kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 01-04-2011 voor het laatst bewerkt.

Werkwoord

Het werkwoord [-en] o (verbum)

Woord dat de naam noemt van een doen, een zijn, een worden, als werking voorgesteld.

Het werkwoord vormt samen met het subject (onderwerp) en eventueel een object (voorwerp) de basis van een zin. Werkwoorden verschillen als woordsoort wezenlijk van naamwoorden, doordat ze geen verwijzende functie hebben maar een actie (doen), toestand (zijn) of een gebeurtenis (worden) uitdrukken.

Hoofdwerkwoorden, hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden
Werkwoorden kunnen op verschillende manieren in categorieën verdeeld worden:
Een eerste onderverdeling is die in hoofdwerkwoorden, hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden. Hoofdwerkwoorden kunnen worden verdeeld in overgankelijke en onovergankelijke werkwoorden.
Het onderscheid tussen sterke en zwakke werkwoorden heeft betrekking op de vorming van de werkwoordstijden.
Wat de vorming betreft, worden ten slotte nog samengestelde en niet-samengestelde werkwoorden onderscheiden.

overgankelijke (transitieve) en onovergankelijke (intransitieve) werkwoorden
Overgankelijke werkwoorden hebben naast een onderwerp ook één of twee objecten:
. Jan (het onderwerp) slaat (het werkwoord) Piet (het object, in dit geval lijdend voorwerp).
. Jan (het onderwerp) geeft (het werkwoord) Piet (het object, in dit geval meewerkend voorwerp een boek (object2, in dit geval lijdend voorwerp).
Kenmerkend is dat het object subject wordt en andersom, wanneer je het werkwoord passief maakt. Bijvoorbeeld: 'ik sla hem' wordt na het passief maken: 'hij wordt door mij geslagen'. Zie ook bedrijvende vorm en lijdende vorm.

Onovergankelijke werkwoorden hebben geen object: Hij glimt

Er zijn ook werkwoorden die zowel met als zonder object kunnen optreden: Het sneeuwt / Het sneeuwt poedersuiker

vervoegen
Naar de vorm wordt een werkwoord gekenmerkt door de mogelijkheid vervoegd te worden: het ondergaat vormveranderingen naar gelang van de persoon (eerste, tweede of derde persoon), het getal en soms ook het geslacht van het bijbehorende subject/onderwerp. Met het getal wordt bedoeld het enkelvoud (singularis) of meervoud (pluralis) en in sommige talen ook nog het tweevoud (dualis).
Het werkwoord dat verandert noemen we de persoonsvorm:
Ik werk – jij werkt – wij werken (Het onderwerp verandert)
Ik werk – ik werkte - Ik heb gisteren hard gewerkt. (De tijd verandert)
Het apparaat werkt – De apparaten werken - (Het getal verandert)

Persoon onderscheiden wij in eerste, tweede en derde persoon.
Deze zijn in het enkelvoud:
(1) ik
(2) jij en u (en gij)
(3) hij, zij en het
In het meervoud:
(1) wij
(2) jullie en u
(3) zij

In elke zin komt een werkwoord voor: zo niet dan is de zin een uitroep (Brand! Goal! Hierheen! Vooruit!).
Soms staan er twee of drie werkwoorden in een zin:
Ik heb hem een advies gegeven.
Ik heb dit advies niet kunnen geven.

Het hele werkwoord noemen we infinitief. Sommige woorden hebben een infinitief met te:
Hij zit te denken.
Na het woord om komt ook vaak te. Om geeft dan een doel aan:
Ik ging naar huis om te rusten.

Het zwakke werkwoord
Als de stam eindigt op een van de letters: t k f s ch p ('t kofschip), dan komt er -te of -ten in de verleden tijd en een -t in het voltooid deelwoord.
Als de stam eindigt op een andere letter dan komt er -de achter de stam in de verleden tijd en in het voltooid deelwoord -d.

Tijd
Werkwoorden worden ook vervoegd naar tijd (tempus):
. Onvoltooid tegenwoordige tijd (presens): ik lees
. Voltooid tegenwoordige tijd (perfectum): ik heb gelezen
. Onvoltooid verleden tijd (imperfectum): ik las
. Voltooid verleden tijd (plusquamperfectum): ik had gelezen
. Onvoltooid toekomende tijd (futurum): ik zal lezen
. Voltooid toekomende tijd (futurum exactum): ik zal gelezen hebben
. Onvoltooid verleden toekomende tijd (futurum praeteriti): ik zou lezen
. Voltooid verleden toekomende tijd (futurum exactum praeteriti): ik zou gelezen hebben

Wijzen (modi)

Aantonende wijs (indicatief)
Dit is de "normale" vorm van het werkwoord, die de werkelijkheid aangeeft: ik lees, hij las.

Onbepaalde wijs (infinitief)
Het hele werkwoord: lezen.

Gebiedende wijs (imperatief)
Deze geeft over het algemeen een bevel weer: lees!

De conjunctief (aanvoegende wijs)
De conjunctief kan ofwel een wens, een aansporing, een toegeving of een gevoel van berusting uitdrukken, ofwel aangeven dat het om niet-werkelijkheid gaat: hij zou lezen, hij zou dat gelezen hebben, ik wou dat het zo was.

In het Nederlands is er geen aparte vorm meer voor de conjunctief en wordt de verledentijdsvorm gebruikt (was het maar zo) en/of het hulpwerkwoord zullen: ik zou het niet doen.

In enkele gevallen komen nog echte conjunctiefvormen voor.
Wendingen waarin conjunctiefvormen voorkomen, behoren meestal tot formeel of tot formeel-archaïsch taalgebruik; ze hebben ook vaak het karakter van vaste uitdrukkingen.
De conjunctief komt vrijwel alleen voor in de derde persoon enkelvoud van het presens en wordt gevormd door de -n van de infinitief weg te laten: Leve de koningin! Kome wat komt. Het ga je goed.
Na een r kan de -e vervallen, zodat de stam overblijft: De hemel bewaar me. God beter het.

Bij het werkwoord zijn komt naast de conjunctief zij ook een conjunctief van het imperfectum (eveneens in de derde persoon) voor, namelijk ware, bijv.: Het zij zo. Het ware te wensen.
Een conjunctiefvorm in de derde persoon meervoud komt voor in: Mogen zij rusten in vrede. (formeel)
Een conjunctiefvorm in de eerste persoon komt voor in: Ik moge erop wijzen dat uw aanvraag uiterlijk 1 december in ons bezit dient te zijn. (formeel)

Websites:
* Algemene Nederlandse Spraakkunst
* www.verbix.com/languages/dutch.shtml (Verbix)


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 32.