kunstbus

(advertentie)
Er staan 3 artikelen in onze webwinkel Kunstbus


Winston karaf/vaas Per Lutken voor Holmegaard, Denemarken

Deze zeldzame vaas of karaf is ontworpen door Per Lutken voor Holmegaard in Denemarken. Deze karaf is ooit aangeschaft in het chique warenhuis van Hans Hansen in Kolding in Denemarken.
Prijs: € 300

Dit artikel is 18-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Sardinie

Sardinië

Sardinië (Italiaans: Sardegna, Sardisch: Sardinna, Sardinya, Sardinia - afhankelijk van welke streek) is een Italiaans eiland in de Middellandse Zee. Het ligt pal ten zuiden van het eiland Corsica, ten westen van de Laars van Italië, en ten noorden van Tunesië.

Met 24.090 km² is het na Sicilië het grootste eiland van de Middellandse Zee. Het heeft ongeveer 1,65 miljoen inwoners. De hoofdstad van Sardinië is Cagliari, dat in het zuiden van het eiland ligt. Andere belangrijke plaatsen op het eiland zijn Sassari, Nuoro, Olbia en Oristano. De belangrijkste havens zijn Porto Torres, Olbia, Golfo Aranci, Arbatax, Porto Foxi en Cagliari. Sardinië is tevens een autonome regio binnen de Italiaanse Republiek.

Het eiland heeft een subtropisch, mediterraan klimaat. De zomers kunnen zeer warm worden, en de winters zijn doorgaans mild, maar waarbij sneeuw in de bergen geen uitzondering is. De kustregionen blijven doorgaans van sneeuw gevrijwaard. Daarnaast staat het eiland altijd onder invloed van de wind: de mistral (maestrale zoals Italianen zeggen), scirocco, libeccio, levante.

Benamingen voor Sardinië
In het Sardisch heet Sardinië Sardigna, Sardinna of Sardinnia. De Feniciërs noemden het eiland "Sharden" (van SRDN in het Fenicisch) en de Grieken noemden het "Ichnoussa" of ook wel "Sandalion" vanwege de vorm ervan, die aan een voetafdruk doet denken.

Talen
Naast Italiaans spreekt een groot deel van de bevolking van het eiland Sardisch (ookwel Sardijns genoemd). Het is een van de meest archaïsche Romaanse talen, afkomstig uit het Latijn. De taal bevat echter ook elementen uit andere talen, waaronder Fenicisch, Etruskisch, en invloeden uit het Midden-Oosten en Zuidwest-Azië. De officiële taal is tegenwoordig Italiaans, maar Sardisch wordt nog steeds gesproken en traditioneel gebruikt in zang en muziek. Ook op literair gebied wordt de taal steeds vaker gebruikt, hoewel er geen officiële spelling is afgesproken. De regionale Sardijnse overheid heeft recentelijk het Sardisch goedgekeurd voor gebruik in officiële documenten.

Sardinië kan grofweg in drieën worden gedeeld wat betreft de gesproken dialecten op het eiland. In het noorden spreekt men het Logudorese, in Midden-Sardinië spreekt men het Nuorese en in het zuiden spreekt men het Campidanese. Deze laatste variant wordt door verreweg de meeste Sardijnen gesproken. Ook zijn er enkele Sardijnse dialecten die slechts door een beperkte groep wordt gesproken. Zo speekt men in het noordelijke puntje Gallura het Gallurese, dat sterke verwantschap vertoont met het Corsicaans dat in het zuiden van het Franse eiland wordt gesproken. In de stad Alghero aan de noordwestkust spreekt men het Algherees, dat een vorm van het Catalaans is. (Dit omdat Alghero door een groep Catalaanse vissers is gesticht). Op het zuidwestelijk gelegen eilandje Carloforte spreekt men een soort Genuees, op dat eiland vestigden zich een groep tonijnvissers uit Liguria (streek rond Genua) die waren verdreven van het voor de Afrikaanse kust gelegen eilandje Tabarca.

