Lucianus na in het burleske genre o.a. in zijn De Aeneas in syn sondaeghs-pack en Typhon of de reuzenstrijd. Zijn werk heeft ook nu nog een grote aantrekkingskracht op de lezer door zijn menging van kriticisme en cynisme, maar ook door zijn pessimistisch besef van de ijdelheid aller dingen en zijn uitingen van radeloosheid tegenover het noodlot. Zijn blijspel De min in 't Lazarushuis (1674), een bewerking naar Lope de Vega's Los Locos de Valencia, behoorde de gehele 17de en 18de eeuw tot het vaste toneelrepertoire en is ook in de 20ste eeuw nog met veel succes opgevoerd.

Levensloop
Willem Godschalck van Focquenbroch werd op 26 april 1640 gedoopt in de Oude Kerk te Amsterdam. Zijn vader Paulus van Focquenbroch kwam uit een Antwerpse familie van kleine kooplieden, zijn moeder Catharina Sweers was de dochter van een uit Antwerpen afkomstige 'huystimmerman'. Janneke en Paulus jr., oudere kinderen uit dit huwelijk, zijn waarschijnlijk jong gestorven. Willems jongere broer Jacobus vestigde zich later als arts te Alkmaar.

Focquenbroch sr. moet een redelijk bemiddelde handelaar zijn geweest. Zo kocht hij in 1644 'De Zilveren Doornenkroon', een huis aan de Anthonisbreestraat (het vijfde vanaf het huis van de schilder Rembrandt), voor 9800 gulden. Later kwam hij waarschijnlijk in liquiditeitsproblemen, en verhuisde de familie naar de Oudezijds Voorburgwal en later naar de Singel. Beide ouders overleden in 1666.

Over Focquenbrochs schoolopleiding is niet veel bekend. Wellicht heeft hij de Latijnse school van Jacobus Heyblocq, die een verre verwant van hem was, bezocht. Focquenbroch schreef ook in zijn Album Amicorum. Een van zijn bijdragen is het gedicht 'Aen Mijn Heer Jacob Heijblock; Op sijn versoeck om een Vaersjen'.

Hoewel er geen inschrijving aan die universiteit gevonden is, moet Focquenbroch aanvankelijk in Leiden zijn gaan studeren. Hij deed dit als bursaal van het 'Fonds Rombouts' aan het Waals college.

Op 29 maart 1662 schrijft Focquenbroch zich in bij de universiteit in Utrecht, waar hij 10 juni van het zelfde jaar al bij Regius promoveert tot doctor in de medicijnen. Zijn proefschrift droeg de titel De lue venerea (Over geslachtsziekte), in die jaren een gangbaar onderwerp voor een medische dissertatie. Van deze disseratie is tot dusverre geen exemplaar bekend.

Over een eigen praktijk van Focquenbroch zijn geen gegevens bekend. Pas in 1668, twee jaar na de dood van zijn ouders, heeft Focquenbroch aantoonbaar inkomsten als armendokter in dienst van de diakonie. Hiermee verdiende hij f 150,- per jaar. Wanneer Focquenbroch alleen hiervan heeft moeten rondkomen, zal hij zich nauwelijks in leven hebben kunnen houden.

Inmiddels waren enkele van zijn literaire werken gepubliceerd. In 1663 verscheen De verwarde jalousy, een bewerking van Molière's succesvolle Sganarelle ou le cocu imaginaire uit 1660, door Focquenbroch kennelijk voor de schouwburg gemaakt. Daar ging het stuk in première op 23 april 1663.

De Thalia
De bruiloftsstukken De klucht van de weyerey en Klugt van Hans Keyenvresser zijn, hoewel ze het jaartal 1665 dragen, waarschijnlijk al in 1664 verschenen. Deze kluchten zijn opgenomen in de bundel Thalia, of geurige sang-goddin die zeker december 1664 al in de winkel lag, eveneens met het jaartal 1665. De Thalia werd uitgeven door Johannes van den Bergh, die verder alle bij het leven van Focquenbroch verschenen werken verzorgde. De titel van deze bundel kan men als programmatisch beschouwen: Thalia is de muze van de komedie en 'geurige', d.w.z. geestige, dichtkunst. Hij bevat een burlesk episch gedicht bruiloftsdichten, gedichten die een geschenk begeleidden, burleske en petrarcistische lyriek, overpeinzingen, puntdichten, (rijm-)brieven en liedjes, zowel in het Nederlands als in het Frans. De liedjes zijn contrafacten: nieuwe teksten op bekende melodieen. Die melodie werd d.m.v. haar benaming of de eerste regel van een bekende tekst op die melodie aangegeven. De latere Thalia's hebben een soortgelijke inhoud.

