kunstbus
Dit artikel is 22-12-2020 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Petrus Camper

Petrus Camper of Petrus van Campen (Leiden 1722 - Den Haag 1789) was een Nederlands arts, anatoom, fysioloog, verloskundige, zoöloog, antropoloog en paleontoloog in het tijdperk van de Verlichting.

Camper hield zich bezig met de techniek van het amputeren van ledematen en de vergelijkende anatomie. Hij vergeleek vogels, zoogdieren, apen en mensen. Als kenmerk van de verschillende menselijke rassen stelde hij de gelaatshoek vast. Hij ontdekte in 1762 de gehoorgang van vissen en de toegang van de lucht tot de holle beenderen van vogels.

Zijn onderzoek naar de orang-oetans, zijn ontdekking van de holle botten van vogels, en zijn publicaties over de kop van een mosasaurus, die hij voor een walvis hield, en de zang van de kikker maakten hem in heel Europa beroemd. Goethe noemde hem ein Meteor von Geist, Wissenschaft, Talent und Thätigkeit. Hij werd als lid benoemd van de Franse Academie van Wetenschappen en de Engelse Royal Society. Camper won zoveel prijsvragen (tien) dat hem het verzoek werd gedaan niet langer mee te dingen. Hij was niet bepaald het prototype van een studeerkamerprofessor. Camper was geïnteresseerd in architectuur, tekenen, wiskunde, meubelmaken en beeldhouwkunst.

Camper was de zoon van een predikant in Leiden die fortuin had gemaakt in Nederlands-Indië. In 1731 ging hij naar de middelbare school in Leiden. Hij blonk uit in talen en wiskunde.

Petrus Camper begon zijn studie in Leiden in 1734 en bekwaamde zich daarnaast ook in tekenen en hout bewerken. Hij promoveerde in 1746 op dezelfde dag in zowel de wijsbegeerte (filosofie) als in de geneeskunde en specialiseerde zich vervolgens in verloskunde.

Op wijsgerig gebied was Camper een levenslange vriend van Frans Hemsterhuis, een vertegenwoordiger van de proefondervindelijke wijsbegeerte van Sir Isaac Newton, in Nederland verbreid door Willem Jacob 's Gravesande en Petrus van Musschenbroek.
In 1748 maakte hij een studiereis naar London en maakte er kennis met vrijwel iedere wetenschapper van naam. In 1749 ging hij naar Parijs en ontmoette er Georges de Buffon.

Camper kreeg in 1749, onderweg van Parijs naar Genève, bericht dat hij was benoemd in de leerstoel wijsbegeerte aan de universiteit van Franeker. Enkele weken later kwamen daar ook nog benoemingen in die der anatomie en chirurgie bij. Vanwege zijn studiereis door Zwitserland en ziekte kon hij niet eerder dan 28 april 1750 aan deze taken beginnen. Rond 1751 werd hij gekozen tot Fellow van de Royal Society.

Camper vertrok naar het Athenaeum Illustre in Amsterdam (1755-1761) waar hijwas benoemd in de leerstoel van anatomie en chirurgie, en betrok een pand in de Warmoesstraat. Hij deed onderzoek naar de oorzaak van liesbreuken, naar de knieschijf en de beste schoen. Een van zijn leerlingen was David van Gesscher. Camper zou per jaar 200 lijken, die hij van het Amsterdamse Binnengasthuis betrok, hebben ontleed om de doodsoorzaak vast te stellen.

In 1756 trouwde hij met Johanna Bourboom, de rijke weduwe van een burgemeester uit Harlingen, voorheen zijn patiënt. Het paar kreeg vier zonen, waaronder bestuurder en politicus Adriaan Gilles (31 maart 1759-1820).
Omdat zijn vrouw terug wilde naar Friesland betrok hij opnieuw Klein-Lankum bij Franeker. In zijn afscheidsrede deelde hij mede dat hij meer dan 50 lichamen in het openbaar had ontleed, waaronder een negerjongetje van twaalf jaar. Zijn ervaring voerde tot de publicatie van Demonstrationum anatomico-pathologicarum (1760-1762).

Daarna studeerde hij drie jaar op zijn landgoed Klein Lankum te Franeker.

Van 1763 tot 1773 was hij hoogleraar te Groningen voor genees-, ontleed-, heel- en kruidkunde. Camper was een typische empiricus. In Groningen vernieuwde hij het onderwijs door geneeskundige hulp aan niet-bedlegerige patiënten te verbinden aan praktisch onderricht voor aankomende medici, wat men nu poliklinisch onderwijs noemt. Hij deed veel aan publieksvoorlichting en beoefende ook de gerechtelijke geneeskunde.

Camper was een groot spreker en verluchtigde zijn colleges met eigen tekeningen. Het aantal afgestudeerde studenten nam snel toe. Een van zijn studenten was de patriot François Adriaan van der Kemp, die Camper raadpleegde toen hij last kreeg van zijn rug. Camper was de eerste die een chirurgische polikliniek opende. Hij publiceerde over de inenting tegen pokken, en hij was deskundig op het gebied van de bestrijding van de runderpest (vroeger ook wel veepest), die in 1768 op het platteland woedde. Camper werkte samen met Wouter van Doeveren en bouwde daarbij voort op de resultaten van Geert Reinders, die experimenteel onderzoek aan deze ziekte gedaan had.

In die tijd werd het meeste onderzoek verricht buiten de universiteiten door geleerden en begaafde amateurs. Na tien jaren professoraat gaf hij er dan ook de voorkeur aan onbelemmerd te studeren op Klein Lankum, waar hij een beroemd kabinet opbouwde.

Ook bemoeide hij zich niet zonder eigenbelang met de bedijking van Friesland.

Camper was buitensporig ijdel en wilde ook politieke ambten vervullen. Omdat hij sinds 1787 lid en ten slotte voorzitter was van de Raad van State, bracht hij zijn twee laatste levenjaren in 's-Gravenhage door. Het politieke slot van zijn leven heeft hem, behalve van de zijde van stadhouder Willem V, weinig waardering gebracht.

Zijn zinspreuk was Aut bene aut non, men doet iets goed of men doet het helemaal niet.

Aan het eind van zijn leven kreeg hij pleuritis. Camper dronk een stevig glas champagne en stierf.



Pageviews vandaag: 2718.