Steentijdperk en obsidiaan
Reeds in het steentijdperk speelde de Monte Arci een belangrijke rol. De uitgedoofde vulkaan was een van de centrale vindplaatsen van obsidiaan dat gebruikt werd voor speerpunten en snijwerktuigen. Ook nu nog kan het vulkanische glas gevonden worden op de berghellingen.

Tijdens de bronstijd (2000-500 v.Chr. was Sardinië een rijk land: het eiland bezat een tin-mijn, een belangrijke grondstof in die tijd en de vondsten van metalen voorwerpen en de versterkte dorpen (zoals Barumini en Nuraghe Albucci) bewijzen dit alleen maar. Aan die laatste versterkte vindplaats is trouwens het woordje nuraghe afgeleid.

De tijd van de Nuraghe
De prehistorische tijd in Sardinië wordt gekenmerkt door de typische bouwwerken in natuursteen die Nuraghi genoemd worden. Er zijn ongeveer 7000 van deze constructies in meer of minder complexe structuren. Het meest bekende complex is wel dat van Barumini in de provincie van Cagliari. De Nuraghi werden gebouwd in de periode van ca. 1800 tot 250 voor Chr. Het hoogtepunt van de cultuur lag tussen 1200 en 900 voor Chr. Daarnaast zijn er heilige plaatsen (met name waterputten) en graven (Dolmen). Men weet dat de bevolking al contact had met de Myceners, een volk dat in Griekenland leefde voordat daar de Doriërs en Ioniërs zich vestigden en voor 1200 in het gebied van de Middellandse Zee handel dreef. Er is zelfs verondersteld dat de architectuur van de Myceners afgeleid was, maar dat is niet direct bewezen.

De cultuur die op Sardinië voorkwam wordt ingedeeld bij de Klokbekercultuur. Ondanks hun verwantschap waren de stammen die op Sardinië leefden niet politiek één, wat hen kwetsbaar maakte voor buitenlandse kolonisering. Die kolonisering kwam er dan ook: tegen de 6de eeuw v.Chr. stond de hele zuidkust van het eiland onder Fenicische invloed. Enkele bekende steden op het eiland waren Caralis, Nora, Sulcis en Tharros. Dit was echter niet naar de zin van de bewoners van het binnenland, die de steden regelmatig aanvielen. Steun uit Fenicië zelf kwam maar mondjesmaat toe, dus keerden de kolonisten zich naar Carthago voor steun. Door enkele veldtochten kon Carthago het noordelijke en centrale deel van Sardinië onder controle brengen, een gebied dat de Carthagers Barbagia of Barbaria (de Romeinse verbastering ervan) noemden. Tot 238 v.Chr. stond heel het gebied onder leiding van Carthago en leefde de bronstijdcultuur min of meer naast de Fenicische cultuur. Het eiland stond in Carthago bekend als Ichnusa.

Phoeniciërs, Puniërs en Romeinen
Aan het begin van de achtste eeuw voor Christus stichtten de Phoeniciërs of ook wel Feniciërs een aantal steden op Sardinië; Tharros, Bithia, Sulcis, Nora en Karalis (Cagliari). De Phoeniciërs kwamen oorspronkelijk uit het gebied dat tegenwoordig Libanon heet en dreven handel in het Middellandse zeegebied. Ze richtten in het hele gebied steunpunten op. Sardinië nam een speciale plaats in wegens de ligging ten opzichte van Carthago, Spanje, de Rhone delta en het gebied van de Etrusken. Verder was al in die tijd de mijnstreek rond Iglesias belangrijk voor de winning van metalen, zink en lood. De steden lagen op strategische punten, vaak schiereilanden of eilanden voor de kust, die makkelijk verdedigbaar waren en natuurlijke havens vormden. Na de Phoeniciërs namen de Puniërs (uit de oorspronkelijk Fenicische kolonie Carthago) in dat deel van de Middellandse zee de macht over. Dit was rond 550 voor Christus. De Puniërs (een verbastering door de Romeinen van het woord voor Phoeniciërs uit het Grieks, Phoinike) breidden hun invloed uit tot bijna geheel Sardinië. Daarna namen de Romeinen Sardinië over in 238. De Romeinen hadden daarvoor wel een oorlog uitgevochten met Carthago, de Eerste Punische oorlog.

