kunstbus
Dit artikel is 19-12-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Albert Pieter Hahn

Albert Pieter Hahn (Groningen 1877 - Watergraafsmeer, Amsterdam 1918) was een politiek tekenaar en boekbandontwerper. Als politiek tekenaar was hij verbonden aan het sociaal-democratische dagblad Het Volk en later De Notenkraker. Albert Hahn was een bevlogen socialist en bovendien antimilitaristisch. Deze combinatie vormde de geboren Stadjer tot een politiek tekenaar over wie heel Nederland een mening had. Bestuurders ergerden zich wild aan zijn prenten, maar arbeiders en lezers van de socialistische krant Het Volk liepen met hem weg.

Albert Hahn heeft in zijn betrekkelijk korte leven heel veel van die politieke prenten gemaakt. Een aantal van die prenten, zoals over de spoorwegstakingen van 1903 en van Abraham Kuyper, treft men nog regelmatig in geschiedenisboeken aan.

Hahn signeerde zijn werk met Hahn, een haan, een 'H', 'Alb.P.H.' (niet al zijn werk is gesigneerd).

Albert Hahn werd geboren op de Radebinnensingel 8a in Groningen, als oudste van twee broers en twee zusters. Zijn vader, Gerardus Henderikus Hahn, was huis- en glasschilder, lijstenmaker en decorateur van uithangborden. Het gezin had het bepaald niet breed. Er heerste, zoals Hahn het zelf later in een interview noemde "fatsoenlijke armoede". Albert had een zwakke gezondheid. Toen hij negen jaar oud was, kreeg hij tuberculose in een ruggenwervel, waardoor hij de lagere school niet kon afmaken.

Hahns vader had een afkeer van burgerlijkheid en was "verwoed antiklerikaal", een "eigenschap" die de zoon volgens eigen zeggen van zijn vader had meegekregen. Zijn moeder, Johanna Christina Rentjes, was doopsgezind. Zijn broers Gerard en Piet, resp. typograaf en meubelmaker, traden ook tot de arbeidersbeweging toe. Zijn zusters Aleida en Margot traden evenals zijn moeder tot de Doopsgezinde Gemeente toe.

Als twaalfjarige kwam Albert in de leer bij zijn vader en een paar jaar later werd hij toegelaten tot de Academie Minerva, de tekenacademie in Groningen. Een medeleerling van hem was Cornelis Jetses. Hij moest deze opleiding echter onderbreken, omdat hij bijna twee jaar in het ziekenhuis lag. Hij maakte er veel portretten van artsen en verpleegsters en van hun familieleden. Op 17-jarige leeftijd kon hij terugkeren naar de Academie Minerva. Hij maakte onder andere kennis met het werk van Vincent van Gogh, op de tentoonstelling van diens werk in februari 1896 in Groningen. Hoezeer hij daardoor gegrepen werd, blijkt uit een beschrijving die hij er later van gegeven heeft in een artikel in De Socialistische Gids. Hahns talenten bleken toen hij in 1895 en 1896 als hoogste onderscheiding drie zilveren medailles kreeg voor hand- en naakttekenen en decoratie.

Eind 1896 zette Albert Hahn zijn opleiding, waarvoor hij nu een rijkstoelage ontving, voort aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid Amsterdam. Van 1898 tot 1901 volgde hij ook avondlessen aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten bij prof. August Allebé. Zijn studie werd afgesloten met de Middelbaar Onderwijsakte tekenen.

Hij was vervolgens tekenleraar aan een ambachtsschool te Amsterdam, tot juli 1902, toen hij als politiek tekenaar in dienst trad van Het Volk.

Gegrepen door het socialisme
In 1900 werd Albert Hahn gegrepen door het socialisme. Hij werd lid van de SDAP en voelde sterk de behoefte voor de arbeider op te komen. Hahn werkte mee aan een onderzoek van Louis M. Hermans naar de woningtoestand in Amsterdam, waarvan in 1901 een rapport van een kleine 100 pagina's verscheen met de titel Krotten en Sloppen, met tekeningen van Hahn. Het waren nog geen politieke prenten, maar wel directe weergaven van de afschuwelijke werkelijkheid die hij in de sloppen en stegen van Amsterdam aantrof.

