kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Willem Kloos

Nederlands dichter en letterkundige, geboren in Amsterdam op 6 mei 1859, overleden te Den Haag op 31 maart 1938.

Willem Johannes Theodorus (Willem) Kloos was een belangrijk vertegenwoordiger van de Tachtigers.

Levensloop
Kloos werd geboren als zoon van de kleermaker Johannes Kloos en diens vrouw Anna Cornelia Ameise. Zijn moeder overleed in 1860, kort na de geboorte van een tweede zoon. Johannes Kloos hertrouwde in 1861 met Sophia Petronella van Beresteyn, weduwe van W.J. de Roever ('De ijskille' en 'Het stiefmensch' uit Kloos' Binnengedachten).

Op de HBS aan de Keizersgracht te Amsterdam (1873-1877) is de bekende literator W. Doorenbos zijn leraar voor geschiedenis. De dood van een vroegere klasgenoot, Jan Beckering, brengt Kloos in 1877 tot het schrijven van Duitse verzen. Privé-lessen Grieks en Latijn, ook van Doorenbos, bereiden hem voor op de studie klassieke letteren aan de Universiteit van Amsterdam waar hij van 1879 tot 1984 studeerde.

In december 1879 debuteert Kloos als criticus, met een beschouwing over 'Lilith en De Gids', in De Nederlandsche Spectator onder het pseudoniem Q.N. Als dichter debuteerde hij in 1880 met het lyrisch-dramatische Rhodopis, in 1879 nog door De Gids geweigerd, in het tijdschrift Nederland. Verzameling van oorspronkelijke bijdragen van Nederlandsche letterkundigen.

Kloos' gedichten uit de jaren 80 van de 19e eeuw zijn beïnvloed door de Engelse dichter Shelley.

Kloos leerde tijdens zijn studententijd in 1879 een andere veelbelovende dichter kennen: Jacques Perk. Samen met Perk reist hij naar België; hij voorziet een handschrift van diens dichtwerk de Mathilde-cyclus van aantekeningen. In april 1881 verbreekt Perk niettemin de vriendschap.

In juni van dat jaar woont Kloos de oprichtingsvergadering bij van de letterkundige vereniging Flanor en werkt hij mee aan De Amsterdammer.

Hij schrijft naar aanleiding van Perks dood op l november 1881, voor De Nederlandsche Spectator een 'In memoriam Jacques Perk'.

Door C. Vosmaer wordt hem de tekstverzorging van Perks dichterlijke nalatenschap toevertrouwd - Gedichten (Sneek, 1882). De daaraan door Kloos meegegeven inleiding bracht 'een aantal gedachten over de dichter en de dichtkunst tot uitdrukking, die de manifestatie in Nederland betekenen van het contemporaine nieuwe denken over de poëzie'.

Kloos verwierp in felle bewoordingen de stichtelijke en huiselijke poëzie van domineedichters als J.J.L. Ten Kate, Nicolaas Beets en Bernard ter Haar en hield hij een hartstochtelijk pleidooi voor een poëzie van passie, die niet gericht is op enige morele of didactische boodschap maar alleen in dienst wil staan van de Schoonheid. De kunst bestaat slechts om de kunst. Kloos creëerde in dit manifest, in navolging van o.a. de Engelse romanticus Shelley, het beeld van de dichter, die uitverkoren is door zijn kunstenaarschap en eenzaam door de wereld gaat. De dichter moet zijn lijden, verlangen, smart en liefde verwoorden in een eigen, persoonlijke taal en beeldspraak: vorm en inhoud zijn één.

Als lid van de literaire vereniging `Flanor' te Amsterdam breidde Kloos zijn contacten verder uit; op de valreep van 1881 maakt Kloos kennis met Albert Verwey. Hij verbeef tussen 1882 en 1884 echter ook veel in Brussel, waar het gezin Doorenbos - met dochter Martha - zich had gevestigd en hij Hélène Swarth leert kennen.

Thuis in Amsterdam, ontmoet hij zijn latere bentgenoten. Kort na zijn kandidaatsexamen klassieke letteren (1884), studie die hij niet zal vervolgen, breekt hij met Vosmaer, na diens weigering Kloos' scherpe kritiek op de poëzie van Louis Couperus in Nederland op te nemen.