Romeinse en Fenicische belangen botsten op het eiland Sicilië, waardoor de eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.) uitbrak. De Romeinen wonnen deze en konden in 241 v.Chr. Silicië annexeren en in 238 v.Chr. ook Sardinia en Corsica, door een opstand van de Carthaagse huurlingen op het eiland. Deze twee laatste eilanden werden de tweede provincie van het toekomstige Romeinse Rijk (toen werden Corsica en Sardinia nog als één provincie gezien).

Sardinia is de (Latijnse) naam van de Romeinse provincie die op het eiland Sardinië lag. De provincie Sardinia kwam volledig overeen met het eiland Sardinië, dat nu een deel van Italië is. Het eiland wordt omringd door de Middellandse Zee. Direct ten noorden van Sardinia ligt het eiland Corsica, waarop (in de Oudheid) de provincie Corsica lag. De zee die ten westen van Sardinia ligt stond bij de Romeinen bekend als de Mare Internum. De zee die ten oosten van het eiland lag heette de Mare Tyrrhenum (Tyrreense Zee). De zee ten zuiden droeg de naam Mare Africum.

Een jaar na het einde van de oorlog brak er een opstand uit onder de Carthaagse huurlingen. Ze zorgden ervoor dat de Romeinen op vreedzame wijze het eiland konden bezetten. Toen ze Sardinië in handen kregen, kregen ze een redelijk ontwikkelde stedelijke cultuur en infrastructuur in handen. Voor de Romeinen was Sardinië samen met Sicilië de graanschuur voor de stad Rome totdat ze Egypte veroverden. De Punische cultuur bleef vrij sterk op Sardinië ook onder het Romeinse bestuur. Tharros, Nora, Bithia, Antas en Monte Sirai zijn nu archeologische plaatsen waar de antieke architectuur en stadsplanning nog goed te zien is terwijl Karalis is uitgegroeid tot de huidige hoofdstad van Sardinië, Cagliari.

Na de machtswisseling ging Sardinië over aan Rome, dat er legers naar toe moest sturen om het gebied volledig te onderwerpen. Er waren talrijke opstanden van de Fenicische bevolking, die samen met de Nuraghebevolking werkten om de Romeinen buiten te werken. In 215 v.Chr., tijdens de tweede Punische oorlog, ontstond er een zeer grote opstand, onder leiding van Ampsicora. Deze opstand was zo groot dat deze de Romeinen in moeilijkheden bracht en zij het eiland bijna moesten laten vallen. Consul T. Manilio kon, nabij Cornus, het tij keren en de opstandelingen verslaan.
Barbaria werd opnieuw binnen gevallen en onderworpen, maar ditmaal grondig met een romanisering tot doel. De nuraghecultuur stierf uit, maar de oorspronkelijke bewoners vergaten hun achterban niet en verzetten zich nog vele malen tegen de Romeinse overheersing. Zo ook in de jaren 126 en 116 v.Chr.. Beide opstanden duurden vier jaar voor het leger de orde weer had hersteld. In de verdere geschiedenis van de republiek en het keizerrijk speelde de provincie bijna of geen rol.
Het eiland stond bekend om zijn ruwe achtergronden en vaak vluchtten misdadigers en vervolgde christenen naar het eiland voor bescherming.
Bijna 700 jaar lang regeerden de Romeinen over Sardinia. Wonderwel kwam het de grote migraties van het begin van de 5de eeuw goed door, maar in 455 viel het eiland in de handen van de Vandalen, die vanuit noord-Afrika plundertochten hielden.

Economie in het keizerrijk
De economie van het eiland baseerde zich, logischerwijze, op de zeehandel met het nabij gelegen Ostia, de haven van Rome. Reeds vroeg was het eiland een graan-leverancier van de stad Rome, maar ook zout, olijfolie, graniet, lood en zilver werden geëxporteerd. De Romeinen verbeterden de infrastructuur op het eiland, maar beperkten zich vaak tot de kuststreek en sloegen het binnenland over. De grote heirbaan op het eiland liep in een grote S-vorm door de dalen van het eiland.

