kunstbus
Dit artikel is 15-02-2010 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Ridderlijke-Duitsche-Orde

Ridderlijke Duitsche Orde

De Duitse Orde is een ridderorde, ontstaan in 1189 als een gemeenschap van monniken met als doel de verzorging en verpleging van gewonde kruisvaarders. Aan het hoofd van de Duitse Orde stond een Grootmeester, ook Hochmeister genoemd.

In Duitsland en Oostenrijk bestaat de orde voort als een katholieke orde.

In Nederland bestaat sinds de reformatie tot op heden de Ridderlijke Duitsche Orde in de protestantse Balije Utrecht als een charitatieve instelling. > Duitse Orde kent een lange geschiedenis die begint in de tijd van de derde kruistocht naar het Heilige Land. Jeruzalem valt in 1187 in handen van de Egyptische sultan Saladin en als reactie hierop roept de paus heel Europa op om ter kruisvaart op te trekken. Jeruzalem moet worden teruggewonnen voor de Christenheid.

Het Hospitaal van St. Marie der Duitsers
Velen geven aan de oproep gehoor en in het kielzog van Frederik I Barbarossa, keizer van het Heilige Roomse Rijk, trekken vanuit alle hoeken van het Rijk ridders op naar Palestina. De opmars stuit bij de havenstad Acco en daar begint een twee jaar durende belegering. Volgens de overlevering hebben toen kooplieden uit Bremen en Lübeck onder de zeilen van hun koggeschip een hospitium ingericht om gewonde kruisvaarders verzorging te kunnen geven in hun eigen taal. Het hospitium wordt gewijd aan Maria en zal de geschiedenis ingaan als het Hospitaal van St Marie der Duitsers in Jeruzalem.

De Ridderlijke Duitsche Orde
De eerste taak van het Hospitaal is de verzorging van gewonde kruisvaarders maar snel komt daar een tweede taak bij: de bescherming van pelgrims en kruisvaarders op weg naar het Heilig Graf en het heroveren van de heilige plaatsen in Palestina. Voor de verzorgende taak worden priesterbroeders gerecruteerd en voor het uitvoeren van de tweede taak wordt een beroep gedaan op de adel, de professionele strijders te paard. Priesters en ridders verenigen zich in een broederschap onder de gelofte van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid en zo ontstaat de Orde van het Hospitaal van St Marie der Duitsers, later kortweg Ridderlijke Duitsche Orde genoemd. Het is de derde geestelijke ridderorde naast de Orde van de Johanniters en die der Tempeliers. Ter onderscheiding van de andere ridders tooien de Duitse ridders zich met een zwart kruis op hun witte mantel. In 1199 wordt de Orde door paus Innocentius III erkend.

Het beleg van Damiate
Meeliftend op de golven van kruistocht-enthousiasme die door Europa spoelen wordt de beweging een enorm succes, vooral na het beroemde beleg van de stad Damiate in de monding van de Nijl in 1218. Daar spelen de ridders van het Hospitaal van St Marie een zo krijgshaftige rol in de strijd tegen de Saracenen dat zich overal kruistocht-enthousiastelingen bij de beweging aansluiten. Anderen steunen de Orde in materiële zin. Zo besluiten Adolf van Berg en Sweder van Dingede sr, twee ridders die in het gevolg van de Hollandse graaf Willem I aan het beleg deelnemen, om een deel van hun bezittingen in de buurt van Dieren en Utrecht aan de Orde te schenken.

Pruisen en Litauwen
Het militair prestige van de ridders van het Hospitaal van St Marie trekt ook de aandacht van Oosteuropese vorsten. De hertog van Masovië, die last heeft van ongelovige Pruisen aan de grenzen van zijn gebied, richt zich tot de Grootmeester der Orde, Herman von Salza, met een verzoek om militaire assistentie. Von Salza ziet wel perspectief in Oost-Europa en in ruil voor hulp krijgt de Orde een groot gebied rond de stad Torun in eigendom. Al gauw richten de activiteiten van de Orde zich meer op de strijd tegen ongelovige Pruisen en Litauwers dan op nog verdere pogingen om het Heilige Land te redden en in 1309 verhuist de Orde haar hoofdzetel van Acco naar Mariënburg aan de rivier de Nogat. Vandaaruit bekeert en koloniseert de Orde een groot Baltisch gebied en vormt een autonome Ordestaat. De Polen zien dat alles met lede ogen aan tot in 1386 de Poolse koning met een uitgekiende zet de Orde buiten spel zet. Hij huwt zijn dochter uit aan de Groothertog van Litauwen, die in ruil daarvoor het katholieke geloof aanneemt. Heel Litauwen is ineens niet langer heidens en voor de Orde is er geen excuus meer om nog verder op te trekken. Het duurt nog tot 1411 tot de Polen de Orde definitief weten te verslaan in de slag bij Tannenberg.

