kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 16-08-2008 voor het laatst bewerkt.

Jan Wils

Nederlands architect, interieurontwerper, meubelontwerper en auteur, geboren 22 februari 1891 Alkmaar – overleden 11 februari 1972 Voorburg (Den Haag).

Jan Wils gold lange tijd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de moderne architectuur. Wils had de ideeën van 'De Stijl' met Mondriaan en Van Doesburg vertaald naar een bouwkunst die getypeerd werd door rechthoekige vormen en platte daken. Maar meer nog liet hij zich inspireren door de architectuur van Frank Lloyd Wright, H.P. Berlage en Dudok. Daarnaast werd hij geïnspireerd door de Amsterdamse School. Wils’ gebouwen zijn strak van vorm, zijn gevels kennen vrijwel geen versieringen en karakteriseren zich als afgewogen composities van horizontale en verticale elementen, maar zijn tegelijkertijd levendig en organisch.

Jan Wils was ontwerper van het Olympisch Stadion (1928) in Amsterdam en de beroemde woonwijk De Papaverhof (1921) in Den haag. Met zijn vele publicistische activiteiten maakte Wils Den Haag rijp voor een architectuur die sterk beïnvloed was door het werk van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright, hijwerd ook wel Frank Lloyd Wils genoemd, en die later bekend zou worden onder de naam Haagse School. - (Biografie
Jan Wils was de oudste zoon van Evert Wils en zijn vrouw Jannetje Blankman. Zijn vader was aannemer en had een bedrijf in Alkmaar.

Van 1903-1907 volgde hij de nijverheidscursus, constructieleer en tekenen, aan de Burgeravondschool in Alkmaar. In 1910 behaalde hij zijn HBS-diploma eveneens in Alkmaar. Later studeerde hij architectuur aan de Technische Hogeschool van Delft.

Eén van zijn eerste architectonische studies is een Jugendstil gevel van de apotheek van L. Kruier in Alkmaar uit 1908.

Na verschillende studiereizen, voornamelijk naar Duitsland, was hij tussen 1910 en 1913 verantwoordelijk voor kleine opdrachten in het bedrijf van zijn vader. In 1912 meldde hij zich aan als volontair bij Gemeentewerken Alkmaar.

In juni 1912 werd hij tweede in een prijsvraag 'voor eene "landelijke woning", waarvan zoveel mogelijk alles van baksteen moest wezen en welks [...] den prijs van ƒ 2200 niet te boven mocht gaan', die de Nederlandse Vereniging van Baksteenfabriekenten uitschreef ter gelegenheid van de 'Tentoonstelling van Baksteen'.

In 1912 kwam ook zijn eerste belangrijke werk tot stand, een autogarage van de firma Stikkel, Olt en Tenzeldam in Alkmaar. Het is een monumentaal gebouw met versoberde, classicistische elementen, maar bevat evenmin een constructie van gewapend beton. Daarnaast ontwierp hij in deze periode ook arbeiderswoningen en zomerhuisjes in Alkmaar en Bergen.

In 1913 verhuisde hij naar Den Haag, waar hij als tekenaar werkte voor het architectenbureau van Johan Mutters.

In zijn vrije tijd nam hij deel de prijsvraag voor een waterkantoor van architectenvereniging Architectura et Amicitia. Het leverde hem slechts een tweede prijs op, maar zijn werk kwam zo wel onder ogen van de juryleden Berlage, Kromhout en Van der Pek.

1 april 1914 te Alkmaar trouwde Wils met apothekersassistente Gepke van der Veen uit Winschoten en vestigde zich aan de Van Buurenstraat in Den Haag.

Berlage
Wils ging op het Haagse bureau van Berlage werken en raakte in de ban van zijn geloof in een betere (socialistische) samenleving en de Engelse Arts and Crafts. Wils ging echter verder dan Berlage en verklaarde zich later aanhanger van het (geestelijk) communisme. Dit had consequenties voor de architectuur die hij voor ogen had: de eenheid tussen kunst en maatschappij moest ook worden vertaald in het ruimtelijk denken: ruimtekunst in plaats van stijlarchitectuur.

