kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 18-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Sicilie

Sicilië

Sicilië (Italiaans en Siciliaans: Sicilia, Engels: Sicily, Oud-Grieks Trinakria betekent "het eiland met de drie punten". Dit is tevens de naam van de vlag) is een eiland en een autonome regio van Italië. Gelegen in de Middellandse Zee, tussen de, op het Italiaanse vasteland gelegen, regio Calabrië in het noordoosten en het Noord-Afrikaanse land Tunesië in het zuidwesten.

De eilandstaat Malta ligt ten zuiden van Sicilië. Tot de autonome regio Sicilië behoren ook, de Liparische of Eolische Eilanden, het eilandje Ustica, de Egadische Eilanden, het eiland Pantelleria en de Pelagische Eilanden. De laatste twee liggen voor de kust van Tunesië en horen geologisch tot het Afrikaanse continent.

De hoofdstad is Palermo. Enkele andere grote steden zijn Catania, Syracuse en Messina.

Geschiedenis (kort)
De originele inwoners van Sicilië, voor de Griekse kolonisatie waren de Elymianen, Sicani en Sicelen. Van deze stammen zijn de Sicelen waarschijnlijk het laatst op het eiland aangekomen.
Sicilië werd later gekoloniseerd door Punische en Fenicische kolonisten uit Carthago en het oude Griekenland. Deze kolonisatie begon in de 8e eeuw voor Christus. Sicilië vomde toen samen met Zuid-Italië Magna Graecia. Er werden verschillende stadsstaten gesticht op het huidige Sicilië, waaronder Gela, Agrigento, Selinunte, Himera en Messina.

Bevolking
Het eiland is vooral bekend van de grote aantallen immigranten die het heeft geleverd aan de Verenigde Staten, de oorsprong van de maffia, het toenemende toerisme en de nog steeds zeer actieve vulkaan de Etna.

Taal
Op Sicilië wordt naast het Italiaans ook Siciliaans gesproken, dat nauw verwant is aan het dialect van Calabrië. Het Siciliaans wordt als afzonderlijke taal beschouwd.

Bestuurlijke indeling
Sicilië bestaat uit negen provincies. De provincies Agrigento, Caltanissetta, Catania, Enna, Messina, Palermo, Ragusa, Syracuse, Trapani.

Landschap
In het oosten, nabij Catania, bevindt zich de vulkaan de Etna die als een enorme bult in het landschap alom aanwezig is. Daaromheen bevindt zich relatieve vlakte. Hier worden grote hoeveelheden fruit verbouwd. In west en centraal Sicilië wordt het landschap gedomineerd door heuvels. Opvallend is de droogte, in de zomer domineert de kleur goudbruin in de heuvels, met uitzondering van vele citroen- en sinaasappelplantages, vooral ten westen van Catania, waar bevloeïng aanwezig is.

In het noorden bevinden zich grote groene wouden.

Precies in het midden van het grote eiland ligt het wat grotere (eivormige) meer, het Lago Pergusa (1x1,5 km), waaromheen het Autodromo di Pergusa loopt, een circuit voor autoraces.

Behalve het vulkanisme van de Etna, kent Sicilië in haar nabijheid ook nog de relatief kleine, maar zeer actieve, eilandvulkaan Stromboli, het noordelijkste van de Liparische of Eolische Eilanden.

Cultuur
Sicilië is in het brandpunt van de Middellandse Zee gelegen, en heeft dientengevolge veel culturele invloeden van diverse volkeren gekend. De desbetreffende volken hebben allen hun cultuurschatten achtergelaten. Een lijst van bezienswaardigheden van Sicilië is als apart hoofdstuk bijgevoegd. Tot de hoogtepunten behoren:

Griekse cultuurschatten in onder andere Agrigento, waaronder de fameuze Concordiatempel, Syracuse met zijn theaters, Selinunte en Segesta
In Taormina is een groot Grieks-Romeins theater.
In de Dom van Monreale en de Cappella Palatina in Palermo hebben de Noormannen in eendrachtige samenwerking met Byzantijnse kunstenaars kunstwerken achtergelaten.
Romeinse mozaïeken zijn te bewonderen in de Villa Romana del Casale bij Piazza Armerina.
Verder vindt men op beperktere schaal nog resten van de Arabische periode. Uit de Spaanse periode is weer vrij veel bewaard gebleven waaronder de Dom van Syracuse, de barokstad Noto en vele andere, vooral religieuze bouwwerken.

