kunstbus
Dit artikel is 11-03-2022 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

kerkbouw

De architectuur die zich toelegt op het scheppen van ruimten die voor religieuze doeleinden dienen. Terwijl de eerste Christenen hun eredienst hielden in particuliere huizen, ontstond een kerkelijke bouwkunst, toen de Kerk haar vrijheid kreeg. De oudste openbare kerken waren veelal basilica's (letterlijk: koninklijke zuilengalerij of hal; zie basiliek).

Zoals de oudchristelijke kunst in het algemeen aansluiting zocht bij voorchristelijke vormen, zo nam de vroegste kerkbouw een bestaande vorm over, de basilica, de Romeinse markthal, die tevens ontvangstzaal en eventueel cultusruimte was. De eenvoudige structuur daarvan bleef bewaard gedurende de vroege middeleeuwen, ook als de aankleding rijker was. De afmetingen van de vroegmiddeleeuwse kerk waren in het algemeen bescheiden. De ruimte was laag en donker. Een andere essentiële trek van de vroegmiddeleeuwse en ook van romaanse kerken was de 'onordelijke', niet-rationele structuur. In technisch opzicht vormden zij geen geheel.

De romaanse kerkstijl ging in Frankrijk reeds in de tweede helft van de 12e eeuw, in Duitsland en in het overige Europa vooral in de 13e eeuw over in de gotiek. Kenmerken hiervan waren het kruisribbengewelf boven rechthoekige, niet meer kwadratische traveeën, een veelhoekig koor, soms met een krans van kapellen. Maar de langgerekte bouw bleef, met een langzamerhand sterker doorgevoerd verticalisme binnen en buiten.

De gotische stijl was over geheel Europa verbreid. In de nabloei ervan (15e eeuw) was de architectuur van de renaissance in Italië zo belangrijk geworden, dat men ook ten noorden van de Alpen de oude gotische systemen met elementen hiervan begon te vermengen. In de loop van de 16e eeuw nam men de bouwwijze van de renaissance over, hoewel een gotische inslag nog aanwijsbaar bleef.

In Italië werd echter sinds ca. 1500 naast het longitudinale schema ook het centrale schema (centraalbouw) voor grote kerken (naast de doopkapellen en grafkapellen of het middengedeelte van longitudinale gebouwen), weer gebruikt. In Italië gingen aan het eind van de 15e en het begin van de 16e eeuw de beide principes in elkaar over. Deze vorm werd van ca.1580-1650 ook in het noorden (sterk onder Italiaanse invloed) typerend voor het grote kerkgebouw van late renaissance en barok. Kenmerken: het schip was door grote tongewelven met steekkapverlichting of spiegelgewelf overkluisd, de zijbeuken waren ondergeschikt aan het schip, gedrukt en donker, en door ronde, brede ogen ermee verbonden. Soms lag er een reeks duistere kapellen achter elkaar, die onderling verbonden waren. Daarboven liep vaak een lage galerij.

Dit type had vaak een hoge en meestal lichte koepel op hoge trommel boven de vliering en grote versierde altaarwanden in de halfronde of rechtgesloten absis. Deze kerken werden vooral gebouwd door de jezuïeten naar voorbeeld van de kerk II Gesú te Rome (barok). Aan het einde van de 16e en het begin van de 17e eeuw voltrok zich de scheiding tussen het rooms-katholieke en het protestantse kerkgebouw. Het rooms-katholieke kerkgebouw was meer een liturgische ruimte en het protestantse een 'aandacht'-kerk. Bij de protestantse kerkbouw staat de kansel centraal, bij de rooms-katholieke het altaar. Na de oude, aanvankelijk zeer nuchtere protestantse kerkgebouwen (de 'tempels' van de hugenoten) ontstond in de landen die de nieuwe leer aanhingen een ander type: de centrale vorm en de dwarskerk. In de rooms-katholieke landen kreeg de barokkerk geleidelijk de stijlkenmerken van de 18eeeuwse rococo of de stijl van Lodewijk xv, waarbij de barokstructuur gehandhaafd bleef.

Gedurende de 19e eeuw heeft men geen nieuwe aspecten aan de kerkbouw toegevoegd en de bouwtrant volgde de neostijlen. De 20e eeuw trachtte aanvankelijk het kerkgebouw een eigentijds gezicht te geven, waarbij aan protestantse zijde de liturgische beweging een eigen inbreng had. Bij de rooms-katholieken handhaafde men de tradities, maar men gebruikte nieuwe materialen en daaraan aangepaste vormgeving (Schwarz in Aken, Bartning in Keulen en Berlijn, Berlage in 's-Gravenhage, Oud in Rotterdam, Perret in Le Raincy). De bezinning op de principes van de kerkbouw begon echter pas na 1945. Voorlopig is er nog geen eenheid van conceptie gevonden, al neigt men zowel in rooms-katholieke als in protestantse kringen sterk naar evangelische soberheid en naar een kerk als ontmoetingsplaats.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.