![]() INSCHRIJVEN NIEUWSBRIEF OF WEBFEED! Tip: klik op Violist voor andere pagina's over dit onderwerp. |
Index lexicon: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z 0-9 Deze pagina is voor het laatst bewerkt. ViolistEen violist(e) is een musicus die een viool bespeelt.De voornaamste speeltechnieken zijn: pizzicato: de snaren worden met de vingers getokkeld; dubbelgrepen: er worden 2 snaren tegelijk aangestreken; con sordino: met demper (rubberen knijper die op de kam geplaatst wordt); tremolo: zeer vlug met de strijkstok over de snaar heen en weer gaan (op dezelfde noot); saltato: de strijkstok springt over de snaren; vibrato: de linkerhand beweegt lichtjes heen en weer over de snaar; legato: gebonden; col legno: letterlijk: met het hout; met de achterkant van de strijkstok op de snaren slaan; scordatura: het verstemmen van één of meerdere snaren (bijvoorbeeld: de la-snaar wordt in si mol gestemd). Dit wordt soms toegepast om de grepen te vereenvoudigen. Beroemde violisten Beroemde violisten zijn o.a. Lucien Capet, Fritz Kreisler, Rodolphe Kreutzer, Yehudi Menuhin, David Oistrach, Igor Oistrach, Niccolò Paganini, Pablo Sarasate, Andere beroemde vioolspelers: Tommaso Albinoni 1671 - 1751 Heinrich Ignaz Franz Biber 1644 - 1704 Arcangelo Corelli 1653 - 1713 Francesco Geminiani 1687 - 1762 Pietro Locatelli 1695 - 1765 Johann Georg Pisendel 1687 1755 Johann Heinrich Schmelzer 1623 - 1680 Giuseppe Tartini 1692 - 1770) Giuseppe Torelli 1658 - 1709 Francesco Maria Veracini 1690 - 1768 Antonio Vivaldi 1678 - 1741 Giovanni Battista Vitali 1632 - 1692 Johann Jakob Walther 1650 - 1717 Pierre Baillot 1771 - 1842 Franz Benda 1709 - 1786 Johann Benda 1713 - 1752 Franz Berwald 1796 - 1868 Christian Cannabich 1731 - 1798 Karol Josef Lipinski 1790 - 1862 Johann Gottlieb Graun 1703 - 1771 Rodolphe Kreutzer 1766 - 1831 Pietro Nardini 1722 - 1793 Niccolò Paganini 1782 - 1840 Gaetano Pugnani 1731 - 1798 Alessandro Rolla 1757- 1841 Louis Spohr 1784 - 1859 Anton Stamitz 1754 - 1796 Carl Stamitz 1745 - 1801 Johann Stamitz 1717 - 1757 Giovanni Battista Viotti 1755- 1824 Joseph Joachim (1831- 1907) Fritz Kreisler (1875 - 1962) Hubert Ries (1820? - ?) Josef Suk (1874 - 1935) Henri Vieuxtemps (1820 - 1881) Arthur Grumiaux (1921 - 1986) Gidon Kremer (1948) Yehudi Menuhin (1916 - 1999) Nathan Milstein (1903 - 1992) David Oistrach (1908 - 1974) Igor Oistrach (1931) Theo Olof Itzhak Perlman (1945) Isaac Stern (1920 - 2001) Nigel Kennedy (1956) Vanessa Mae (1978) Maxim Vengerov (1974) Slijtageslag http://www.music-abc.com/rsi.html Veel van onze bewegingen - daaronder dus zeker die welke te maken hebben met het bespelen van een instrument - vinden op de 'automatische piloot' volgens een aangeleerd patroon plaats. We verliezen zo steeds meer van de natuurlijke manier van bewegen die we als kind wel hadden. Daarbij komt dat een eenzijdige belasting, bijvoorbeeld van de halswervels van een violist, na verloop van tijd in slijtage overgaat, waardoor de belasting wordt verplaatst en daar dus extra groot wordt. In dit stadium is het kwaad dus al geschied en zou je in feite met vioolspelen moeten ophouden. Niet vergeten mag worden dat pijn niet alleen maar een dwingend signaal is, maar een dergelijke prikkel werkt op allerlei manieren op het lichaam in. Het doet waarschijnlijk spieren aantrekken, waardoor gewrichten - of in het geval van de violist de