kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Willem Frederik Hermans

Willem Frederik hermans

Wilem Frederik Hermans is met zijn moralistische en meesterlijk cynische romans, samen met Gerard Reve, de grote nieuwlichter in de Nederlandse literatuur na de Tweede Wereldoorlog.

Door zijn drang tot polemiek, die hij uitte in tal van essays, was Hermans zijn hele leven, ondanks zijn verblijf in het buitenland, een bekende controversiële figuur in Nederland. Met zijn polemische bijdragen aan allerlei periodieken veroorzaakte hij veel rumoer.
Het oeuvre van Hermans is omvangrijk en zeer divers. Hij schreef poëzie, toneelstukken, essays, verhalen, novelles en natuurlijk romans. Daarnaast maakte hij fotoboeken en collages en een biografie over Mutatuli.

Het belangrijkste thema in het werk van W.F. Hermans is de chaos in de wereld. In deze chaos probeert de mens (tevergeefs) orde en zin te ontdekken. In zijn werk bestrijdt Hermans politieke, religieuze en filosofische stromingen die menen dat er in de chaos wel orde te scheppen is.

Levensloop:
W.F. Hermans, geboren op 1 september 1921 in Amsterdam, was het jongste kind van een onderwijzersechtpaar. Hermans had ook een oudere zus, Corry.

Hermans bezocht vanaf 1933 het Barlaeusgymnasium in de hoofdstad waar hij schreef in de schoolkrant Suum cuique (= Ieder het zijne).

Toen W.F. Hermans 17 jaar was won hij een opstelwedstrijd met het verhaal Uitvinder. Het werd afgedrukt in het Algemeen Handelsblad.

Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog - 14 mei 1940 - laat zijn zus zich door een oudere neef doodschieten, waarna deze neef ook zichzelf doodt.

Hermans ging sociografie aan de Universiteit van Amsterdam studeren. Een jaar later, in 1941, koos hij voor fysische geografie in Amsterdam. Hij promoveerde in 1955 cum laude. Eigenlijk had hij geologie willen studeren, maar zijn vader wilde dat hij een studie koos waarmee hij leraar kon worden.

Hermans debuteerde in 1944 als dichter met de gedichtenbundel Kussen door een rag van woorden.

Van 1946-1948 was W.F. Hermans redacteur van Criterium. Als redacteur van tijdschriften als Criterium en later Podium vanaf 1950 liet hij zich nadrukkelijk gelden, (voorpublicaties van) de romans De tranen der acacia's en Ik heb altijd gelijk zorgden voor felle discussies in tijdschriften en kranten.

Hermans publiceerde kort na de Tweede Wereldoorlog poëzie (Horror coeli, 1946) en verhalen (Moedwil en misverstand, 1948), werk waaruit aandacht voor irrationele aspecten en voor de nachtzijde van het bestaan blijkt.

In 1947 verscheen zijn eerste roman, Conserve.

De eerste boeken van W.F. Hermans zijn erg zwartgallig in hun behandeling van Hermans favoriete thema, de Tweede Wereldoorlog. Als er al humor aanwezig is in de vroege boeken van Hermans, dan is het in de vorm van de karikaturen die hermans van zijn (fictieve) slachtoffers maakt en in de satirische manier waarop hun ideeën belachelijk worden gemaak. hermans kon na de oorlog immers niet meer geloven in de bestaande systemen die pretenderen orde te scheppen in de chaos. Als criticus werd hij in zijn boeken beïnvloed door Multatuli; als beschrijver van de slechte werking van systemen zag hij zich als een nazaat van franz kafka.

Essayprijs van de stad Amsterdam 1949 voor Fenomenologie van de pin-up girl.

De tranen der acacia's (1949)
Deze roman werd door de katholieke Informatie Dienst Inzake Literatuur (IDIL) op de zwarte lijst geplaatst.
De roman De tranen der acacia's beschrijft de identiteitscrisis van een tijdens de Tweede Wereldoorlog opgroeiende jongeman: noch in het politieke (verzet en verraad), noch in het psychologische vlak (vader-, moeder-, zusterfiguren) slaagt deze erin een weg te vinden in de ondoorzichtigheid van de werkelijkheid. De roman schokte het publiek door zijn cynisme, maar de hoofdpersoon Arthur Muttah was voor velen de personificatie van een na-oorlogs levensgevoel.