Klimaat
Op Sicilië is een Middellandse Zeeklimaat met warme zomers en zachte regenrijke winters.

Vervoer
Er is een bootverbinding met Italië vanuit Messina. Luchthavens zijn er in Catania, Palermo en Trapani. In Catania is er sinds 1999 een Metro

Eten en drinken
Sicilië is, evenals Italië in het algemeen, zeer bekend om zijn pasta en pizza. Zie ook andere Italiaanse gerechten. Tevens wordt er veel koffie en wijn gedronken.

Geschiedenis van Sicilië
Sicilië heeft een lange en bewogen geschiedenis.
Rond 1200 v.Chr. wordt in Egypte gewag gemaakt van de zeevolken, waaronder de Shekelesh, die waarschijnlijk van dit eiland kwamen, gezien de naamsverwantschap.

Magna Graecia, Latijn voor Groot Griekenland, was de antieke benaming voor Zuid Italië en Sicilië. Deze gebieden waren door de Grieken gekoloniseerd tussen 800 en 600 v.Chr. Bijna alle steden hier hebben Griekse wortels. Een aantal belangrijke kolonies van Magna Graecia, zoals Neapolis (tegenwoordig Napels) en Syracuse, hebben een belangrijk aandeel gehad in de culturele vorming van de Romeinen.
De Grieken vestigden zich altijd dicht bij de kust. In het binnenland handhaafden zich inheemse Italische volkeren. In Sicilië waren die (Siculi, Sicani, Elymi) zo verzwakt dat ze geen ernstige bedreiging meer vormde voor de Griekse koloniën, maar in het zuiden van het Italiaanse schiereiland was dat anders. Hier ontpopten zich vanaf de 5e eeuw v.Chr. vooral de Samnieten als gevaarlijke tegenstanders.

Evenmin als de Griekse stadstaten van het moederland hebben die van Groot Griekenland nooit één politieke eenheid gevormd: particularisme en onderlinge rivaliteiten hebben het streven naar politieke integratie steeds tegengewerkt. Wat niet wegneemt dat de invloedrijkste steden ernaar gestreefd hebben hun macht over een zo groot mogelijk territorium uit te breiden. Al is de term "Groot Griekenland" ook van toepassing op de steden in Zuid-Italië, toch was Sicilië vanwege zijn centrale positie in de Middellandse Zee voorbestemd om de belangrijkste rol te spelen in de geschiedenis van de Westelijke Grieken.

De 7e en 6e eeuw v.Chr.
Aan het einde van de 7e eeuw v.Chr. hadden de Griekse landbouwkolonies in het westen zulk een peil van welstand bereikt dat ze zich voortaan op handel konden toeleggen. Landbouwproducten uit Sicilië konden geruild worden voor allerlei waren uit het Griekse moederland, maar ook uit Etrurië en Carthago. De invoering van het muntgeld kon de bloei van de handel alleen maar bevorderen. Toch had deze heroriëntering van de economie ook negatieve gevolgen. De oude landadel had afgedaan, wanneer eenmaal de handeldrijvende klasse tegen zijn voorbijgestreefde privileges in opstand kwam. In de meeste steden werd de crisis opgelost door de instelling van de tirannie, maar vergeleken bij de tirannen die in dezelfde periode over de steden in het moederland regeerden, was de macht van de Siciliaanse tirannen véél groter en ging zij gepaard met meer willekeur en wreedheden. Ondanks de onvermijdelijke excessen hebben de tirannen van Groot Griekenland zich toch ook in verschillende opzichten verdienstelijk gemaakt: o.m. door de herverdeling van de gronden, het uitvoeren van allerlei openbare werken van algemeen nut, en de verfraaiing van de stedelijke gebieden hebben zij de sociale toestanden aanzienlijk verbeterd. Sommigen onder hen hadden ook een bredere visie op de politiek. Zo besefte Falaris van Akragas (ca. 570 - 554 v.Chr.) als eerste dat hij het grondgebied van zijn stad moest uitbreiden om de Carthaagse expansie naar het Oosten een halt toe te roepen.