halswervels - gedeeltelijk geblokkeerd raken en de slijtage in de naastliggende delen toeneemt. Zenuwen kunnen daarbij bekneld raken waardoor uitval en gevoeloosheid kan optreden. Het zijn duidelijk situaties die bij voortduren rampzalig kunnen uitpakken en die inmiddels heel wat muzikanten in de WAO heeft doen belanden. zie ook http://www.halviala.com/ De Ontwikkeling van de Vioolmethodes Zie volledig bron op: http://www.halviala.com/bibviool.htm De ontwikkeling van de vioolmethodes is een lang proces geweest. De "regels" van het vioolspel werden eerst grotendeels van mond tot mond overgebracht, zodat de leerling niets anders had dan de aanwijzingen van zijn leermeester. Van een vioolmethode in de letterlijke zin van het woord was tot eind zeventiende eeuw nog geen sprake. Het eerste werk dat beschouwd kan worden als een "vioolmethode", is het in 1645 in Milaan uitgegeven boek "Il scolaro per imparare a suonare di violino ed altri Stromenti" van Gasparo Zanetti. Hoewel Zanetti ook uitleg geeft over andere instrumenten dan de viool, heeft hij de eerste stap gezet op weg naar een werkelijk lesmethode. Dat het zo lang heeft geduurd, berust op het feit dat de viool als instrument nog niet de plaats ingenomen had, waarop zij recht had, maar werd beschouwd als een minderwaardig speelgoed, goed genoeg voor de straatmuzikant. In de boeken werd de viool opgenomen in de grote familie van de strijkinstrumenten en ondergebracht bij de "kleine violen". Aan een afzonderlijke lesmethode werd niet eens gedacht. Volgens de geleerden was de viool niet geschikt voor de "hogere kunsten". Begrijpelijk is dat deze toestand niet bevorderlijk was voor de populariteit van de viool, en daarom was het onderwijs in die tijd nog niet tot grote bloei gekomen. De ontwikkeling kwam eigenlijk pas goed op gang nadat de prachtige Italiaanse violen overal bekend werden. Francesco Geminiani THE ART OF PLAYING THE VIOLIN Zie volledig bron op: http://www.halviala.com/bibviool.htm De vioolschool van Francesco Geminiani: "The Art of playing the violin", is uitgegeven in 1740 te Londen. Zijn werk werd spoedig overal bekend, zodat er een Franse vertaling volgde in 1752 onder de titel "L'Art de jouer le violon". Ook bestaat er een Duitse uitgave. "The Art of playing the violin" betekende destijds een grote vooruitgang op de reeds bestaande methodes. Geminiani streefde naar professionaliteit, en laat dan ook iedereen in de introductie weten dat zijn werk niet geschreven is voor violisten, wier doel is voor de dans of in een orkest te spelen. Geminiani richt zich tot de violisten die hogere aspiraties hebben. Zo schrijft hij in zijn voorwoord: "Degene, die in mijn methode zoekt naar de imitatie van de haan, de koekoek of een andere vogel, hetzij van de trom, de trompet of iets dergelijks, zal zich teleurgesteld zien, want zulke acrobatiek of kwakzalverij is ten ene male vreemd aan mijn boek. Maar ik vlei mij met de stellige verwachting, dat de leerling alles erin zal vinden, wat hem tot een goed violist kan vormen". De bedoeling is duidelijk. Geminiani verzet zich tegen de liefhebberij van de toenmalige violisten, om alle mogelijke dieren en vreemde geluiden op de viool te willen nabootsen. De methode is verdeeld in 24 paragrafen (exemples) met tekst en voorbeelden. Hier volgen enkele voorbeelden. HOUDING VAN DE VIOOL Om de houding van de viool te beschrijven, geeft