kunstbus

(advertentie)
Er staan 3 artikelen in onze webwinkel Kunstbus


teak fruitschaal of saladeschaal van Alfi voor Hans Hansen

Een grote stijlvolle teak salade- of fruitschaal, in de jaren vijftig vervaardigd door het Deense bedrijf Alfi voor de befaamde winkel en werkplaats Hans Hansen in Kolding, Denemarken. Het stickertje van het warenhuis zit nog op de bodem geplakt.
Prijs: € 800

Dit artikel is 28-02-2009 voor het laatst bewerkt.

Spiegel

1. een lichtweerkaatsend voorwerp

2. het achtersteven van een schip.
De spiegel is de platte achterkant van een spiegelschip (of spiegelretourschip). Hierachter zit meestal het kapiteinsvertrek en de gastenvertrekken. Het is vaak beschilderd en versierd met een wapenschild. Naast schepen met een gesloten spiegel zijn er ook zeilschepen met een openspiegel zoals bijvoorbeeld de tirion28 en de VQ24.
Het spiegelretourschip was het belangrijkste type transportschip van de V.O.C., een zeilschip dat gebruikt voor vervoer van goederen en personen. Tevens waren de schepen bewapend met hetzelfde type kanon als op de oorlogsschepen van de Republiek, alleen minder in aantal. Ook qua uiterlijk verschilden de schepen niet veel van elkaar.
De V.O.C. kende 3 klassen spiegelretourschepen. De grootste klasse was een schip met een lengte van 42,25 meter (150 voet), de middelste klasse had een lengte van 39,05 meter (138 voet) en de kleinste klasse 36,8 meter (130 voet). Later, in 1626, kwam daar een klasse voor 45,28 meter (160 voet) bij en alleen voor Zeeland werd een uitzondering voor nog grotere schepen gemaakt, 48,11 meter (170 voet).
Het woord spiegel zou afgeleid zijn van de vorm van de platte achterkant van een S-spant schip. De vorm van die achterkant lijkt op een handspiegel uit die tijd.

Bekende spiegelretourschepen zijn de Batavia, de Geldermalsen en de Prins Willem.

Spiegel (optica)
Een spiegel is een voorwerp dat licht (en andere soorten elektromagnetische straling) weerkaatst volgens de regel: "hoek van inval = hoek van terugkaatsing".

Men onderscheidt naar de vorm van het spiegelende oppervlak:
. Een vlakke spiegel: een spiegel met een vlak oppervlak. Het beeld is bij zo'n spiegel even groot als het origineel.
. Een holle spiegel: een spiegel met als spiegelend oppervlak een gedeelte van de binnenzijde van een bol of paraboloïde. Een scheer- of make-upspiegel is daarvan een goed voorbeeld. Voor het brandpunt van een holle spiegel treedt vergroting van het beeld op, zoals bij een make-upspiegel. Voorbij het brandpunt treedt omkering van het beeld op. Een nauwkeurig geslepen holle spiegel, meestal in de vorm van een paraboloïde, wordt gebruikt in een spiegeltelescoop.
. Een bolle spiegel: een spiegel met een bol spiegelend oppervlak. Een bolle spiegel verkleint het beeld, maar vergroot het gezichtsveld. Verkeersspiegels en achteruitkijkspiegels van vrachtwagens zijn toepassingen hiervan.
. Een lachspiegel: een spiegel met een grillig gevormd spiegelend oppervlak, waardoor het beeld vertekend wordt.

De meeste spiegels bestaan uit een glazen plaat met op de achterkant een dun laagje reflecterend materiaal, veelal zilver of aluminium. Ter bescherming van het reflecterende laagje is dit afgedekt met enkele laklaagjes. Er zijn ook spiegels die bestaan uit een glanzend gepolijste, vlakke metalen plaat.

Voor sommige toepassingen worden ook prisma's als spiegel gebruikt waarvan zijden verzilverd zijn of waar van totale reflectie gebruikt gemaakt wordt. Voorbeelden hiervan zijn de prismakijker en het pentaprisma van spiegelreflexcamera's.

Bij vlakke spiegels zien we als gevolg van de wijze van terugkaatsen van de lichtstralen een spiegelbeeld op gelijke afstand van de spiegel als het voorwerp voor de spiegel en in afmetingen daaraan gelijk.