W.F. Hermans was van 1950 tot 1964 redacteur van 'Podium'.

W.F. Hermans trouwde in 1950.

Zijn beroemdheid werd dankzij het door de katholieke kerk aangezwengelde proces tegen de voorpublicaties van 'Ik heb altijd gelijk' (1951) aanzienlijk vergroot. Hij werd vrijgesproken. Niet Hermans was anti-katholiek, maar het (pathologisch) personage in zijn roman.
Ook in de roman Ik heb altijd gelijk (1952) is een verbinding tussen een politiek (de situatie in Nederland kort na de politionele acties in Indonesië) en een psychologisch plan (vooral de zusterfiguur) nagestreefd. Het thema is dat van het gefnuikte genie en de zinloosheid van diens woede: wie gelijk heeft, heeft nog niets.

Het behouden huis (1952).
De veelgelezen novelle Het behouden huis (1952) toont de chaos in de schijnbare orde van een samenleving.

In de verhalenbundel Paranoia (1953) kunnen personages soms geen onderscheid maken tussen waan en werkelijkheid, terwijl in de bundel Een landingspoging op Newfoundland (1957) het thema van de onmogelijkheid van de door zijn omgeving gemutileerde mens om zichzelf te bewijzen en de beperkingen van de eenzaamheid te doorbreken soms op surrealistische wijze wordt verwoord.

In 1955 werd een zoon (Ruprecht) geboren.

De grotesken De God Denkbaar, Denkbaar de God (1956) en het vervolg Het evangelie van O. Dapper Dapper (1973) vormen op associatie en spel gebaseerde `verhalen', die de relatie tussen taal en denken tot thema hebben en die wijzen op de zinloosheid van veel ideeën buiten de niet-exacte wetenschappen aantonen.

Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 (1957) voor zijn verdiensten op het gebied van het korte verhaal.

In de meesterlijke roman De donkere kamer van Damocles (1958) wordt de zekerheid van de eigen identeit in vraag gesteld. In dit boek wordt een man tijdens de Tweede Wereldoorlog verwisseld met een dubbelganger, tot hij uiteindelijk zelf niet meer weet wie hij is.
Nationale erkenning bracht de roman, waarin de hoofdpersoon Henri Osewoudt door Dorbeck, in uiterlijk zijn evenbeeld maar psychologisch zijn tegenpool, in het verzet tegen de Duitse bezetter wordt betrokken; hij voert blindelings diens opdrachten uit, menend een identiteit verworven te hebben, maar hij kan na de oorlog, als zijn dubbelganger onvindbaar blijkt, zijn daden niet bewijzen: is hij verzetsheld of verrader, slachtoffer of psychopaat? Bewijzen ontbreken, feiten kunnen op verschillende wijzen geïnterpreteerd worden en ook de lezer kan niets bewijzen. Men kan de roman tegelijkertijd lezen als een spannend oorlogsverhaal, als een psychologisch verhaal over het identiteitsprobleem en als een filosofisch verhaal dat de onkenbaarheid van de mens en zijn geschiedenis tot thema heeft. In dit licht bezien kan men De tranen der acacia's als een voorstudie beschouwen.

Hermans werd van 1958 tot 1972 lector aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Zijn afrekening in Mandarijnen op zwavelzuur (1964) met de naoorlogse literatoren en hun kritiekloze navolging van Ter Braak en Du Perron heeft de literaire canon beslissend beïnvloed en zijn poëticale beschouwingen, waarvan enkele inmiddels klassieke voorbeelden zijn terug te vinden in Het sadistische universum (1964), hebben schrijvers, critici en wetenschappers van opeenvolgende generaties tot voorbeeld gediend.