De 5e eeuw v.Chr.
De eerste die met plannen rondliep voor de politieke éénmaking van alle Griekse steden op Sicilië - en daadwerkelijk ook het oosten van het eiland grotendeels in zijn macht had - was Hippocrates van Gela. Zijn opvolger Gelo slaagde erin Syracuse in te nemen (485 v.Chr.) en met Theron van Akragas een bondgenootschap te sluiten. Toen Selinus en Himera echter een verdrag sloten met aartsvijand Carthago werd een botsing tussen de twee grootmachten op Sicilië onvermijdelijk: de overwinning van Theron op de Carthagers in Himera (480 v.Chr.) beveiligde de Siciliaanse Grieken bijna een eeuw lang tegen het Carthaagse gevaar. Toen Hiëro I van Syracuse er ook in slaagde bij Kyme de Etrusken te verslaan (476 v.Chr.) was ook het gevaar dat Groot Griekenland vanuit het noorden had kunnen bedreigen voorgoed afgewend. De relatieve vrede en de economische welvaart die hieruit voortvloeiden ondermijnden echter het regime van de tirannen. In de eerste helft van de 5e eeuw v.Chr. werd de tirannie vrij algemeen vervangen door een democratie waarin de handeldrijvende burgerij de invloedrijkste lobby vormde. Van de moeilijkheden die zich de volgende jaren aandienden, wist Syracuse handig gebruik te maken om zijn hegemonie te verstevigen, zodat het omstreeks 440 v.Chr. de facto over ¼ van het eiland regeerde. Andere steden die zich benadeeld voelden probeerden zich te groeperen onder de leiding van Athene, hetgeen leidde tot het grote fiasco van Alcibiades in 413 v.Chr. Het groeiende imperialisme van Selinus en Akragas lokte anderzijds een Carthaagse interventie uit (409 – 405 v.Chr.): Carthago verwoestte Selinus, Himera en Akragas en namen Gela in. Van deze noodtoestand maakte Dionysius de Oude gebruik om de tirannie in Syracuse opnieuw in te stellen.
De geschiedenis van de Griekse steden op het Italiaanse vasteland in de 5e eeuw was niet minder bewogen. Locri was een bondgenoot van Syracuse tégen Rhegium, dat van zijn kant vriendschapsbetrekkingen onderhield met Tarentum, dat zijn positie geleidelijk aan had weten te verstevigen. In Croton, dat aanvankelijk onder invloed van de Pythagoreeërs stond, braken heftige rellen uit toen de aanhangers van deze sekte uit de stad werden verdreven. Enkel tijdens de Atheense expeditie tegen Sicilië (414 v.Chr.) slaagden de steden er enigszins in front te vormen. Naast hun onderlinge twisten hadden zij bovendien nog af te rekenen met de vijandigheid van de inheemse Italische bevolking, een probleem dat in Sicilië veel minder acuut was geweest.

De 4e eeuw v.Chr.
Gedurende de hele 4e eeuw bleef Syracuse de leidende mogendheid in Groot Griekenland. Dionysius de Oude (405 – 367 v.Chr.) bracht alle Grieken in Sicilië onder zijn macht, en nam de titel "archont van Sicilië" aan. Herhaaldelijk versloeg hij de Carthagers en werkte op die manier de vergrieksing van Sicilië in de hand. Hij slaagde er ook in zijn macht te vestigen in Zuid-Italië en hij durfde zich zelfs bemoeien met de aangelegenheden van het Griekse moederland.
Na de bewogen regering van zijn zoon Dionysius de Jongere (367 – 344 v.Chr.) voerde Timoleon (344 – 337) een timocratische staatshervorming door, waarna pogingen ondernomen werden om een statenbond van Griekse steden op Sicilië te stichten. Na de dood van Timoleon leidden onlusten echter tot het herstel van de tirannie door de opportunistische avonturier Agathocles (317 – 289 v.Chr.), die na enkele regeringsjaren zelfs de koningstitel aannam, en grootste plannen ondernam om Carthago op eigen bodem te gaan bestrijden, hetgeen door zijn besluiteloosheid mislukte.
De Griekse steden op het vasteland hadden vaak het hoofd moeten bieden aan de inheemse bevolking (Lucaniërs, Bruttiërs, ...) Na de regering van Dionysius de Oude deed Tarente een beroep op Alexander I van Epirus (een oom van Alexander de Grote), die wel vele Italische stammen versloeg, maar uiteindelijk op verzoek van de Tarentijnen vermoord werd, omdat ze hem ervan verdachten zelf een koninkrijk op Sicilië te willen stichten.