Frank Lloyd Wright
Via Berlage komt Wils in aanraking met werk en theorie van Frank Lloyd Wright dat aansloot bij zijn 'ruimtekunst' en afstand nam van het ornamenteren. Wils werd overtuigd aanhanger en propagandist van de Amerikaanse architect, niet alleen vanwege de ‘ruimtelijke kwaliteit’ van zijn werk, maar ook vanwege zijn afkeer tegen individualiteit en het feit dat hij de mens centraal stelde en niet de architect. In 1921 schreef de toen in Voorburg woonachtige architect in Elseviers geïllustreerd maandschrift: “Breed, languit liggen zijn bouwwerken. Elke inwendige ruimte teekent zich in zijn ware verhoudingen naar buiten af en over dat samenstel van lichamen ligt het vlakke dak, vaak ver naar buiten de gevellijn uitstekend. Breede, zware banden accentueeren de horizontale werking van het gebouw, waarin de opstijgende lijnen van schoorstenen, soms ook van ramen, de eenige tegenwichten zijn voor horizontale werking. (...) Er is een geregelde klimming in het huis vanaf de eerste grondslagen tot het hoogste punt van den schoorsteen; de lagen worden steeds korter en het bouwwerk vertoont als resultaat een pyramidevorm, de grondvorm van het hoogste statisch evenwicht en tegelijk aesthetisch, van de meest verheven rust.”

In 1916 opende hij zijn eigen bureau. In 1916 werd Wils ook secretaris van Architectura et Amicitia, waar hij op 24 januari van dat jaar een succesvolle lezing hield over vereenvoudigde en geometrische architectuur. Deze ideeën verwezenlijkte hij in een boerderij in Winschoten (1916-1917) en in de N.H. kerk in Nieuw-Lekkerland (1916-1920), - een bekroond antwoord op een prijsvraag - waarvan de toren enige overeenkomsten vertoont met Olbrichs Huwelijkstoren in Darmstadt.

Van 1915 tot 1917 diende Wils diverse prijsvraagontwerpen in, waarvan de meeste in de stijl van de Amsterdamse School. Pas het laatste ontwerp in deze reeks, een paviljoen in het Stadspark in Groningen uit 1917, is geheel in de stijl van Frank Lloyd Wright. Van alle 81 inzendingen was dit ontwerp ongetwijfeld het meest vooruitstrevend. Het oordeel van de jury luidde echter: 'Zoowel uit een constructief als uit een esthetisch oogpunt is er wel iets bedenkelijks in de schijnbaar zwevende galerij. Het plan is in opvatting wel belangwekkend, maar zou voor een berglandschap beter voegen, dan voor het vlakke Groninger park'.

De Stijl
In 1916 ontmoette hij kunstenaar Theo van Doesburg hetzij in de Haagsche Kunstkring, hetzij in de Leidsche Kunstclub ‘De Sphinx’ en hun ideeën over individualiteit en moderne architectuur kwamen zodanig met elkaar overeen, dat Wils hem hetzelfde jaar nog betrok bij de decoratie van het door hem ontworpen woonhuis en notariskantoor voor de heer J. de Lange in Alkmaar (1916-1917). Hierna zouden Wils en Van Doesburg nog vaker samenwerken (een school en onderwijswoning in Sint Anthoniepolder) en in 1917 betrok Van Doesburg hem ook bij ‘zijn’ pas opgerichte tijdschrift De Stijl. Wils schreef twee artikelen voor het blad (zie Publicaties) en in 1918 onderschreef hij, naast Theo van Doesburg, Robert van 't Hoff, Vilmos Huszàr, Anthony Kok, Piet Mondriaan en Georges Vantongerloo, het Eerste Manifest van de gelijknamige groep.

Lang duurde Wils' lidmaatschap van De Stijl echter niet, want in 1919 kreeg hij onenigheid met Van Doesburg over de financiële waardering voor diens “kleuroplossingen” van café De Dubbele Sleutel in Woerden (1918) en het feit dat Wils geschreven had voor de tijdschriften 'Levende Kunst' en 'Wendingen', die Van Doesburg als tegenhangers van zijn eigen tijdschrift zag.

Na de Eerste Wereldoorlog werd Wils actief lid van de Haagsche Kunstkring. Hij hield er lezingen en organiseerde er tentoonstellingen over architectuur en sociale woningbouw. In 1918 gaf hij de lezing 'Het vrijstaande monument in het moderne stadsbeeld' en in 1919 de lezing 'Hedendaagse stroomingen in de bouwkunst'.
In november 1919 was hij aanwezig op het 'Congres van den Steden-herbouw' in Brussel, waar een groot aantal Nederlandse architecten aan deelnamen, waaronder Berlage, Kramer en Kromhout.

In 1920 verscheen het boek Volkswoningbouw met een inleiding door Berlage, tekeningen van Wils en een kaft ontworpen door Huszàr. Op 5 februari 1920 gaf hij de lezing 'architectuur' voor de leden van de Rotterdamse academie. In juli van dat jaat hielp Wils mee met de organisatie van de tentoonstelling 'La Section d'Or', in het kader waarvan Theo van Doesburg een lezing hield en op 22 en 23 november hield hij twee lezingen in het Secessionsgebouw in Wenen: de eerste getiteld 'Moderne bouwkunst in Nederland' en de tweede 'Enige gedachten over de bouwkunst van onzen tijd'.