Toen Het Volk in 1902 een prijsvraag uitschreef om een tekenaar te vinden voor een wekelijkse politieke prent in het zondagsbijvoegsel Het Zondagsblad won hij en kreeg hij een vast dienstverband. Daarmee nam zijn leven een beslissende wending. Hij moest zich als een journalist in het dagelijkse nieuws uit binnen- en buitenland verdiepen. Zijn nieuwe dienstverband betekende ook een politieke keuze. Zijn tekeningen in De Zondagskrant en later in het politiek-satirische weekblad De Notenkraker getuigden op felle en emotionele wijze van die keuze. Zijn prent over de spoorwegstaking van 1903 (hiernaast afgebeeld) werd een van de bekendste in Nederland. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, gingen Hahns tekeningen maandenlang uitsluitend over die oorlog, vernietiging en moorden.

Na een grote schildersstaking in het voorjaar van 1900 was Hahn met enkele vrienden, onder wie Jan van den Tempel, tot de SDAP toegetreden. Zijn leven was sindsdien onafscheidelijk verbonden met de partij. Zelf voelde Hahn zich nimmer anders dan arbeider. Zijn tocht met Louis M. Hermans in hetzelfde jaar door de krottenbuurten van Amsterdam bracht hem in aanraking met de meest bittere armoede. Het boekje Krotten en sloppen (Amsterdam 1901; 19752) dat als resultaat van hun tocht verscheen, werd door Hahn geïllustreerd. In 1902 schreef de redactie van Het Volk een prijsvraag uit om een tekenaar te vinden die wekelijks een politieke prent voor het Zondagsblad kon maken. Hahns winnende tekening naar het verplichte onderwerp 'De brandkast beschermd met bijbel en wierookvat' leidde tot een vast dienstverband. De tekening werd op 6 juli 1902 geplaatst. Zij werd spoedig gevolgd door enkele andere beroemd geworden prenten, gemaakt naar aanleiding van de spoorwegstakingen in 1903 en hun politieke gevolgen: 'Gansch het raderwerk staat stil', de zogenaamde 'Worgprent' en 'Onder de dwangwetten'. De tot dan onbekende kunstenaar verwierf hiermee op slag nationaal naam. Tot 1907 voor het Zondagsblad en vervolgens tot augustus 1918 voor De Notenkraker maakte Hahn in totaal tegen de drieduizend grote en kleine politieke prenten en vignetten. Hahn streed hierin tegen het kapitalisme, Abraham Kuyper, het militarisme en het klerikalisme. Hij koos zelf het onderwerp van een tekening en bedacht ook de tekst. Van tijd tot tijd werkte Hahn ook mee aan het politiek-satirisch weekblad De Ware Jacob, De Hollandsche Revue en Der Wahre Jacob. Van zijn portretten en karikaturen zijn die van Kuyper en Th. Heemskerk het beroemdst geworden. Overigens mag ook de serie portretten 'Onze Kamerleden' in De Notenkraker (1913-1914) worden genoemd. Tot zijn werk behoren verder boek- en brochureomslagen, vaandels, tableaux-vivants, affiches en de kunstzinnige verzorging van optochten. Op veel SDAP-congressen was de politieke poppenkast - met teksten van Sam de Wolff en poppen van Hahn en zijn vrouw - een geliefd onderdeel vanwege de kritiek en lof die er te beluisteren viel. Voor Het Volk en De Socialistische Gids schreef Hahn artikelen over kunst. Een keuze uit artikelen in De Socialistische Gids werd door Hahn Jr. uitgegeven onder de titel Schoonheid en samenleving, opstellen over beeldende kunst (Amsterdam 1929). Voor Hahn was kunst 'gestyleerde bewogenheid'. Hij geloofde dat een socialistische maatschappij een nieuwe kunst zou brengen. Tijdens zijn leven en ook later zijn er steeds tentoonstellingen van het werk van Hahn geweest. Van die van na 1945 kunnen worden genoemd 'Albert Hahn en zijn tijd' (Amsterdam 1954) en 'Politieke prenten van Albert Hahn' (Amsterdam 1971). Van beide verscheen een beknopte catalogus. Hahn was medeoprichter in 1904 van de Vereeniging 'Kunst aan het Volk', die als doel had het begrijpen en genieten van kunst door leden van de arbeidersklasse te bevorderen.