Na de breuk van Vosmaer kregen zijn plannen voor een eigen orgaan al snel vaster vorm. Na de oprichtingsvergadering juni 1885 verscheen Oktober 1885 De Nieuwe Gids onder redactie van Frederik van Eeden, Frank van der Goes, Willem Kloos, Willem Paap en Albert Verwey, een tweemaandelijks orgaan met afleveringen van elk ongeveer 160 pagina's.
In dit tijdschrift publiceerde Kloos een reeks literaire kronieken, die samen een beeld geven van zijn poëtica. Hij legt hierbij de nadruk op het op persoonlijke wijze weergeven van emoties door de dichter.
Voor het beschrijven van wat er omgaat in zijn ziel heeft de dichter twee middelen: klankexpressie en beeldspraak. Kloos vond dat elk uniek gevoel een eigen beeldspraak met zich mee bracht.
Ook publiceerde Kloos veel van zijn sonnetten in De Nieuwe Gids. Deze sonnetten worden algemeen beschouwd als Kloos' beste literaire werk en als karakteristiek voor de opvattingen van Tachtigers. De gedichten beschrijven de gevoelens van de dichter en de wisselingen in zijn stemmingen. De beroemdste dichtregel van Kloos is waarschijnlijk wel: "Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten"

Eind 1885 had Kloos al samen met zijn goede vriend Albert Verwey de dichtbundel Julia geschreven. Een verhaal van Sicilië. Het werk was geschreven in de door hen verguisde, ouderwetse romantische stijl in de trant van Beets en Fiore della Neve en werd gepubliceerd onder het pseudoniem "Guido". De bundel was bedoeld als grap en diende om de literaire recensenten van die tijd voor de gek te houden. De actie slaagde, hoewel het voor hen belangrijke tijdschrift De Gids niet reageerde. In hun brochure De onbevoegdheid der Hollandsche literaire kritiek onthulden Kloos en Verwey hun grap.

Ook in 1885 schreef Kloos onder de naam Sebastiaan Slaap een voorrede bij de bundel Grassprietjes of Liederen op het gebied van Deugd, Godsvrucht en Vaderland door Cornelis Paradijs (Frederik van Eeden). Deze bundel was een parodie op de domineespoëzie.

Met Albert Verwey was Kloos innig bevriend totdat Verwey's verloving met Kitty van Vloten in september 1888 de elektrische schok leverde waardoor (in 2 dagen tijd) een stroom gedichten tot stand kwam: het Het Boek van Kind en God, bestaand uit 10 sonnetten, gevolgd in oktober door nog eens een twintigtal verzen (o.a. Herinnering I en II, Doodgaan I en II, Doodsliedjes, Pathologieën en het bekende Van de zee). Deze gedichten worden algemeen beschouwd als het hoogtepunt in Kloos’ lyrische dichtkunst. Ze werden gepubliceerd in de vierde jaargang van De nieuwe gids, deel 1, in de oktoberaflevering 1888.

In het najaar van 1888 woont hij geruime tijd in Londen bij de schilder Willem Witsen.

In 1890, bij de publikatie van de Verzen van Herman Gorter, omschreef hij de poëzie als ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. Ten aanzien van het proza, met name het opkomend naturalisme, nam hij een minder principieel standpunt in.

In de jaren 90 van de 19e eeuw begonnen verschillende dichters zich te verzetten tegen het individualisme en het "kunst om de kunst"-principe van Kloos en wilden een meer op de maatschappij gerichte, sociale dichtkunst. Ook binnen de oorspronkelijke beweging van Tachtig kwam het tot conflicten. Van Eeden en Van der Goes dachten dat het socialisme verbetering kon brengen, terwijl Kloos en Van Deyssel dachten dat het socialisme zou leiden tot nivellering van de kunst.
Kloos hield vast aan zijn oorspronkelijke idealen en trok zich terug om poëzie te schrijven. In zijn persoonlijk leven ging het nu ook slechter. Ernstige fysieke en geestelijke inzinkingen waren zijn deel geworden na de verbreking van de homo-erotisch gekleurde vriendschap met Albert Verwey. Hij begon te drinken, kreeg last van psychoses. Vrienden, zoals de schilder Witsen, waren hem tot steun, Van Eeden als psychiater behandelde hem.

Tijdens het bezoek van Paul Verlaine aan Amsterdam en Den Haag (november 1892) wordt Kloos nog in brede kring als gelijkwaardig aan Verlaine beschouwd. Dat zelfde jaar heeft hij ook de student Pet Tideman leren kennen: kennismaking die weldra voor Kloos, toch al aan de drank geraakt, fatale gevolgen zal hebben.

Het besef dat anderen hem als dichter en ook maatschappelijk slaagden, uitte zich in rancune. Zijn 'scheldsonnetten' (De Nieuwe Gids, ix) en zijn gedragingen in 1893-1894, toen hij wederrechtelijk de gehele De Nieuwe Gids aan zich trok, zijn alleen zó te verklaren. Na een redactieconflict met betrekking tot Herman Gorter is Kloos vanaf 1 oktober 1893 de enige redacteur van De Nieuwe Gids en vanaf april 1894 tot zijn ineenstorting in september 1894, samen met Pet Tideman en Hein Boeken.

In 1894 hield De Nieuwe Gids tijdelijk op te bestaan, maar later ging het blad toch weer door. Mede door de opkomst van nieuwe literaire stromingen, in eigen tijdschriften belichaamd, heeft De Nieuwe Gids nooit meer een leidende positie heroverd, al hebben vooraanstaande auteurs eraan meegewerkt (Leopold, Van Looy, Van Deyssel, Streuvels, Timmermans). De sonnetten en kritieken van Kloos, maandelijks gepubliceerd en van tijd tot tijd gebundeld, bereikten zelden het oude peil en zakten dikwijls af tot berijmd of onberijmd geredeneer.