De machtsovername door de Romeinen
De conflicten tussen Grieken en Italiërs zouden spoedig in het niet verzinken door de opkomst van een nieuwe grootmacht. Op het einde van de 4e eeuw hadden de Romeinen de Griekse steden van Campania reeds in hun macht. Na de onderwerping van de Samnieten (295 v.Chr.) en het sluiten van een bondgenootschap met de Lucaniërs vormden zij nu een onmiddellijke bedreiging voor de Grieken in Zuid-Italië. Reeds hadden verscheidene steden (Thurii, Locri, Rhegium) de aanwezigheid van een Romeins garnizoen aanvaard, toen Tarente in actie kwam: om de vrijheid van de Grieken te vrijwaren beraamde het een oorlog tegen Rome, met de bijstand van Pyrrhus van Epirus. Deze versloeg de Romeinen tot tweemaal toe (280 / 279 v.Chr.), maar hij verloor daarbij een groot deel van zijn manschappen.
Inmiddels staken ook op Sicilië nieuwe gevaren de kop op. Na de dood van Agathocles (289 v.Chr.) viel diens rijk uiteen, en zijn huurlingen hadden Messina ingenomen (waar zij zich vestigden als "Mamertijnen", d.i. zonen van de oorlogsgod "Mamers" of "Mars"), vanwaaruit zij grote verwoestingen aanrichtten in het oosten van het eiland.
Tot overmaat van ramp sloten zij een verbond met Carthago, en maakten zij van de verdeeldheid onder de Grieken gebruik om hun eigen macht uit te breiden en Syracuse met hun vloot te bedreigen (278 v.Chr.). Ook Syracuse riep Pyrrhus te hulp. Deze dreef de Carthagers naar de westelijke hoek terug en werd overal als "koning van Sicilië" onthaald. Maar omdat hij het verzuimde op het juiste ogenblik vrede te sluiten, wist hij zijn successen niet te benutten. In 275 keerde hij naar het Italische vasteland terug, waar de situatie in zijn nadeel geëvolueerd was. De Romeinen hadden zich inmiddels georganiseerd om zijn krijgsolifanten efficiënter te bestrijden, zodat hij bij Beneventum een nederlaag leed. Hij liet een garnizoen achter in Tarente en moest zich eerloos in Epirus terugtrekken, waarna Tarente zich in 272 aan de Romeinen moest overgeven. Dat was het formele einde van de Griekse onafhankelijkheid in Zuid-Italië, maar anderzijds het begin van de vergrieksing der Romeinse beschaving. En toen de Romeinen in 270 ook Rhegium innamen werd het duidelijk dat ook de verovering van Sicilië nog maar een kwestie van tijd was. De Mamertijnen gaven hiertoe de aanleiding toen zij de hulp van de Romeinen inriepen tegen Carthago. In de daarop volgende Eerste Punische Oorlog (264 – 241) konden de Romeinen geheel Sicilië veroveren, met uitzondering van het rijk van Hiëro II van Syracuse (269 – 215), dat ongeveer een kwart van het eiland besloeg. Hiëro was de laatste, maar één van de knapste tirannen van Syracuse, en zeker de meest humane. Door zijn handige diplomatie had hij een bondgenootschap met de Romeinen kunnen sluiten, en daarvan kon Syracuse profiteren om opnieuw voorspoed en luister te verwerven. Maar toen de stad na zijn dood even de zijde van Carthago koos (ontmoedigd door de Romeinse nederlaag bij Cannae), keerde Rome zich onverwijld tegen zijn vroegere bondgenoot.
Na een langdurige belegering dankzij de verdedigingswerken van Archimedes, werd Syracuse uiteindelijk in 211 door verraad ingenomen en aan een vreselijke plundering blootgesteld.
Sicilië werd de eerste overzeese provincie van het Romeinse Rijk, en de rijkdom aan landbouwproducten (hoofdzakelijk graan) maakte het eiland voor de veroveraars zeer kostbaar. De graanbouw werd uitgebreid door een sterke immigratie vanuit Italië: vele Romeinen kochten er grote landgoederen (latifundia). Sicilië zou Rome’s voornaamste graanleverancier blijven, totdat, onder Augustus, Alexandria et Aegyptus die rol zou overnemen. De slechte arbeidsomstandigheden op het grootgrondbezit leidden echter tot verwoestende slavenoorlogen (136 tot 132 v.Chr. en 104 tot 99 v.Chr.). Ook de vrije bewoners van Sicilië waren meer dan eens verbitterd over de afpersingen van corrupte stadhouders (vb. Verres). In de Keizertijd verbeterde het bestuur enigszins; de Romeinse keizers werden grote landeigenaars op het eiland, dat door de stichting van vele kolonies steeds meer geromaniseerd werd.