Landbezit
In een groot deel van Noordwest-Europa genieten de kruisvaartactiviteiten van de Orde lange tijd veel aanzien en enorme hoeveelheden land, huizen, geld en kerken worden geschonken ter ondersteuning van de strijd. Om al dit bezit goed te kunnen beheren wordt het gebied waar de bezittingen liggen verdeeld in drie 'landen': Pruisen, Lijfland en de Duitse landen.

De Duitse landen worden weer verdeeld in 12 provincies, de zogenaamde 'Balijen' en één daarvan is de Balije van Utrecht met aan het hoofd de Landcommandeur. In 1518 bezat de Balije van Utrecht, een van de veertien balijen van de grote en rijke Duitse Orde, veertien commanderijen. De Orde werd bestuurd door een Landcommandeur vanuit het Duitse Huis binnen de muren van de stad Utrecht.

Annexatie door Polen
Het is een uniek gegeven in de Europese geschiedenis dat tot het celibaat verplichte geestelijken krijgsdienst verrichtten. Maar hun eerst zo succesvolle bestuur was niet flexibel en liep gaandeweg vast in rigiditeit en ondervond steeds meer tegenstand in de zich ontwikkelende grotere steden, zoals Thorn (Toruñ), Danzig (Gdañsk) en Elbing (sinds 1945: Elbl¹g), welke naar autonomie streefden. Dat leidde tot een oorlog waarin de Poolse koning een kans zag om Pruisen onder zijn gezag te brengen.

Na een eerste nederlaag voor de Orde in 1410 (Slag bij Tannenberg, door de Polen Grunwald genoemd), bleef de schade voor de Orde nog beperkt maar in de erop volgende Dertienjarige Oorlog met de opstandige steden Danzig, Thorn en Elbing gesteund door Polen (1453-1466) kwam in 1466 tenslotte de definitieve overwinning voor de Poolse koning in de Tweede Vrede van Thorn. De Duitse Orde moest West-Pruisen, sindsdien Koninklijk Pruisen genoemd maar ook wel Pommerellen of Klein-Pommeren, Pools: Pomorze), met genoemde steden en ook de Marienburg, aan Polen afstaan. Het bisdom Ermland (Pools: Warmia), een grote bijna-enclave in het resterende gebied werd ook onder de poolse Kroon gesteld. Het hoofdkwartier van de Orde verhuisde naar Königsberg (sinds 1945 Kaliningrad).

Het conflict dat nationalistisch-anachronistisch vaak ten onrechte wordt voorgesteld als het begin van een eeuwenoude strijd tussen 'Polen' en 'Duitsers' was in werkelijkheid een politieke en economische belangenstrijd waarin aan beide zijden 'Duitsers' en 'Polen' (als men hen avant la lettre zo wil categoriseren) hun plaats kozen.

Secularisatie
In 1525 ging de Grootmeester Albrecht van Brandenburg-Ansbach tot de reformatie over, huwde en veranderde Pruisen in een erfelijk hertogdom. Zowel de Meester van Lijfland als de Duitsmeester maakten toen aanspraak op het leiderschap. De Duitsmeester werd in 1527 de leider van de Orde. Hij ging toen de volgende titels voeren: Administrator des Hochmeistersamt und Deutschmeister. Zijn gebied bestond overigens alleen uit Lijfland (noordelijk Letland en zuidelijk Estland) en Koerland (zuidelijk Letland). Aan zijn gezag in Lijfland kwam in 1562 een einde, toen Rusland, Polen en Zweden delen ervan bezetten.

De laatste meester Wolter van Plettenberg werd lutheraan, huwde en vormde in het overgebleven gebied het seculiere Hertogdom Koerland en Semgallen onder Poolse soevereiniteit.

