kunstbus
Dit artikel is 19-03-2008 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Sociaal structuralisme

Het structuralisme is een theoretische benaderingswijze binnen de sociale wetenschappen met als uitgangspunt dat niet direct waarneembare structuren ten grondslag liggen aan sociale verschijnselen. Deze structuren zijn verzamelingen van de relaties tussen de elementen waaruit de sociale werkelijkheid is opgebouwd.

Het structuralisme is de uitbreiding van de structurele taaltheorie van Saussure e.a. naar het sociale domein. In deze theorie wordt betekenis mogelijk doordat een teken zich op het kruispunt van paradigmatische en syntagmatische betrekkingen bevindt. De etymologie speelt derhalve een ondergeschikte rol in het genereren van betekeniseffecten. Ook het structuralisme legt de nadruk op een synchronische benadering ten koste van een diachronische: niet dynamiek en ontwikkeling zijn van belang, maar de werking van het systeem als geheel in een gegeven tijdperk.

De etnoloog Claude Lévi-Strauss ontleent de structuralistische benadering aan Roman Jakobson en past deze toe op de analyse van familierelaties, mythen en riten. Lévi-Strauss ontleedt de mythes van verschillende volkeren in mythèmes, impliciete atomaire eenheden van het mythisch denken die slechts in relatie tot elkaar betekenis krijgen.

Het structuralisme heeft navolging gevonden in de filosofie, de psychoanalyse van Jacques Lacan, de literatuurwetenschap en de literaire kritiek terwijl de term ook wel gehanteerd wordt binnen de architectuur (zie b.v. Herman Hertzberger).

Bron: Stefan Münker en Alexander Roesler (2000). Poststrukturalismus. Stuttgart/Weimar: Metzler.

Structuralisme (filosofie)

Terwijl de existentiefilosofie de mens zelf tot schepper van zijn waarde en de betekenis van zijn wereld maakt, wijst het structuralisme hem daarin juist een ondergeschikte plaats toe. De wereld is een zinvol geheel dankzij systemen of structuren waarin mensen zich moeten invoegen, op dezelfde manier als ze zich, sprekend of schrijvend, moeten invoegen in een reeds bestaande taal. het structuralisme legt de nadruk op een diachronische benadering ten koste van een synchronische: niet dynamiek en ontwikkeling zijn van belang, maar de werking van het systeem als geheel in een gegeven tijdperk. De Zwitserse linguïst Ferdinand de Saussure (1857-1913) geldt als aartsvader van deze visie, de ethnoloog Claude Lévi-Strauss (1908) als de belangrijkste vertegenwoordiger ervan.

Structuralistische taalkunde

Structuralistische taalkunde, of kortweg structuralisme, is een van de oudste stromingen binnen de hedendaagse taalkunde, die taal opvat als een structuur waarin vormen op systematische wijze met elkaar verbonden zijn en waarbij een ermee corresponderende betekenis bijgevolg, althans in principe, voortvloeit uit de samenstelling van de talige structuur die wordt voortgebracht.

Het Praags structuralisme, dat aan het Russisch formalisme ontsproot, was de eerste duidelijk structureel georiënteerde school op het Europese continent. Roman Jakobson onderscheidde de verschillende functies van een talige uiting — men noeme hem echter geenszins een functionalist — en beschreef taal als een projectie van de syntagmatische as op de paradigmatische as: het paradigma maakt met andere woorden het lexicon uit, terwijl het syntagma de vereiste grammaticale verbinding binnen de lineaire orde is, die bij het spreken gecreëerd wordt. Een voorbeeld: Die man ziet mijn huis is een syntactische structuur, die onveranderd blijft in Gene kerel aanschouwt mijn woonstede. Ofschoon de boodschap hier om pragmatische redenen drastisch verschillend is, werd enkel het paradigma aangepast; het syntactische skelet van zin 1 blijft overeind.

In tegenstelling tot de Junggrammatiker, die zich vrijwel uitsluitend met historisch-vergelijkende taalkunde, en in het bijzonder met de Ausnahmslosigkeit van historische klankwetten, bezighielden, was het de structuralisten — zoals men kan verwachten — hoofdzakelijk om de intrinsieke structuur van taal an sich te doen. Ferdinand de Saussure ontleedde reeds het taalteken in een signifiant en een signifié en gaf dusdoende de aanzet tot het onderzoek naar hoe betekenis uit talige elementen tot stand komt en tussen mensen gecommuniceerd wordt. Structuralisten streven er steeds naar, talige vormen in hun componenten te dissecteren, en hun soms impliciete veronderstelling daarbij is, dat semantiek op dezelfde wijze kan worden ontward.

In Amerika schiep Leonard Bloomfield, grondlegger van het distributionalisme, de theorie van de Ultieme constituenten (UC, Ultimate Constituents), waarbij elke talige uiting kan worden uiteengehaald door telkens de onderliggende componenten van elkaar te scheiden: dit resulteert in een vertakking van elke frase en elk woord in telkens de onderliggende Onmiddellijke constituenten (Immediate constituents). De kleinste betekenisdragende eenheid, het morfeem, wordt op die wijze achterhaald. In wezen is dit een elaboratie op het Principe van Frege; de Chomskyaanse herschrijfregels, die weliswaar vanuit een transformationalistisch perspectief tot stand kwamen en daardoor in wezen in omgekeerde richting werken, hanteren desalniettemin dezelfde ontleedfilosofie.

Structurele taalkunde is heden niet zozeer een stroming op zich als wel een methodologisch raamwerk waarvan zich vele taalkundigen in mindere of meerdere mate bedienen; door haar nadruk op formele vormen van taal heeft deze taalkunde een connotatie formalistisch (id est, in de zin van de orthodoxe generativisten) van aanpak te zijn — nochtans bewijst de Functionele syntaxis zoals ontwikkeld door Martinet dat het structuralisme niet waarlijk aan een welbepaalde stroming voorbehouden is.