Geminiani een middel aan om de juiste stand van de linkerhand te verkrijgen. Hij laat de leerling de eerste vinger plaatsen op de noot F op de E-snaar, de tweede op de C van de A-snaar, de derde op de G van de D-snaar en de pink op de D van de G-snaar. Dit moet kunnen zonder een vinger op te lichten, totdat alle vingers op hun plaatsen bevinden. Daarna worden zij tot geringe hoogte opgeheven. Volgens deze manier zal de houding van de hand goed zijn. Deze stand van de linkerhand is later bekend geworden als "de Geminianische greep". Op zich zelf is het een goede oefening voor een reeds gevorderde speler, maar veel te moeilijk voor een beginneling. Hierover mogen wij niet vergeten, dat tot diep in de tweede helft der achttiende eeuw, de hals van de viool twee a drie centimeter korter was dan tegenwoordig en dat dus de bewuste greep een spanning vereiste, welke nu gelijk staat met dezelfde greep in de derde of de vierde positie. HOUDING VAN DE STRIJKSTOK Het spreekt vanzelf, dat Geminiani de ltaliaanse houding gebruikt: de stok vasthouden tussen de duim en de vingers, op korte afstand van de slof, de haren naar binnen gekeerd tegen de nagelkant van de duim. In die stand moet de stok vrij en ontspannend zonder stijfheid vastgehouden worden. Over de bewegingen van de rechterarm schrijft Geminiani als volgt: "Wanneer men snelle detache noten te spelen heeft, moeten deze met de pols en de elleboog (hier wordt de onderarm bedoeld) uitgevoerd worden en weinig of helemaal niet met het schoudergewricht; maar wanneer het lange noten zijn, die de gehele stok eisen, wordt het schoudergewricht gebruikt. Uit deze regels blijkt wel, dat Geminiani de functies van de pols, de onder- en bovenarm reeds anatomisch vastgesteld heeft. Verder geeft Geminiani nog enkele richtlijnen voor het strijken: "De stok moet steeds parallel met de kam lopen, en het is alleen de eerste (wijs)vinger, die hem op de snaren drukt en dus niet het gewicht van de hele hand". "De beste spelers sparen hun stok niet en gebruiken hem in zijn geheel, van de punt tot slof, zelfs voorbij de vingers". "Als een van de voornaamste schoonheden van het vioolspel geldt, dat de toon zacht of sterk kan worden: de lange noten moeten zacht beginnen en langzamerhand sterker worden tot in het midden van de stok en daarna zachter worden tot aan het einde". Het is dus eenvoudig een "crescendo-diminuendo" op een lange toon, of volgens de Franse uitdrukking, een "son file" Ten slotte schrijft hij nog, "mag de beweging van de stok niet haperen en vooral niet in 't midden opbouden, want het nakomen van deze stelregel zal de schoonheid van de klank bevorderen". DE LINKERHAND In plaats van het woord "posities", gebruikt Geminiani de term "ordres", die in numerieke opvolging gestudeerd worden. Voor de positiewisseling geldt een bijzonder regel: "Naarmate de linkerband naar boven gaat, moet de duim steeds achter de eerste vinger blijven, om tenslotte helemaal onder de hals te verdwijnen, wanneer de hand in de hoogste positie is". Op zeer exacte wijze wordt dus de belangrijke functie van de duim beschreven. "Het is een vaste regel dat de vingers zo stevig mogelijk op de snaren gezet moeten worden en dat we ze alleen opheffen, wanneer het nodig is. Het nakomen van deze regel zal U van het grootste nut zijn bij het spelen van dubbelgrepen". Deze aanwijzing had vandaag geschreven kunnen zijn. Van