Papaverhof, Daal en Berg, Den Haag 1919 - 1922
Intussen had Wils in Voorburg de kunstenaar Piet Zwart leren kennen. Zwart werkte twee jaar als tekenaar bij Wils en droeg bij aan verschillende, belangrijke bouwprojecten. Op 5 juli 1919 werd Wils door de Coöperatieve Woningbouwvereniging „Daal en Berg” gevraagd een woonwijk in Den Haag te ontwerpen. Op de vergadering van 16 juli daaropvolgend gaf hij aan wel iets te voelen voor dit project. Op 22 oktober presenteerde hij zijn plannen.
Daal en Berg wilde oorspronkelijk een tuinstad, maar dit paste niet in het uitbreidingsplan van Den Haag en dus ontwierp Wils 68 eensgezinswoningen rondom een binnentuin. Om zoveel mogelijk woningen te kunnen bouwen en om eentonigheid te voorkomen bouwde hij achterzijden van de huizen aan elkaar en liet hij ze om en om verspringen; een idee afkomstig uit het boekje Vom sparsam Bauen van Peter Behrens en Heinrich de Fries. Om de gemiddelde prijs per woning te verlagen bouwde hij om deze eensgezinswoningen nog eens 60 etagewoningen in blokken van 12. Op 3 december stuurde hij de aanvullende ontwerpen van deze 'flatbouw' naar de voorzitter van Daal en Berg, E.A. van Beresteyn. De ontwerpen werden op 1 februari 1920 d.m.v. een presentatie met 'lichtbeelden' besproken met de directeur van Stadsuitbreiding van Den Haag. De bouw werd op 2 oktober 1920 aanbesteed aan de firma Voormoolen en Bongers, eveneens in Den Haag. Het complex, dat in 1921 gereedkwam, heeft de naam Papaverhof en is nu een Rijksmonument.
Het woningbouwcomplex De Papaverhof in de Haagse wijk Daal en Berg wordt gezien als een van zijn meest tot de verbeelding sprekende projecten. De aandacht voor zowel de sociale ideeën als voor de esthetische vindingen van Wright zijn er in te zien. Freijsier noemt het woningbouwproject “een hoogtepunt van de moderne stedelijke woonarchitectuur in Nederland, een van de eerste tekenen van de omwenteling die rond 1920 in de Nederlandse architectuurwereld plaatsvond.”

Bruynzeel
In 1920 ontwierp Wils in opdracht van de N.V. Hollandsche Deurenfabriek C. Bruynzeel en Zonen de nieuwe deurenfabriek van dit bedrijf in Zaandam, alsmede de bungalow Stormhoek voor directeur Cornelis Bruynzeel Jr., eveneens in Zaandam. Wils is tot in de jaren ‘50 voor Bruynzeel blijven werken. Na 1920 heeft zijn bureau in 1924 (dubbel woonhuis, smederij, garage), 1927 (vloerenfabriek), 1947-1948 (kantoor, garages, kantine) en in 1955-1956 (uitbreiding kantoor deurenfabriek) opdrachten van Bruynzeel uitgevoerd. - (interieur van de dansschool Gaillard Jorissen (1922) eveneens in Den Haag.

In 1921 richtte hij samen met Van der Doll, Uiterwijk en Zwart de woningcorporatie "Bouwplan Voorburg" op met als doel aan de Laan van Nieuw Oost-Indië een woningbouwcomplex te bouwen bestaande uit eengezinswoningen woningen voor alleenstaanden.

In 1923 droeg hij bij aan de ter gelegenheid van het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina georganiseerde tentoonstelling 'Haagsche Bouwkunst sedert 1898', die 23 augustus van dat jaar opende. Ook was Wils 'bouwkundig medewerker' van Het Vaderland, adviseur van het door Het Vaderland uitgegeven 'Extra-Weekblad ter bestrijding der woningcrisis' en vanaf juli 1924 redacteur van Het Bouwbedrijf. Verder was hij vice-voorzitter van het Vincent van Gogh-genootschap en lid van het Nederlandsch kunstenaarsverbond. Op 14 juni 1924 werd hij herkozen als bestuurslid van de Bond van Nederlandse Architecten.
Eind 1924 spande hij zich in voor de 'Nederlandsche Union Instellectuele', die aan de "geestelijke ontreddering, gevolg van den wereldoorlog een einde [wilde] maken".

In 1925 steunde hij Van Doesburg opnieuw, toen De Stijl geweigerd werd deel te nemen aan de Exposition des Arts Décoratifs in Parijs. Toch won Wils op deze tentoonstelling een gouden medaille.