Sardinië had vele volksstammen op het eiland wonen. Hoewel die (ongeveer) dezelfde taal spraken, waren ze politiek verdeeld, zodat de Feniciërs het gebied gemakkelijk konden inwinnen. Als de volkeren echter gingen samenwerken (zoals in de opstanden van 126 en 116 v.Chr.) had zelfs het geoefende Romeinse leger telkens vier jaar nodig om de volkeren terug te onderwerpen.
. Het noorden van het eiland: de Tibulati, de Corsi, de Coracenses, de Carenses en de Cunusitani.
. Het middelste deel: de Salcitani, de Lucuidonenses, de Aesaronenses, de Celsitani en de Corpicenses.
. Het zuiden van het eiland: de Scapitani, de Siculensi, de Neapolitani, de Valentini, de Solcitani en de Noritani.

Na-Romeins (Vanaf 455 spreekt men eigenlijk niet meer van de provincie Sardinia, maar van het eiland Sardinië.
In 533 viel Belisarius, een generaal van Justinianus I, het Vandalenrijk binnen en veroverde het. In 534 volgde een expeditie, die hem Sardinië opleverde, samen met Corsica en de Balearen. De Byzantijnen hielden het eiland lang bezet en in Caralis, dat tegen 600 n. Chr. verbasterd was naar Cagliari, was een aartsbisdom gevestigd. In 846 viel het eiland aan de moslimpiraten, die vanuit noord-Afrika de Middellandse Zee teisterden. Deze overheersing hield niet lang genoeg stand om de bevolking te bekeren naar de islam: tegen 1000 was het eiland een bezit van het Heilige Roomse Rijk geworden.

De Middeleeuwen
Na de val van het West-Romeinse Rijk na de Grote volksverhuizing werd Sardinië onderworpen aan verschillende overheersingen. Vanaf 456 na Christus bezetten de Germaanse Vandalen het eiland vanuit Noord-Afrika, waarna de Byzantijnen het ongeveer 80 jaar later "bevrijdden". Vanaf 711 vielen de Arabieren regelmatig het eiland aan. Om die reden werd in de negende eeuw na Christus Tharros verlaten, na meer dan 1800 jaar bewoning, en het huidige Oristano gebouwd. In de strijd tegen de Arabieren werd de hulp ingeroepen van de Maritieme republieken Pisa en Genua. Vanaf 1063 vormde er zich een politiek bestel uniek voor de geschiedenis van Sardinië, waarin het territorium verdeeld werd in Giudicati (afgeleid van rechters). Meest markante figuur uit de late Middeleeuwen was Eleonora d'Arborea, de vrouw die de grondslag legde voor een wetsbestel dat tot 1827 geldig bleef, de Carta de Logu. In dezelfde periode nam de invloed van de Spaanse Aragonezen toe totdat de Spanjaarden Sardinië inlijfden. Uit deze tijd stammen de zogenaamde Aragonese torens die langs de kust werden gebouwd ter bescherming van het eiland tegen de Arabieren. Op de plaatsen van de oude Phoenicische steden, die op strategische punten liggen, kan men deze torens nog terugvinden, vaak gebouwd met de stenen van de oude bouwwerken. Een mooi voorbeeld van dit hergebruik is nog terug te vinden in de kerk van Santa Giusta bij Oristano waar men de Phoenicische stad Othoca heeft teruggevonden.

De cultuur van de Spanjaarden was zo sterk dat nu nog rond Alghero een Catalaans dialect wordt gesproken.