Integendeel lijkt het veeleer zo dat een nauwgezette ontleding van de organisatie van betekenisdragende eenheden binnen talen (met typologisch zo exhaustief mogelijke onderbouwing) een cruciale voorwaarde is voor het begrijpen van de fundamentele vraag, hoe het komt dat complexe betekenis en cognitie — door middel van een beperkt aantal gestructureerde geluiden uit de menselijke mond — van persoon tot persoon kan worden overgedragen, en dat in de structuur van wat mensen zeggen wetmatigheden aanwezig zijn die de aard van de intermenselijke functie waarvan gebruikgemaakt wordt, op een dermate geraffineerde wijze kan worden bijgestuurd, door aan de interne structuur van uitingen te sleutelen.

Generatieve taalkunde, ontstaan vanuit het Amerikaanse structuralisme
Generatieve taalkunde of generatieve grammatica (ook wel chomskyaanse taalkunde) is de verzamelnaam voor een aantal taalkundige theorieën, vooral op het gebied van de fonologie, de morfologie en de syntaxis, die met elkaar gemeen hebben dat ze (a) een grote, bijna mathematische, precisie nastreven in de beschrijving van grammaticale verschijnselen, (b) uitgaan van de gedachte dat het taalvermogen aangeboren is en dat de beschrijving van een grammaticaal systeem dus de beschrijving is van een verschijnsel dat zich voordoet in de menselijke geest, en daarmee uiteindelijk in het menselijk brein.

De oorspronkelijke auteur van de generatieve taalkunde is de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky, die zich in de jaren vijftig van de twintigste eeuw begon af te zetten tegen de methodologie van de structuralistische taalkunde, zoals die onder andere bedreven werd door zijn leermeester, Zellig Harris. Volgens Chomsky had de structuralistische methode een aantal mankementen: zo zou zij onvoldoende zijn uitgerust om de zinsbouw van natuurlijke taal te beschrijven en voorts methodologisch te rigide zijn. Dankzij Chomsky's grote retorische gaven, dankzij het organisatorische talent van Morris Halle, die Chomsky een baan op het MIT bezorgde, maar waarschijnlijk vooral toch ook vanwege de wetenschappelijke successen van de nieuwe theorieën werd de generatieve taalkunde in de Verenigde Staten al snel een zeer belangrijke theorie waartoe jonge taalkundigen zich sterk voelden aangetrokken. Dit gold vanaf de vroege jaren zeventig ook voor Nederland, waar de aantrekkingskracht van de generatieve taalkunde op bijvoorbeeld de Universiteit van Amsterdam werd gecombineerd met het revolutionaire elan dat in die jaren op de universiteiten heerste. In sommige andere Europese landen, zoals België, kreeg de generatieve taalkunde veel minder voet aan de grond, voornamelijk omdat wetenschappelijk-empirische onderzoeksresultaten niet pasten in zijn theorie.

Inmiddels ontwikkelde Chomsky zijn theorieën in de loop der jaren steeds verder. Doorgaans worden er drie perioden onderscheiden in Chomsky's werk. In de eerste periode, van het klassieke generativisme van de jaren 1950-1975, lag de nadruk vooral op het zo precies mogelijk formuleren van grammaticale regels. In de tweede periode, van de principes en parameters van 1975-1990, werd de nadruk verschoven naar het zoeken van verklaringen hoe het mogelijk is dat kinderen betrekkelijk probleemloos binnen enkele jaren alle ingewikkelde grammaticale regels van hun taal onder de knie krijgen. Gaandeweg rijpte bij de generatieve taalkundigen in deze periode het idee dat de grammatica's van alle menselijke talen variaties waren op een thema, de zogenoemde universele grammatica. Eigenlijk zijn volgens deze redenering alle grammatica's in de kern hetzelfde (ze bestaan uit dezelfde principes), maar zitten er alleen bepaalde knopjes in (de parameters) die een taallerend kind de ene kant op hoeft te zetten (zodat hij 'eat cookie' zegt, met het werkwoord vooraan), of de andere kant (zodat hij 'koekie eten' zegt, met het werkwoord achteraan). In de derde periode, het minimalisme vanaf 1990, wordt vooral aandacht besteed aan de eenvoud van deze universele grammatica, waarvan met name Chomsky zelf beweert dat hij alleen bestaat uit uiterst eenvoudige regels die ook nog eens gemotiveerd worden door de belangrijkste functie van de taalkundige syntaxis: het aan elkaar knopen van vorm (fonologie) en betekenis (semantiek).

In de loop van de tijd vond het werk van Chomsky ook veel weerstand. Sommige tegenstanders kunnen echter nog steeds generatief worden genoemd. Zo ontstonden in de loop van de tijd theoretische kaders als de generatieve semantiek, lexical-functional grammar, head-driven phrase structure grammar, natuurlijke fonologie en optimaliteitstheorie, die geen van allen Chomsky's goedkeuring kunnen wegdragen, maar desalniettemin volgens de hierboven gegeven definitie (en vaak ook volgens de beoefenaars zelf) generatief kunnen worden genoemd.

Daarnaast bestaat er ook veel kritiek op het generatieve paradigma van andere taalkundigen. Sommigen vinden de nadruk op formele, mathematische aspecten bijvoorbeeld te sterk en anderen menen dat de aanwijzingen voor het aangeboren karakter van het menselijke taalvermogen niet zo sterk is als Chomsky en zijn volgelingen denken. Het debat over deze kwesties duurt tot op de dag van vandaag voort.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Structuralisme


Pageviews vandaag: 85.