Zijn tekeningen konden somber en sarcastisch zijn, zelf werd Albert Hahn gezien als een bescheiden man vol levenslust. Hij was veel ziek, maar toch opgewekt. Hij wordt beschreven als een blijmoedig en gelukkig mens met een harmonieus gezinsleven. 6 april 1911 trouwde Hahn met Iemkje Robijns, die uit haar huwelijk met de letterzetter Albert Pieter Dijkman (ontbonden op 18 februari 1910) een dochter en een zoon had (de latere Albert Hahn Jr.) en met Hahn, die met haar samenwoonde, twee voorhuwelijks (in 1904 en 1907) geboren dochters kreeg.

Albert Hahn jr.

Albert Hahn jr. werd op 10 september 1894 in Amsterdam geboren als Albert Pieter Dijkman. Zijn biologische vader was Albert Pieter Dijkman sr., een typograaf die de jonge Albert Hahn als zijn leerling had. Dijkman sr. was een zware drinker en zijn huwelijk met Emma Robijns eindigde in een scheiding. Vanaf ongeveer 1898 nam Albert Hahn sr. Emma en haar kinderen onder zijn hoede, waaronder de jonge Albert Pieter. Albert en Emma trouwden in 1911, waardoor Albert Hahn officieel stiefvader werd van Albert Pieter Dijkman. Albert Pieters familienaam werd in mei 1922 officieel veranderd in Hahn Dijkman. Albert Hahn jr. gebruikte ook wel als pseudoniem: A. Poussin. Hij signeerde met H. jr., Hahn jr. en A. Poussin. Poussin is het Franse woord voor kuiken. En omdat Hahn jr. de stiefzoon was van Hahn Sr. (uitgesproken als haan) noemde hij zich Poussin.

Hij stierf in 1918 aan tuberculose en werd begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Een jaar later werd daar het grafmonument van Albert Hahn gemaakt door Hildo Krop onthuld.

Veel van zijn tekeningen zijn bewaard gebleven. Duizenden tekeningen zijn nu in het bezit van het Persmuseum dat in 2017 fuseerde met het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum. Deze tekeningen zijn opgeslagen en toegankelijk in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam; verder is er werk in het Theatermuseum (Amsterdam) en Gemeentearchief Amsterdam (alsmede foto's, diploma's, krantenknipsels en enige correspondentie).

Hahn was een stille bescheiden man met een sterke overtuiging. Hij was vol levenslust en een geducht spotter. Op grond van zijn wankele gezondheid, die hem al vroeg en herhaaldelijk tot onderbreking van zijn werkzaamheden dwong, noemde Van den Tempel hem een 'stakker-naar-het-lichamelijke'. Desondanks was Hahn een opgewekte man. In politiek opzicht was hij naar zijn eigen zeggen 'een geboren revisionist'. De oorlogsjaren waren voor hem een grote teleurstelling. Sarcasme verdrong toen zijn zachte humor. Zijn oorlogsprenten zijn dan ook vaak bijzonder fel en emotioneel. De betekenis van Hahn is dat hij een nieuwe fase in de politieke prentkunst opende, ook in technisch opzicht door gebruikmaking van het fotografische proces van de lijncliché. De gedachte van de kunst-om-de-kunst verwerpend, maakte hij de politieke prent tot journalistiek wapen van de SDAP. Zijn tekeningen waren duidelijk en voor iedereen begrijpelijk. Met zijn politieke instinct en gevoel was Hahn de ziel van De Notenkraker, die hij groot maakte. Bij Hahns overlijden verscheen het blad met een speciaal herdenkingsnummer.

Websites:
socialhistory.org
www.deverhalenvangroningen.nl
www.joodsvirtueelmuseum.nl

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.


Er is nog niet op dit artikel gereageerd.

Pageviews vandaag: 49.