kunstbus
Dit artikel is 03-01-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

collegianten

Benaming voor de deelnemers aan de in de 17de en 18de eeuw samenkomende 'colleges': autonome godsdienstige gezelschappen zonder vaste voorgangers, waarin iedereen het woord mocht voeren en waarvan de leden in vrije gedachtewisseling de onderlinge stichting probeerden te bevorderen. Door hun grotere vrijheid waren de collegianten toegankelijker voor nieuwe ideeën en wijsgerige stelsels (bijv. van Descartes en Spinoza) dan de met hen verwante doopsgezinden.

Enerzijds stonden collegianten open voor piëtistische en mystieke stromingen, anderzijds voor verlichte en rationalistische ideeën. Bezoekers van de colleges bleven meestal lid van hun eigen godsdienstig genootschap, bijvoorbeeld remonstrants, doopsgezind of gereformeerd.

De collegianten vormden een vrijzinnige stroming, ontstaan in 1648. Zij pleitten voor een universeel soort christendom. Het ware geloof sloot geen enkele gelovige buiten, van welke richting hij ook was. Wars van dogma's en theologie lag bij de collegianten de nadruk op de beleving, op het directe contact met God. Zij waren geen kerkgemeenschap, maar hun leden kwamen uit de verlicht-christelijke kringen van doopsgezinden en remonstranten. In hun maandelijkse bijeenkomsten, de colleges, kon iedereen vrij spreken en was het avondmaal voor iedereen opengesteld. Populair bij hen was de doop bij onderdompeling, aanvankelijk in een leerlooierskuip.

Bij gebrek aan remonstrantse predikanten, die door de synode van Dordrecht (1618-1619) uit hun ambt waren gezet, organiseerden de gewezen remonstrantse ouderling Gijsbert van der Kodde en zijn broers Jan en Adriaan uit Warmond al in een vroeg stadium bijeenkomsten. Vanaf 1621 was Rijnsburg het middelpunt waar de jaarlijkse vergaderingen werden gehouden. Beroemde Rijnsburgse collegianten waren Spinoza, Coenraad van Beuningen en Jarig Jelles.

Midden 17e eeuw verbreidde het collegiantisme zich aanzienlijk en werden in vele steden colleges opgericht. Het in Amsterdam door Adam Boreel en Galenus Abrahamsz opgerichte college werd geruchtmakend. De gereformeerde orthodoxie beschouwde het als een verwerpelijke vrijplaats voor heterodoxie. Het verzet in confessioneel doopsgezinde kring leidde in 1664 tot een scheuring. In de 18de eeuw kwijnden de kringen weg. Als een van de laatste sloot het Amsterdamse college in 1791.

De collegianten waren voor verdraagzaamheid, verwierpen alle exclusiviteit van de kerken, en streefden naar herstel van het apostolische christendom, omdat de reformatie mislukt werd geacht. Theologieën en filosofieën als het socinianisme, chiliasme, cartesianisme en spinozisme konden bij hen vrijelijk worden bediscussieerd. Op die manier verschaften zij een podium voor de ondogmatische intelligentsia. Daarom wordt het collegiantisme wel beschouwd als een bakermat van de Verlichting. In de praktijk kenmerkten de collegianten zich door vroomheid en naastenliefde. Zo werd in Amsterdam het collegiantische weeshuis De Oranjeappel gesticht (1675), waar de latere schrijfster Aagje Deken zou worden opgevoed. Ook stond de geestelijke liedcultuur op hoog niveau, dankzij bundels van Dirck Raphaelsz. Camphuysen, Joachim Oudaen en Claes Stapel (liedboekdichters).

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 700.