In 1926 werkte Cor van Eesteren korte tijd op het bureau van Wils. Van Eesteren maakte o.a. de presentatietekeningen van het (niet-uitgevoerde) sanitair-technisch bureau J.G. Korsten aan het Koningsplein, dat met zijn uitstekende balkons en glazen gevel zeer vooruitstrevend was.

1926-1928 Olympisch Stadion
In 1926 ontving Wils opdracht het stadion voor de spelen van de IXe Olympiade in Amsterdam te ontwerpen. Vanuit de hoek van de Amsterdamse school Architecten, verenigd in 'architectur en Amacitia', kwam nog wel kritiek over de keuze van de architect, waarbij de discussie gaat over het weggeven van een project zonder hiervoor een prijsvraag uit te schrijven. Voorzitter van het NOC, Baron Schimmelpennick van de Oye, drukt de plannen desondanks door. Architect Jan Wils, zelf groot sporter en geïnteresseerd in sportarchitectuur, krijgt de opdracht.
In 1928 is de bouw gereed. De capaciteit was gepland op maximaal 41.000 toeschouwers. Als het stadion gereed is, blijkt het plaats te kunnen bieden aan 32.000 toeschouwers. De Olympische spelen worden in 1928 gehouden.
Architect Jan Wils ontwierp het Olympisch stadion in Amsterdam voor de Spelen van 1928. In een nieuw-zakelijke stijl, met invloeden van Berlage en Dudok. Hoewel vakgenoten het bouwwerk als ‘onevenwichtig’ bekritiseerden, was het eindoordeel overwegend gunstig. Hij kreeg er tijdens de Spelen een gouden medaille voor.
Foto's ervan werden tentoongesteld in het Stedelijk Museum Amsterdam, waar hij op 30 juli in het bijzijn van het NOC namens Berlage, Dudok, Jan Kalf, Kromhout, Roland Holst, A.H. Wegerif, en vele kunst- en architectuurverenigingen gehuldigd werd. Alleen Architectura et Amicitia en Opbouw waren afwezig. Ook won hij op 2 augustus de eerste prijs architectuur van het Olympisch kunsttournooi en nodigde het gemeentebestuur van Warschau hem uit bij de bouw van het nieuwe stadion in die stad op te treden als adviseur.
In 1937 ontwerpt wederom Jan Wils de vergroting van het stadion. Boven op de sporttempel wordt een tweede betonring geplaatst met trappen om het stadion.
Van het complex, dat verder bestond uit onder andere een zwembad, personeelswoningen en een gebouw voor krachtsport, is alleen het stadion nog over: de andere gebouwen zijn direct na de Spelen al afgebroken. Het stadion zelf, dat in de jaren tachtig met sloop werd bedreigd, is in 1992 op de monumentenlijst geplaatst en gerenoveerd. Daarbij zijn de betonnen ring, een uitbreiding uit de jaren dertig, en de wielerbaan uit het oorspronkelijke ontwerp verdwenen. - (1928 ontwierp hij twee tennisbanen in villapark Leeuwenbergh in Voorburg, waar hij ook mede-eigenaar van werd.

In 1929 ontwierp hij in opdracht van de N.V. Automobiles Citroën in Amsterdam een nieuwe garage, die naast het Olympisch Stadion gebouwd werd op de plaats van het krachtsportgebouw en dat in stijl volkomen aansluit bij het stadion.

Op 20 augustus 1931 ondertekende Wils het aannemingscontract voor de bouw van het door hem i.s.m. ingenieurs Van der Wall en Jonkheit ontworpen kantoorgebouw aan het Piet Heinplein in Den Haag van de OLVEH (Onderlinge Verzekeringsmaatschappij Eigen Hulp, nu onderdeel van AEGON) in Den Haag (gesloopt), dat op 23 juli 1932 geopend werd.

Centrale Onderlinge, Van Alkemadelaan 700 Den Haag 1934 - 1935
City Theater, Leidseplein Amsterdam 1935 - 1936

In 1936 werd Wils uitgenodigd zitting te nemen in de internationale jury van de architectuurwedstrijd van de Olympische Spelen in Berlijn en in juli 1937 werd hij gekozen tot voorzitter van de vereniging 'Kunst aan Allen'.

Hotel Bouwes Zandvoort 1952

Van 1958 tot 1960 werd op het Stadionterrein, naar ontwerp van Wils, het tweede bedrijfsgebouw Citroën gebouwd. Het kwam te staan op de plaats van het schermpaviljoen, dat na de Spelen gesloopt werd, als pendant van de eerder gebouwde (zuidelijke) Garage Citroën.

Bouwes Place Zandvoort 1963 - 1969

Websites:
. Recencie monografie 'Jan Wils 1891-1972. De Stijl en verder' - (GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Wils


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 344.