Een helder wit vlak kaatst ook (bijna) al het opvallende licht terug, maar verstrooit het daarbij in alle richtingen. Zo'n vlak is daarom geen spiegel.

Er zijn ook "half-doorlatende" spiegels. In het jargon confrontatie-spiegels. De persoon voor de spiegel ziet zichzelf in de spiegel, maar wie achter de spiegel staat ziet eveneens die persoon. Dit wordt gebruikt wanneer personen onopvallend dienen geobserveerd te worden, bijvoorbeeld bij speltherapie van kinderen en ondervragingen.

Geschiedenis
Vermoedelijk is de eerste "spiegel" een wateroppervlak, waarin een mens zich weerspiegeld zag. Echte spiegels als voorwerp werden in de oudheid gemaakt van metaal. Gegoten of geslagen platte schijven van koper, brons of zilver werden glanzend gepolijst om als spiegel te kunnen dienen. In de Bijbel wordt al over spiegels gesproken (Exodus 38:8): Men maakte het bronzen wasbekken en het bronzen onderstel, en gebruikte hiervoor de spiegels van de vrouwen die bij de ingang van de ontmoetingstent samengestroomd waren.

In het Oude Egypte werden lang voor het begin van onze jaartelling al bronzen spiegels gemaakt uit gepolijste ronde schijven koper of brons. Men kende toen ook wel glasachtige spiegels van obsidiaan met een gepolijst oppervlak.

Na de uitvinding van glas werden door de Romeinen ook spiegels van glas gemaakt, door het glas te bedekken met een reflecterend laagje metaal. Uit de Romeinse tijd zijn voorbeelden bekend van bladgoud en lood. Men heeft bij een opgraving in Duitsland een spiegel gevonden met goudlaag aan de achterzijde, beschermd met een rode laklaag.

Bergkristallen spiegels komen al in de 13de eeuw voor. Nadat omstreeks de 14e eeuw het glasblazen werd uitgevonden, maakte men spiegels door een grote bol te blazen en daarin door de blaaspijp een mengsel van metalen als lood, antimoon en tin te gieten. Na afkoeling sneed men de bol in stukken en verkreeg zo enkele bolle spiegels.

In een later stadium maakte men ook zgn. kwikspiegels: het glas werd ‘gefoelied’ bedekt met tinamalgaam - een dunne laag metaallegering van kwik en tin - als reflecterende laag. Deze methode van spiegels maken was niet zonder gevaar. Het inademen van de kwikdampen was zwaar giftig. Al in de 13e eeuw werd een dergelijk procedé beschreven, maar de precieze datum van de eerste fabricage is niet bekend. In de 16e eeuw heeft dit procedé algemeen invoering gevonden. Uit een brief uit 1507 van de gebroeders Danzola del Gallo uit het plaatsje Murano in de buurt van Venetië, waarin deze om het privilege vragen om gedurende 25 jaar dergelijke spiegels te maken, blijkt ook dat in Duitsland en Vlaanderen deze techniek al werd toegepast. Kwikspiegels waren toentertijd erg duur: bij de afwikkeling van de nalatenschap van de Franse minister Jean-Baptiste Colbert in 1683, bracht een Venetiaanse spiegel van 115 x 65 cm met zilveren lijst bijna drie keer zoveel op als een schilderij van Rubens.

Saint-Gobain
Manufacture royale de glaces de miroirs
De slecht bewoonbare kastelen hadden geleidelijk plaats gemaakt voor paleizen en landhuizen waarvan de vensters waren voorzien van glas, zodat deze gebouwen ook behoorlijk verwarmd konden worden. Het comfort nam toe en er ontstond behoefte aan verfraaiing van het interieur en dus ook aan spiegels. Nu werden er in Venetië al sinds 1317 kleine spiegels, de zogenaamde 'lustri' vervaardigd. In de zestiende eeuw slaagden de Venetiërs erin spiegels te maken van glas, dat geblazen was volgens de cilindermethode. Daardoor konden de afmetingen van de spiegels worden vergroot tot circa 100 x 80 cm. - (Franse betalingsbalans dat Colbert, minister onder Lodewijk XIV, een spiegelpolitiek opzet. Hij belast de import, steekt veel staatsgelden in een aantal spiegelfabrieken, schrijft prijswedstrijden uit voor wie een beter idee heeft en beschermt met het verstrekken van langdurige privileges de meestbelovende spiegelfabrikanten.