In juli 1894 verscheen de bundel Verzen, niet chronologisch geordend, waarin buiten o.m. het dramatisch fragment 'Rhodopis' en de drie zangen van het, ook onvoltooid gebleven, gedicht 'Okeanos', de beroemd geworden sonetten als 'Ik denk altoos aan u, als aan die droomen', 'Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht', 'Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten', 'Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht', 'Ik ween om bloemen in den knop gebroken', 'De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining', alsook de cyclus Het boek van Kind en God, een Passiespel, eerder verschenen in De Nieuwe Gids van oktober 1888. Een jaar later volgde Nieuwe verzen.

1896 - D.A. Thiemeprijs voor Verzen

In 1896 verscheen in twee bundels Veertien jaar literatuur-geschie-denis welke een standaardwerk betekenen voor de kennis van de Beweging van '80 en De Nieuwe Gids-tijd. In deze bundel verschenen zijn literaire kronieken verschenen in De Nieuwe Gids vanaf december 1885.

Wanneer Kloos in de zomer van 1896 (na een poging tot zelfmoord, een verblijf in een krankzinnigengesticht en na de genezing van zijn drankzucht) weer in staat wordt geacht De Nieuwe Gids - als maandblad voortgezet - te redigeren, heeft dit periodiek zijn leidende positie al voorgoed verloren.

4 januari 1900 trouwde hij met Jeanne Reyneke van Stuwe, een productief schrijfster van societyromans (in 1927 zal het echtpaar de daaraan voorafgegane Liefdesbrieven openbaar maken). Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Kloos vestigde zich in 's-Gravenhage, waar hij een omvangrijke bibliotheek bijeenbracht en talrijke vrienden en bewonderaars ontving. Hij publiceert met grote vlijt maandelijks zijn kritieken en sonnetten (vanaf 1924 de nooit gebundelde Binnengedachten).

Kloos' invloed was toen al veel minder geworden, maar hij bleef gedichten publiceren in De Nieuwe Gids en zou tot zijn dood in de redactie blijven.
Op grond van zijn roem, die echter vrijwel uitsluitend berust op het werk van vóór zijn dertigste levensjaar, wordt hij herhaaldelijk gehuldigd: bij gelegenheid van zijn 50e, 60e, 70e en 75e verjaardag.

1918 - Tollens-prijs voor zijn hele oeuvre

Op 3 maart 1935 kreeg Kloos, samen met Lodewijk van Deyssel, een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam. Toch waren deze lange, latere jaren voor Kloos en zijn trouwe echtgenote moeilijk. Slechts een gedurig krimpende kring van bewonderaars bleef hem en zijn Nieuwe Gids trouw. Financieel moesten de bestaansmogelijkheden steeds meer gaan rusten op de werkzaamheden van Kloos' vrouw, het leven ging voor hemzelf een in zichzelf gekeerd, vereenzaamd karakter dragen.

Na zijn dood te Den Haag op 31 maart 1938 is op grond van documentaire publikaties, zijn literaire betekenis en vooral ook zijn morele integriteit een punt van discussie geworden; daarbij werd zijn homoseksuele aanleg, blijkens de verhoudingen met zijn jeugdvrienden al lang voor velen duidelijk, nu openlijk erkend. Indien men echter De Nieuwe Gids in de jaren 1885-1893 een `geestelijk brandpunt' acht, volgt daaruit tevens de erkenning van de onvervangbare betekenis van Kloos, aangezien hij tien jaar lang de centrale figuur van de literaire jongeren is geweest.

De Nieuwe Gids stierf enkele jaren na de dood van haar oprichter Kloos een roemloos einde: het werd in de oorlog een wat we nu noemen heel erg fout blad. In 1943 verscheen het laatste nummer.

In zijn op 6 mei 1959 in Den Haag uitgesproken herdenkingsrede legde J.C. Brandt Corstius de volle nadruk op Kloos' betekenis in het vroege stadium van zijn kunstenaarschap: 'Kloos was geheel het nieuwe type kunstenaar. Wie hem zag wist dat er een nieuwe kunst was, te verafschuwen of te verheerlijken. Zo heeft Witsen hem getekend, zo gefotografeerd (...). Kloos heeft het verlossende woord gesproken voor zijn generatie (...). Kloos heeft het nieuwe dichterschap verbeeld in zijn lyrisch-dramatische fragmenten, het dichterschap van de ziel. Kloos heeft aan de stemming, die de nieuwe tragische dichtkunst begeleidde in weinige onovertroffen verzen uitdrukking gegeven.'

Websites: GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Willem_Kloos.

Bron: Harry G.M. Prick, 'Kloos, Willem Johannes Theodorus (1859-1938)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn2/kloos [01-02-2007]


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1122.