De op deze wijze gehalveerde Ordensstaat (Oost-Pruisen) bleef bestuurd door enkele honderden ordensridders, die in 1525 hun geestelijke geloften neerlegden toen hun grootmeester het lutheranisme invoerde en de staat seculariseerde. Samen met de Pruisische adel zouden deze ridders de basis gaan vormden van de latere Oostpruisische adel (Junker). Hun grootmeester Albrecht von Brandenburg-Ansbach uit het huis Hohenzollern werd wereldlijk hertog van Pruisen. Uit zijn nageslacht is het Pruisische koningschap ontstaan dat in de 17de eeuw zijn zwaartepunt naar het westen (Berlijn-Brandenburg) verlegde. De naam Pruisen ging daarbij over op Brandenburg-Pruisen.

De Duitse Orde na het verlies van de Baltische gebieden
De Duitsmeester had in de middeleeuwen geen vaste residentie. Hij verbleef meestal in de nabijheid van de keizer. In 1420 vestigde hij zich permanent in de commanderij Horneck (Gundelsheim). De Duitsmeester werd in 1494 verheven tot rijksvorst. Deze waardigheid hadden de Grootmeester en de Meester in Lijfland niet. Na de verwoesting van de burcht Horneck in 1525 tijdens de boerenoorlog werd de residentie in 1527 verlegd naar de commanderij Mergentheim.

In de reformatie werd de balije van Utrecht hervormd en de balijen Saksen en Thüringen luthers. De balije Hessen werd triconfessioneel: luthers, hervormd ('reformiert') en katholiek. De balije Utrecht bestaat nog steeds als een protestantse charitatieve ridderorde.

In 1797 gingen de bezittingen op de linker Rijnoever (Elzas-Lotharingen) aan Frankrijk verloren. Paragraaf 26 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 stelde de Orde schadeloos met de stichten, abdijen en andere kloosters in Vorarlberg en Württemberg, in zoverre ze niet rechtstreeks onder keizerlijk rijksgezag stonden (rijksonmiddellijk). Hiervan uigezonderd waren de geestelijke goederen in de Breisgau (Baden).

In paragraaf 12 van de Vrede van Presburg van 26 december 1805 werd het grootmeesterschap erfelijk verbonden met het huis Habsburg met behoud van het meesterdom Mergentheim. Het stond de keizer vrij een prins uit zijn familie als grootmeester aan te wijzen. In paragraaf 8 werd de commanderij Mainau bij het keurvorstdendom Baden gevoegd.

In artikel 4 van de Vrede van Schönbrunn van 14 oktober 1809 deed de grootmeester afstand van alle bezittingen van de Orde in de door de Fransen ingerichte vazalstaat Rijnbond. Napoleon droeg het vorstendom vervolgens over aan het koninkrijk Württemberg.

Na 1918 en de val van de monarchieën in Duitsland en Oostenrijk was het voortbestaan van de Orde in gevaar. Grootmeester aartshertog Eugenius van Oostenrijk trad in 1929 af en de Orde werd in dat jaar veranderd in een religieuze orde. De orde is katholiek en bestaat uit priesters, kloosterzusters, ereridders en de oude ridders "Alt Marianer" geheten. Ook nu nog worden prominente katholieken als ereridders in deze orde opgenomen.

Na het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid in 1814 werd ook de De Ridderlijke Duitsche Orde in de protestantse Balije Utrecht bij wet hersteld. De Orde kreeg ook een deel van het door de Fransen ontnomen landbezit terug. Dit was destijds in opdracht van keizer Napoleon I, een man met een hekel aan adellijke ridderorden, genaast.

De nationaal-socialisten annexeerden het concept van de Duitse Orde, uiteraard los van de instellingen die er de erfgenamen van waren, en lijfden het in binnen hun eigen Weltanschauung. Zij achtten hun ideologie de geestelijke uitdrukking van het Wezen waaruit de Orde in de Middeleeuwen was ontsproten. Een uiting daarvan was de oprichting van kaderscholen voor de nazi-elite in speciaal opgerichte zogenaamde Ordensburgen. De architectuur en de ligging van deze grote gebouwencomplexen verwezen naar de middeleeuwse burchten in Pruisen. In wisselwerking hiermee heeft in het Poolse nationale geschiedenisbeeld een overeenkomstige opvatting postgevat als een historische projectie welke de middeleeuwse Ridders van de Duitse Orde voor wil stellen als proto-SS'ers. Door vertaling uit het Engels (Teutonic Knights) wordt die connotatie versterkt in de recent in zwang gekomen benaming 'Teutoonse Ridders', een betiteling die bewust of onbewust een associatie legt met het germaanse barbarendom in de oudheid.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Duitse_Orde


Pageviews vandaag: 846.