In 1665 viel de bisschop van Münster de Republiek binnen. Ter gelegenheid hiervan verscheen het pamflet Den Munstersche trommel-slagh, op den Hollandschen toon, waarin wordt gesteld dat de Hollandse ketters nu eens flink aangepakt zullen worden. Hierop reageerde Focquenbroch met Een Hollandsche vuyst-slagh, op een Brabandsche koon. Zo was ook het verslaan van de Engelse vloot in 1666 voor Focquenbroch en zijn vriend Johannes Ulaeus aanleiding om een Verdubbelt zegen-sangh, der negen musen te schrijven. Ulaeus bezingt hierin de dapperheid van de Hollanders en Focquenbroch maakt met behulp van dezelfde rijmwoorden de Engelsen belachelijk. Johannes Ulaeus werkte ook mee aan een vertaling c.q. bewerking van Vergilius' Eclogae die onder de titel De herders-sangen van Virgilius Maro in 1666 verscheen. Wederom nam Ulaeus het serieuze deel voor zijn rekening. Hij maakte een gewone vertaling, terwijl Focquenbroch de zangen in burleske stijl bewerkte.

Thalia, of geurige zang-goddin
Op 7 augustus 1668 kwam een nieuwe bundel uit, Thalia, of geurige zang-goddin, tweede deel, even later gevolgd door een herdruk van de eerste (op 25 augustus). In deze tweede bundel zijn de Munstersche trommelslag en de Hollansche vuyst-slagh opgenomen en tevens Focquenbrochs aandeel in het Verdubbelt zegen-sangh.

Focquenbroch zelf had inmiddels het land verlaten. Na sollicitatie bij de Amsterdamse kamer van de West-Indische Compagnie had hij op 23 april de functie van fiscaal gekregen, een soort douane-ambtenaar en commissaris van politie. Zijn voornaamste taak was het opbrengen van de zogenaamde 'lorredraaiers', schepen die handel dreven in strijd met het monopolie van de W.I.C., en verder moest hij de orde onder het personeel van de W.I.C. handhaven. De verdiensten waren goed en er was een aantrekkelijke premie van 1/3 van de geconfisqueerde goederen. Dit laatste was voor Focquenbroch een belangrijke reden om dit ambt te ambiëren.
Zijn standplaats aan de kust van Guinee was het voormalige Portugese fort 'Saô Jorge da Mina' dat later 'Elmina' genoemd werd. Hier was hij, zoals hij zelf zei "de tweede persoon van een kleyn koninckrijk", in rang direct onder de directeur-generaal. Op 17 juli 1668 vertrok Focquenbroch met het schip 'De Gideon' van Texel naar Elmina. Zijn neef Philip van Heeden, die al eerder als koopman in de koloniën had gewerkt, vergezelde hem. Uit de brieven die hij vanuit Guinee schreef, blijkt dat Focquenbroch zich erg eenzaam voelde, vooral na de dood van zijn neef Philip begin 1669.

Ziektes waren aan de orde van de dag in Elmina en Focquenbroch moest regelmatig voor andere functionarissen invallen. In de maanden april tot en met juli van het jaar 1670 woedde er een hevige epidemie in de handelspost. Van deze epidemie is Focquenbroch hoogstwaarschijnlijk ook het slachtoffer geworden. Er zijn aanwijzingen, dat Focquenbrochs overlijden in een missive die op 14 juli 1670 gedateerd was aan de W.I.C. werd gemeld. De missive zelf is echter verloren gegaan.

In april 1674 verscheen postuum het blijspel Min in't lazarus-huys, een bewerking van Lope de Vega's Los locos de Valencia. De tekst moet al eerder in Amsterdam gecirculeerd hebben, want hij kwam op 10 december 1669 ter tafel tijdens een bijeenkomst van het letterkundig genootschap 'Nil Volentibus Arduum'.

De derde en laatste bundel van Focquenbroch werd in 1678 uitgegeven, namelijk de Afrikaense Thalia, Of het derde deel van de geurige zang-godin. In de latere verzameledities, met name Alle de wercken uit 1679 en Alle de werken uit 1696 die door Abraham Bogaert verzorgd werd, komen nog enkele nieuwe teksten voor, die echter voor een groot deel niet van Focquenbroch zijn.

In de zeventiende en achttiende eeuw was Focquenbroch een bekend auteur. Zijn werken werden vele malen herdrukt, vooral de Min in't lazarus-huys, dat ook in de schouwburg nog lange tijd succes had. Men zag hem in de eerste plaats als een 'geestige' dichter. Hij was degene die de burleske dichttrant, waarbij men een hoogdravend onderwerp in een alledaagse stijl behandelt, in de Republiek bekend maakte. Focquenbrochs belangrijkste voorbeeld was de Franse dichter Paul Scarron (1610-1660). Enkele werken van Focquenbroch zijn bewerkingen van een origineel van Scarron, die bijvoorbeeld ook een travestie van de Aeneis geschreven had.

De geestige kant van Focquenbrochs werk heeft de serieuze en petrarcistische kant altijd overschaduwd. In de negentiende eeuw raakte hij wegens zijn platheid in ongenade. De herwaardering kwam begin 20ste eeuw op gang, maar zette pas na de oorlog door.

Op Amsterdam
Het bekendste gedicht van Focquenbroch is 'Op Amsterdam'

Websites: GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Willem_Godschalck_van_Focquenbroch


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 391.