de leerling verlangt Geminiani, dat de vingerzettingen van de diverse posities eerst zonder, daarna met strijkstok gestudeerd zal worden, zodat de speler de aandacht op elke moeilijkheid afzonderlijk kan vestigen. De oefeningen voor het leren van de vingerzettingen zijn zeer uitgebreid. Een daarvan geeft b.v. alle manieren aan om dezelfde noot in alle posities te spelen. Bij een ander voorbeeld zien wij, dat hij uitsluitend de eerste en de tweede vinger gebruikt voor de toonladder van C vanaf G (losse snaar) tot C, derde positie op de e snaar. Vervolgens krijgt de leerling nog drie andere manieren om de toonladder van C te spelen. De linkerhand oefent een heen en-weer beweging in alle mogelijke combinaties, zodat de leerling "de nodige handigheid" leert. Bij de chromatische toonladders wordt hetzelfde systeem toegepast. Twee chromatische tonen mogen nooit met dezelfde vinger gespeeld worden, vooral in een snel tempo. Dit is om het glissando te vermijden: Wanneer vier chromatische tonen elkaar opvolgen, worden ze in een en dezelfde positie genomen, hetgeen een samentrekking van de hand veroorzaakt. Hierna volgt de studie van de toonladders, op- en afgaande in gebroken tertsen, kwarten, kwinten, sexten, octaven en decimen. In sommige oefeningen wordt de linkerarm aan een moeilijke proef onderworpen namelijk door de snelle snaarwisseling, welke het vereist. Het is opmerkelijk, dat Geminiani weinig positiewisselingen gebruikt om de hoge posities te bereiken. Uit de volgende voorbeelden kan men zien, dat hij de hand alleen daar verplaatst, waar het, nodig blijkt. Hij blijft zo lang mogelijk in een positie. Om naar de hogere posities op te klimmen gebruikt Geminiani slechts de vingers, die nodig zijn. DE STOKVOERING De stokvoering bij Geminiani is sterk ontwikkeld. Hij begint met ons te laten zien, hoeveel strijkmanieren mogelijk zijn om twee, drie, vier, vijf en zes noten te spelen. B.v. twee noten hebben vier mogelijkheden; drie hebben er acht; vier zestien; vijf noten twee en dertig en zes noten, niet minder dan vier en zestig. Hieronder een voorbeeld van vier noten: Aan het bovenstaand voorbeeld merkt men, dat de oefeningen steeds af- en opstreek gespeeld werden. "De leerling", zegt de meester, "moet onvermoeid die verschillende streken studeren, totdat hij ze volkomen beheerst, Alleen degene, die een perfecte stokvoering heeft, zal in staat zijn een melodie mooi te kunnen weergeven". TOT SLOT "The Art of playing the violin" geeft ons een duidelijk beeld, hoe ver de technische aspekten in het vioolspelen omstreeks de zeventiende eeuw waren ontwikkeld. Het gebruik van de zeven posities op alle snaren is een feit geworden, het akkoord- en het dubbelenotenspel is zeer ontwikkeid en uitgebreid tot zeer moeilijke grepen, kortom de linkerhand is volwassener geworden. Maar ook de rechterhand heeft een ontwikkeling doorgemaakt. De wijze van stokvoering is in nieuwe banen geleid en de rechterhand is een waardig partner van de linker geworden. Dankzij Francesco Geminiani onstond er in de ontwikkeling van de vioolmethodes een nieuwe tijdperk. Hij was natuurlijk niet de enige die boeken schreef, maar omdat zijn werk duidelijk en zeer uitgebreid is, kreeg hij erkenning overal in Europa. Het volgende boek dat veel bekendheid kreeg, is de door Leopold Mozart geschreven "Grondig onderwijs", die ook in het Nederlands, verscheen in 1766. |