Het einde van de Oudheid
Aan de Romeinse overheersing op Sicilië kwam een eind in de 5e eeuw, toen het eiland werd geplunderd door de Vandalen onder Geiserik. In 476 kwam het in handen van Odoaker, en in 491 van de Ostrogoten. Tijdens een oorlog met de Byzantijnen wist Belisarius, veldheer van keizer Justinianus, Sicilië in 535 te veroveren, waarna het deel bleef uitmaken van het Byzantijnse Rijk, tot de Arabieren in de 9e eeuw met hun aanvallen begonnen.

Het Arabische tijdperk
Tijdens de Byzantijnse Periode was Sicilië, waar men met evenveel gemak Grieks als Latijn sprak, op cultureel gebied nauw verbonden met het Byzantijnse oosten. Onder keizer Michaël II maakten de Arabische Aghlabiden uit Tunesië van de zwakte van het Byzantijnse Rijk gebruik en begonnen hun eerste invallen op het eiland. Keizer Constantijn V vond het zelfs noodzakelijk om om die reden Syracuse als zijn residentie te verkiezen.

In 827 veroverden de Arabieren (ook wel Saracenen genoemd) de stad Mazara. Steeds werden de aanvallen herhaald en, ondanks de felle tegenstand van de eilandbewoners, viel in 831 Palermo en in 842 Messina in islamitische handen. Vele steden zouden volgen, en niet alleen op Sicilië. De Aghlabiden veroverden ook Malta en Sardinië en in 846 waren zij in Rome, een stad die zij plunderden.

Onder Michaël III waren alleen Taormina en Syracuse nog in Byzantijnse handen. Het laatste grote Byzantijnse bolwerk, Syracuse, viel in 878. In 902 veroverden de Arabieren na 75 jaar strijd Taormina en was het eiland geheel in hun handen.

Steeds meer Arabieren vestigden zich vervolgens op het rijke Sicilië. Sicilië werd een belangrijk cultureel deel van de Arabische wereld. Net als in andere gebieden die zij veroverden, legden de Arabieren een extra belasting op aan andere geloven. De Arabieren maakten van Palermo hun hoofdstad. Palermo werd een belangrijk centrum van onderwijs en kunst en het middelpunt van een bloeiende cultuur, samengesteld uit Romeinse, Arabische en Byzantijnse elementen, én de oogappel van de bezetters. De vruchtbare grond van Sicilië leverde katoen, suikerriet en citrusvruchten. Sicilië werd onder hun bewind een bloeiend gebied.

De Fatimiden-dynastie kreeg in 910 de macht in handen, maar zij raakten onderling verdeeld en daarvan maakten de Byzantijnen gebruik. Zij poogden met hulp van de Normandiërs hun bezit te heroveren.