Het Koninkrijk Sardinië of Piëmont-Sardinië was een staat in het hedendaagse Italië die bestond van 1720 tot 1861.
Het ontstond in 1720 toen de hertogen van Savoye Sicilië met Spanje ruilden voor het eiland Sardinië. De naam Koninkrijk Sardinië is enigszins misleidend daar het grootste deel van het rijk - inclusief de hoofdstad Turijn - op het vasteland lag. De reden hiervoor was van politieke aard. Savoye was een hertogdom, maar met het door Savoye verkregen eiland Sardinië was vanouds de koningstitel geassocieerd. Om het gehele rijk nu tot koninkrijk te verheffen, werd de naam veranderd in Sardinië.
In 1796 veroverde Napoleon Bonaparte heel Noord-Italië, waarop koning Karel Emanuel IV naar het eiland Sardinië vluchtte. Het koninkrijk kwam in 1814 terug op de kaart en werd uitgebreid met de Republiek Genua als bufferstaat tegen Frankrijk. In de jaren die volgden verwerd Sardinië evenals de andere Italiaanse landen tot een politiek instabiele politiestaat met conservatieve monarchen als Victor Emanuel I en Karel Felix aan het hoofd. In 1831 werd Karel Felix echter opgevolgd door de minder conservatieve Karel Albert. Hij nam in 1848 een grondwet aan en verklaarde de oorlog aan Oostenrijk. Sardinië verloor en Karel Albert zag zich genoodzaakt af te treden ten gunste van zijn zoon Victor Emanuel II.
Victor Emanuel II installeerde in 1850 een liberale regering onder graaf Camillo Benso di Cavour en werd de drijvende kracht achter de Italiaanse eenheidsbeweging (Risorgimento). Sardinië vocht in de Krimoorlog met Turkije, Engeland en Frankrijk tegen Rusland. In 1859 trok Victor Emanuel samen met Frankrijk ten strijde tegen Oostenrijk. Sardinië verkreeg in 1860 het door Napoleon III veroverde Lombardisch-Venetiaans Koninkrijk door ruil met Savoye en Nice (voorheen Nizza) van Frankrijk. Datzelfde jaar sloten Parma, Toscane, Modena en Romagna zich bij Sardinië aan en begon Giuseppe Garibaldi met zijn campagne om Zuid-Italië te veroveren. Hij kreeg het Koninkrijk der Beide Siciliën er snel onder en ontmoette te Gaeta - waar koning Frans II van de Beide Siciliën zijn laatste bolwerk had - Victor Emanuel II die vanuit het noorden oprukte.
Op 17 maart 1861 werd het koninkrijk Italië uitgeroepen met Victor Emanuel II als koning. Sardinië als land hield op te bestaan.

Van het Koninkrijk Sardinië naar nu
De ontwikkeling van de infrastructuur verliep langzaam. Onder Karel Felix werd de belangrijkste verkeersader van noord naar zuid aangelegd, de Strada Statale die nu nog zijn naam draagt. In 1883 reden de eerste treinen tussen Cagliari en Sassari, de belangrijkste steden van Sardinië. Onder Mussolini werden de moerassen bij Oristano drooggelegd en werd de grondslag gelegd voor de meest succesvolle landbouw gemeenschap op Sardinië, Arborea. Ook stichtte Mussolini Carbonia, zo genoemd vanwege de rijke steenkoolmijnen in dit gebied. In de tijd na de Tweede Wereldoorlog nam het belang van de steenkool af en die van de toeristische sector toe. Vele pogingen om werkgelegenheid te creëren zijn mislukt doordat de transportkosten hoog lagen en niet de goedkope arbeidskrachten konden compenseren.

Tegenwoordig is Sardinië een autonome regio en de historische ontwikkelingen zijn nog merkbaar in de taal en cultuur. Ook is vrij goed het verschil tussen de kustgebieden en de binnenlanden merkbaar. De kustgebieden stonden altijd meer open voor invloeden van buitenaf. Met name het noordelijke deel van Sardinië is nu toeristisch erg ontwikkeld (La Maddalena, Costa Smeralda) en rond Cagliari, omdat deze gebieden het makkelijkst te bereiken zijn vanaf het vasteland.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Sardini%C3%AB

(advertentie)
Er staan 3 artikelen in onze webwinkel Kunstbus


Winston karaf/vaas Per Lutken voor Holmegaard, Denemarken

Deze zeldzame vaas of karaf is ontworpen door Per Lutken voor Holmegaard in Denemarken. Deze karaf is ooit aangeschaft in het chique warenhuis van Hans Hansen in Kolding in Denemarken.
Prijs: € 300

Pageviews vandaag: 21.