kunstbus
Dit artikel is 04-04-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

eigenerfde

Een eigenerfde of eigengeërfde was tijdens de middeleeuwen en het ancien régime iemand die vrij eigen of allodiaal grondbezit van enige omvang had. Allodiaal = van allodium, eigen goed, niet leenroerig of feodaal.

Oorspronkelijk de boeren met een eigen erf, een eigen boerenbedrijf. Een eigenerfde was in de middeleeuwen en het ancien régime een (vaak middelgrote of grote) boer met eigen grond die ook eigenaar was van zijn erf met de daarbij horende rechten. Dit onderscheidt hem van de meier die het erf met bijbehorende gebouwen en landerijen pachtte van de werkelijke eigenaar wat een eigenerfde kon zijn, of een edele- dan wel kerkelijke grootgrondbezitter. Een eigenerfde was een vrije boer die zijn hoeve zonder tussenkomst van een leenheer kon (laten) bewerken.

De term vond vooral ingang in de 16e eeuw, toen de adel probeerde een afzonderlijke stand te vormen. Ten tijde van de Unie van Utrecht (1579) werd gesproken van Ridderschap en Eigenerfden. Vanaf de bestuurshervorming van 1603 waren de Eigenerfden de tweede stand in de Staten van Drenthe, met twee stemmen, tegenover de ridderschap met één stem. Om vast te stellen wie eigenerfde was en dus stemhebbend, bepaalden de Staten van Drenthe in 1618 dat de minimumeis het bezit van 30 mudden zaailand of onroerend goed ter waarde van duizend daalders was. In 1672 werd deze eis bijgesteld tot het bezit van een kwart waardeel in de marke van zijn dorp en onroerend goed ter waarde van duizend daalders, alsmede woonachtig in het eigen dingspil. In 1739 werd de minimale waarde van de onroerende goederen tot 1800 gulden opgehoogd. Het aantal stemmen dat een eigenerfde mocht uitbrengen bij stemmingen in zijn dorp (bij de keuze van volmachten, de collatie van predikanten e.d.) was evenredig aan zijn bezittingen. Wie dus 3600 gulden aan bezit had, mocht twee stemmen uitbrengen.

In de provincies Drenthe, Friesland en Groningen speelden de eigenerfden een grote rol in de staatsinrichting. Samen met de adel zaten zij in de staten van deze provincies. Bij edele heerden bezaten eigenerfden het collatierecht, dat is het recht om een dominee of pastoor voor te dragen voor benoeming. Ook konden ze andere functionarissen voor benoeming voordragen. In het 'monsterproces van Faan', waarin de beruchte Rudolf de Mepsche 22 mensen ter dood veroordeelde voor 'sodomie' (zie Faansche Gruwelen in het artikel Zuidhorn), speelde de positie van de eigenerfden een belangrijke rol.

In de moderne tijd nam de stand van de herenboer eenzelfde soort sociale positie in als die van de rijkere eigengeërfde boeren van voorheen.

De herkomst van de eigenerfde is omstreden. Zeker is dat een deel van de eigenerfde goederen afkomstig is uit het vroeg-middeleeuwse goed van de liberi uit de Karolingische of voor-Karolingische tijd.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 136.