De Normandiërs
In de elfde eeuw stichtte de Normanische hertog Robert Guiscard, uit het geslacht de Hauteville, een Normandisch Rijk in Zuid-Italië. Vandaar uit veroverde hij in 1061 de stad Messina, samen met zijn broer Rogier de Hauteville. Deze veroverde tussen 1061 en 1091 de rest van het eiland. Hij werd door zijn broer in 1072 tot Graaf van Sicilië verheven, onder de naam Rogier I, en bleef over het eiland regeren tot aan zijn dood in 1101. Zijn zoon Rogier II werd door paus Anacletus II in 1130 te Palermo tot Koning van Sicilië gekroond (1130). Hij bracht zijn koninkrijk tot bloei en breidde het uit tot op het vasteland van Zuid-Italië (in 1128). Rogier II hield hof te Palermo, waar hij zich liet omringen door Griekse en Arabische geleerden en Italiaanse kunstenaars. Hij voerde ook een efficiënte bestuursvorm in, gematigd maar doeltreffend. Onder zijn regering nam het aantal moslims sterk af: velen gingen over tot het christendom en integreerden zich volledig onder de bevolking. Zeer vele anderen vertrokken naar Noord-Afrika. Daarnaast vestigden zich veel kolonisten uit Italië, en met name Noord-Italië, op het eiland; onder hun invloed begon het Italiaans het Arabisch als voornaamste taal te verdringen. In het oosten van het eiland bleef nog geruime tijd het Grieks domineren. Rogier II overleed in 1154.

Onder de regering van zijn opvolger Willem I (1154-1166) kwamen de eilandbewoners enkele malen in opstand. In 1156 had hij reeds af te rekenen met een revolte van zijn baronnen en hij bracht zijn koninkrijk in conflict met de machtige Duitse keizer Frederik Barbarossa. In dit conflict zocht zijn zoon Willem II (1166-1189) steun bij de paus en bij de steden van Noord-Italië. Dit maakte hem machtig genoeg om zich te gaan bemoeien met de aangelegenheden van het in ontbinding verkerende Byzantijnse Rijk. Hij sloot ook aan bij de Derde Kruistocht. Toen hij kinderloos overleed, liet hij zijn troon over aan zijn tante Constanza, een dochter van Rogier II, die in 1186 was gehuwd met Hendrik, de zoon van Frederik Barbarossa.
Maar dat was niet naar de zin van de Sicilianen, die liever Tancred van Lecce, een natuurlijke zoon van Rogier II, als koning wilden. Hendrik, die in 1190 na de dood van zijn vader als Hendrik VI keizer was geworden, handhaafde echter zijn rechten op Sicilië, en toen Tancred in 1194 overleed, werd de keizer van de Heilige Roomse Rijk in Palermo ook tot koning van Sicilië gekroond. Hij maakte een einde aan het bestuur van de Normandiërs.

Het huis van Hohenstaufen
Hendrik VI overleed reeds in 1197, zijn vrouw Constanza een jaar later, waarna hun zoon Frederik op 4-jarige leeftijd tot koning van Sicilië werd gekroond. Hij trouwde in 1209 met Constanza, dochter van Peter II van Aragón. Niet zonder moeilijkheden besteeg hij in 1214 ook de keizerstroon van zijn vader.
Frederik II was een uitzonderlijk begaafd vorst, en werd door zijn tijdgenoten beschreven als stupor mundi et novator mirabilis. Hij regeerde ook over Sicilië en Zuid-Italië, en verbleef hier zelfs liever dan in het Duitse Rijk. Hij was kunstzinnig aangelegd, sprak zes talen, verdiepte zich in de filosofie, wiskunde en de astronomie, biologie en geneeskunde, en was bovendien ook een groot staatsman en veldheer. Aan zijn weelderige hof te Palermo verbleven Arabische, joodse en christelijke dichters, musici en geleerden. Daarnaast was hij ook erg losbandig en hield er een heuse harem op na: men noemde hem spottend "de gedoopte sultan". Hij overleed vrij plotseling in 1250, waarna zijn rijk spoedig in een anarchie verzonk. Begraven werd hij in de dom van Palermo, waar ook zijn ouders Hendrik VI en Constanza rusten.

Hij werd opgevolgd door zijn zoon Koenraad IV (1250-1254), en deze op zijn beurt door zijn halfbroer Manfred (1254-1265), een natuurlijke zoon van Frederik. De beide opvolgers van Frederik II trachtten hun koninkrijk in Sicilië en Zuid-Italië te handhaven en bestuurlijke hervormingen door te voeren, maar dat mislukte door de voortdurende strijd tegen paus Clemens IV, die zijn Kerkelijke Staat niet graag ingeklemd zag tussen het Noordelijke en het Zuidelijke rijk van de Hohenstaufen. De paus vroeg en kreeg de hulp van Frankrijk, en wel in de persoon van Karel van Anjou, broer van koning Lodewijk IX. In de Slag bij Benevento (1265) werd Manfred verslagen en gedood. Op die manier werd Karel van Anjou in 1266 door de paus gekroond tot koning van Zuid-Italië en Sicilië, die voortaan als pauselijke lenen werden beschouwd. In 1267 trachtte Koenraad (bijgenaamd "Corradino"), de 15-jarige zoon van Koenraad IV, de erfenis van zijn vader te heroveren, maar hij werd gevangen genomen en het volgende jaar, op verzoek van Karel van Anjou, in Napels onthoofd.