Vijverberg-prijs 1966 voor Nooit meer slapen. Hermans bestemde het geld voor de actie 'Eten voor India'.
Nooit meer slapen, dat een mislukte wetenschappelijke expeditie in Lapland van de jonge geoloog Alfred Issendorf beschrijft, wordt als Hermans' beste werk beschouwd. Deze roman kan men eveneens op drie wijzen lezen: als een verslag van een ontdekkingstocht, als een psychologisch verhaal van een jongeman die zijn vader wil overtreffen en als een filosofisch verhaal waarin de speurtocht naar meteorieten gezien moet worden als een `graalqueeste', die de hoofdpersoon echter slechts tot het besef brengt dat hij geen inzicht heeft in de in wezen onbegrijpelijkheid van het leven.

W.F. Hermans heeft veel literaire prijzen, waaronder de P.C. Hooft-prijs (1971) geweigerd. De P.C. Hooft-prijs weigerde hij, omdat in een eerste brief van het ministerie (22-12-1972) gemeld werd dat de geldprijs 18.000 gulden bedroeg, maar men in een excuusbrief (11-01-1973) schreef dat dat een tikfout was. Het bedrag was 8.000 gulden. Vervolgens meldde Hermans minister P.J. Engels dat 'hij niet bekroond wenste te worden door een minister wiens handtekening van de ene op de andere dag 10.000 gulden in waarde daalt'.

In de loop der jaren verslechtert de verhouding tussen Hermans en zijn collega's zodanig, dat hij zijn heil ergens anders gaat zoeken. Hij had gerekend op de titel van professor, maar als hij die niet krijgt neemt hij in 1973 ontslag en vertrekt hij naar Parijs. Het rumoer rond het conflict tussen Hermans en de Universiteit van Groningen doet zoveel stof opwaaien dat er zelfs een discussie over plaatsvindt in de Tweede Kamer. In zijn sleutelroman Onder Professoren (1975) komt Hermans op een venijnige manier terug op dit conflict.

Sindsdien verbleef hij als schrijver in Parijs waar hij tot het begin van de jaren negentig bleef wonen.

Onder het pseudoniem Age Bijkaart schreef hij vanaf 1974 in Het Parool.

In zijn latere werk keerde hermans zijn scherpe pen af van de oude structuren en richtte hij haar tegen de maatschappijhervormers. In de sleutelroman Onder professoren (1975) wordt afgerekend met het universitaire milieu waaruit Hermans noodgedwongen wegvluchtte, maar tegelijkertijd wordt de studentenrevolte van de late jaren met veel sarcasme de grond ingeboord.

Accepteerde in 1977 de Prijs der Nederlandse Letteren voor zijn gehele oeuvre uit handen van de Belgische koning Boudewijn.

In de jaren tachtig werd zijn bezoek aan Zuid-Afrika, waartegen een culturele boycot was ingesteld, door velen, en met name de stad Amsterdam, bekritiseerd.

In Uit talloos veel miljoenen (1981) en Au pair (1989) ligt het accent meer op de groteske humor van de sarcastische zedenmeester hermans.

In 1993 werd zijn novelle In de mist van het schimmenrijk uitgegeven als boekenweekgeschenk.

Willem Frederik hermans stierf op 27 april 1995 in Utrecht.

Hermans was een tegenstander van literaire prijzen en weigerde de Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945, de Vijverbergprijs en de P.C. Hooftprijs. In 1977 aanvaardde hij wel de Grote Prijs der Nederlandse Letteren. In 1990 werd door de universiteit van Luik een eredoctoraat letteren en wijsbegeerte aan Hermans toegekend.

Onder het pseudoniem Age Bijkaart schreef hij in 'Het Parool'. Hij gebruikte ook de pseudoniemen: Pater Anastase Prudhomme S.J., Pater Frater B.I.M. Boefjes, G. van Grijnen, W.F. Hermans-Bernards, Dirk Hosselaar, Camille Houckaert, Fjodor Klondyke (vier thrillers, vlak na de Tweede Wereldoorlog), OAS, Ramsus, Ramsus II, Schrijver Dezes, Doctor Victor E. van Vriesland, Sita van de Wissel, L.A. de Witt en Prof. Dr. B.J.O. Zomerplaag.

Zie ook: bi(bli)ografie


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 92.