Gesteund door zijn minister Jean Baptiste Colbert richtte Lodewijk XIV een eigen glasfabriek op onder de naam 'La Manufacture Royal des Glaces'. Deze fabriek startte in oktober 1665 haar activiteiten in Tourlaville met twintig Venetiaanse glasblazers. Het bedrijf produceerde glas op een industriële basis en drukte uiteindelijk de Venetiaanse glasblazers uit de markt. De spiegels werden in deze fabriek gemaakt van glas dat, net als vensterglas, werd geblazen in cilinders. Daar het glas na het blazen moest worden geslepen en gepolijst, moest het aanzienlijk dikker zijn dan het gangbare vensterglas.

Hoe de spiegels uit de fabriek van Lodewijk XIV er toen uitzagen, is ook nu nog te nog zien in de bekende Spiegelzaal van het Paleis van Versailles, die in 1682 werd voltooid. In 1665 maakten de meesterspiegelmakers bij hun aankomst de plechtige belofte aan Colbert dat ze spoedig spiegels ‘van 1 meter 85 tot 2 meter 15’ zouden maken. De werkelijkheid die in november 1682 werd onthuld, kwam daar bij lange na niet in de buurt. Elk van de zeventien spiegelpanelen bestond uit eenentwintig platen glas: bovenaan drie ronde, vervolgens drie kleine rechthoekige, en daaronder nog eens vijftien platen van elk circa vijfenzestig bij vijfentachtig centimeter, in totaal driehonderdzevenenvijftig aparte glasplaten. Met andere woorden: de Spiegelhal pronkt met spiegels die nauwelijks groter zijn dan die uit 1650, voor de Frans-Venetiaanse spiegel werd uitgebracht.
Frankrijk had de Venetianen niet verslagen juist omdat ze op dezelfde manier spiegels maakten als de Venetianen, van glas dat werd geblazen en daarna vlak gemaakt en gesneden. Op deze manier konden er geen spiegels worden gemaakt die groter waren dan circa negentig bij honderd centimeter, en zelfs dit formaat werd meestal niet gehaald. Om te beginnen beschikten maar weinig glasblazers over de vereiste longcapaciteit. En wat belangrijker was: geblazen glas van dit formaat was ongelijkmatig en op sommige plaatsen zo dun dat het niet bestand was tegen het aanbrengen van de folie. Om het mislukken van Colberts droom te verdoezelen, leidde Lodewijk de Veertiende zijn bezoekers uit alle hoeken van de wereld af met opvallende raambekleding. - (des Glaces een paar jaar later tot stand was gebracht, zou het een prachtig bewijs zijn geweest voor het feit dat onder Franse leiding het moderne tijdperk van de spiegel was aangebroken. Colbert, die 6 september 1683 stierf, zou dit echter niet meer meemaken.

Spiegelglas
Vrijwel zodra de relatie tussen Frankrijk en de spiegel was ontstaan, werd Bernard Perrot (Pierrot), een door Lodewijk de Veertiende tot Fransman genaturaliseerde Italiaan, bekend als een van de beste beoefenaars van het vak. Al in de jaren zeventig van de zeventiende eeuw ging het gerucht dat Perrot aan een nieuwe techniek werkte. Het eerste openlijke bewijs van zijn doorbraak kwam begin 1687, slechts drie jaar na de voltooiing van de Spiegelhal. In maart 1687 meldde Donneau de Visé opgewonden aan zijn lezers dat Perrot niet langer glas blies, maar het ‘uitgoot over metalen platen van willekeurig formaat’. Aan het slot van de bijeenkomst van de Koninklijke Academie van Wetenschap op 2 april, waar Perrot zijn vinding officieel presenteerde, ‘verleende de Academie hem een certificaat’.
Van alle uitvinders in deze bijzonder vruchtbare tijd, was Perrot de enige zonder ondernemersinstinct: hij nam trots het certificaat, een pure formaliteit die zijn uitvinding op geen enkele manier beschermde, in ontvangst en ging terug naar zijn experimenten. In feite was Perrot zo laks met het vestigen van een octrooi op zijn uitvinding dat hij er de zeggenschap over kwijtraakte.