Sicilië onder Anjou en Aragón
Op deze tragische manier kreeg Sicilië in 1268 dan een Frans bestuur, met als koning Karel van Anjou, die zijn hoofdstad niet in Palermo, maar in Napels vestigde. Karel regeerde als een despoot, en maakte zich, mét zijn Franse landgenoten, erg gehaat om zijn wanbeheer en de hoge belastingdruk. Op 31 maart 1282 brak in Palermo de volksopstand uit, beter gekend onder de naam Siciliaanse Vespers, die spoedig het karakter van een onafhankelijkheidsoorlog aannam. Bijna alle Fransen in Palermo werden vermoord, en spoedig werden ook in andere steden Franse garnizoenen verdreven of uitgeroeid. Karel van Anjou werd afgezet, en de Sicilianen boden de kroon aan Peter III van Aragón, de schoonzoon van Manfred van Hohenstaufen. Het koninkrijk Napels (= Zuid-Italië) bleef echter aan Karel van Anjou.

Vaak braken er twisten uit tussen Napels (Anjou) en Sicilië (Aragón), en daaraan kwam pas een eind, toen in 1442 Sicilië met Napels opnieuw werd verenigd door Alfons V van Aragón.

Sicilië onder Spaans bewind
Alfons' opvolger Ferdinand I (1458–1494) werd tot koning van Napels benoemd, terwijl Sicilië samen met Aragón onder diens broer Johan II verenigd zou blijven. Voor de strijd om Italië, die op het einde van de 15e eeuw werd gevoerd, was het bezit van Sicilië voor Aragón van het grootste belang. Sicilië was nog altijd de graanschuur van Europa, en dat maakte het mogelijk grote inkomsten uit de belastingen te putten. ( veel geschriften uit deze periode zijn nog altijd te vinden in de privé collectie van Graaf Anthonie Van Wilderoden d'Aragon)Dat bleek nog eens in 1504, toen Ferdinand van AragónVoor lange tijd waren Napels en Sicilië (het Koninkrijk der Beide Siciliën) nu met Spanje verenigd. In 1516 kwam Sicilië bij het Habsburgse wereldrijk van Karel V, en in 1556, bij de verdeling van dit rijk, aan Filips II van Spanje. Enkele malen kwamen de eilandbewoners in opstand tegen het centrale Spaanse bewind (o.m. in 1647 en 1674), maar tevergeefs: de Spaanse koningen hielden weinig rekening met de rechten en belangen van de Sicilianen, en legden enkel zware belastingen op.

In 1675 geeft Frankrijk aan het eiland te willen inlijven. Spanje vraagt hulp aan de Republiek. Admiraal Michiel de Ruyter komt helpen, raakt ernstig gewond en overlijdt door de Slag bij de Etna.

Sicilië onder de Bourbons van Napels
Na de Spaanse Successieoorlog, bij de Vrede van Utrecht (1713), kwam Sicilië, opnieuw gescheiden van Napels, aan het huis van Savoye. Maar in 1718 moesten de Savoyes Sicilië dan weer afstaan aan Oostenrijk, en kregen daarvoor in ruil Sardinië terug.
De Oostenrijkers waren helemáál niet geliefd op Sicilië, en zij stonden in 1735 het eiland wat graag af aan de Spaanse Bourbons. De Spaanse prins Karel van Bourbon werd in Palermo tot koning van Sicilië gekroond en in 1738 ook tot Koning van Napels. Zo herrees het Koninkrijk der Beide Siciliën en dat was het begin van de Bourbon-dynastie. Toen Karel in 1759 de Spaanse troon besteeg, liet hij het bestuur over Napels en Sicilië over aan zijn zoon Ferdinand (1759–1825).

Onder de Bourbons kende Sicilië weinig welstand en vrijheid: velen zijn van oordeel dat hun bewind desastreus is geweest voor de economie en de welvaart van het eiland. De koning resideerde doorgaans te Napels, maar in 1799 week koning Ferdinand uit naar Palermo, omdat de troepen van Napoleon I Napels bezetten. Op die manier kregen de Sicilianen voor het eerst hun koning in levenden lijve te zien... Engelse troepen bezetten Sicilië in 1806 om het eiland tegen een invasie van Napoleon te beschermen. Dit bracht een economische heropleving met zich mee. Onder de druk van Engeland moest de koning in 1812 de Sicilianen ook een moderne, liberale grondwet schenken, met tot dan toe ongekende rechten voor het volk. Maar toen koning Ferdinand in 1816, na de val van Napoleon, naar Napels terugkeerde, zag hij de kans schoon om deze grondwet weer in te trekken. Na zijn terugkeer nam hij ook als Ferdinand I officieel de titel van "Koning der Beide Siciliën" aan.

Enkele malen kwam het volk in opstand tegen het wanbeheer en het absolutisme van de Bourbon-koningen, o.m. in 1820 (opstand van de Carbonari) en 1848, maar telkens werd de opstand bloedig neergeslagen. Velen trokken berooid en teleurgesteld het binnenland in, waar ze gingen leven van banditisme: de "Cosa Nostra" was ontstaan…

De Italiaanse eenwording
In 1860 kwam Sicilië opnieuw in verzet tegen de Bourbons. Ditmaal kreeg het een onverwachte steun van de avonturier Garibaldi. Deze ging op 11 mei 1860 met zijn vrijschare van "duizend roodhemden" aan land bij Marsala, en kon in korte tijd heel het eiland veroveren, waarna hij overstak naar het vasteland de Bourbons verdreef en zijn intocht hield in Napels. Een volksstemming bekrachtigde de vereniging van Napels en Sicilië met het koninkrijk Sardinië, dat in 1861 tenslotte werd uitgeroepen tot koninkrijk Italië, en in 1870 ongeveer zijn huidige omvang kreeg.

Sindsdien gaat de geschiedenis van Sicilië op in het grotere geheel der Italiaanse geschiedenis. In het eengemaakte Italië bleef Sicilië echter steeds stiefmoederlijk behandeld, en genoot het weinig belangstelling van de centrale regering. Het eiland was onder de Bourbons nagenoeg leeggebloed, de bodem ontbost en verwaarloosd. Vanwege de slechte infrastructuur wensten de industriëlen van Noord-Italië op Sicilië niet te investeren in de vestiging van nieuwe bedrijven: het moest enkel dienen als afzetgebied voor het rijke noorden. Met het geld van de belastingbetaler, ook van de Siciliaanse, werden in Noord-Italië nieuwe infrastructuurwerken en industriële vestigingen gefinancierd. Vele doodarme Sicilianen zochten dan ook hun geluk in de rijke steden van het noorden of in het buitenland, en lieten de grond onbewerkt en verwaarloosd achter. De Sicilianen namen "wraak" via politieke corruptie: hun vertegenwoordigers verkochten hun stemmen vaak aan de meest biedende. In die periode breidt ook de maffia zijn macht uit.

Ook het fascisme wist geen radicale verbetering te brengen in de situatie van Sicilië: dit demagogische regime met zijn twijfelachtige economische politiek wilde de steun van de plaatselijke grootgrondbezitters niet missen. Wel werd nu de maffia krachtig aangepakt.

Na de Tweede Wereldoorlog leek het erop dat er in het democratische Italië meer aandacht zou worden gegeven aan de eigen problematiek van Sicilië. De Italiaanse regering verleende het eiland in 1946 verregaande autonomie en bewees hiermee dat ze terdege rekening wilde houden met het verlangen van de eilandbewoners naar grotere zelfstandigheid. Maar ondanks grote inspanningen (o.m. een herverdeling van de landbouwgronden in 1948) bleef Sicilië achter bij andere Italiaanse regio’s: een erfenis van vele eeuwen economische uitbuiting. Daarbij kwam dat de onder Mussolini aardig onderdrukte maffia erin slaagde zijn macht terug te veroveren.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Sicili%C3%AB
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 199.