Behalve de vraag naar spiegels ontstond er ook vraag naar blank glas van een betere kwaliteit voor toepassing in bijvoorbeeld rijtuigen. De bestaande methode om het glas eerst in een cilinder te blazen had grote nadelen, waarvan de beperkte afmetingen de belangrijkste was. Dit nadeel kon worden weggewerkt als het vloeibare glas zou kunnen worden uitgegoten op een vlakke tafel waarna het zou kunnen worden uitgewalst om vervolgens geleidelijk af te koelen. Het glas dat op deze wijze vervaardigd werd was uiteraard niet transparant, maar met de gangbare hulpmiddelen kon het worden geslepen en gepolijst. Het grootste voordeel was dat de platen nu in een veel grotere afmetingen konden worden vervaardigd. In eerste instantie was die afmeting ongeveer 2 x 1 m, maar al gauw werden de afmetingen aanzienlijk groter.
Het op bovengenoemde wijze vervaardigde product werd spiegelglas genoemd. Het was een kostbaar product want het productieproces was zeer arbeidsintensief. Allereerst duurde het tien dagen voordat het gegoten glas voldoende was doorgehard om verder bewerkt te kunnen worden. Vervolgens waren twee glasslijpers een maand lang bezig om een glasplaat van 2 x 1 m aan beide zijden te slijpen en tenslotte kostte het twee polijsters nog twaalf dagen om dezelfde glasplaat te polijsten. Zo was er, naast het vensterglas, een nieuwe, weliswaar kostbare glassoort ontstaan: een glassoort van een aanzienlijk betere kwaliteit en leverbaar in grote afmetingen.

De Fransen waren dus de eersten die in 1688 op deze manier spiegelglas maakten. Spiegelglas dankt zijn naam aan het feit, dat het vroeger hoofdzakelijk voor het vervaardigen van spiegels werd gebruikt, terwijl het goedkopere vensterglas bestemd was voor beglazing. Bij spiegelglas ontbreken de vaak hinderlijke trekstrepen van het vensterglas. De reden daarvan is de fabricagemethode. De grondstoffen, waaruit spiegelglas wordt vervaardigd, zijn dezelfde als die voor vensterglas, zelfs de samenstelling van het gemeng van beide glassoorten is vrijwel gelijk. Bij de spiegelglasfabricage wordt echter nog extra aandacht besteed aan de zuiverheid van de grondstoffen. Ook de smeltovens voor spiegelglas bevatten een smeltzone, een zuiveringszone en een zone van waaruit het glas wordt verwerkt.

December 1688 werd aan Abraham Thévart, die optrad namens een aantal Fransen 'van aanzien', een patentbrief verstrekt, die hem het monopolie gaf om volgens het gietprocédé glas te produceren.

In 1691 schonk weer een andere beoefenaar van de 'nieuwe' gietkunst, Louis de Nehou, de koning vier spiegels die waarschijnlijk de eerste waren waarbij met succes de door Perrot bedachte methode was toegepast. Vanaf dat moment ging het alleen nog maar voorwaarts. De Koninklijke Fabriek nam Nehou vanaf 1692 in dienst. De fabriek die haar productie in 1688 in Parijs was begonnen verhuisde in 1692 naar het dorpje Saint Gobain in Picardië van waaruit zij de wereldmarkt veroverden. Perrot sleepte de koninklijke onderneming nog wel voor de rechter, maar ontving slechts een kleine jaarlijke toelage van vijfhonderd livre, nog geen vijfentwintigduizend dollar – een zakcentje bij zo’n grote inzet.

De Fransman Lucas de Nehou werkte het idee van Perrot verder uit tot een bruikbaar systeem. Het glas werd gesmolten in grote open potten, van waaruit het vloeibare glas op een stalen tafel werd uitgegoten. Door middel van een grote stalen rol werd het glas dan uitgewalst. Vervolgens werden de glasplaten geleidelijk afgekoeld in een zogenaamde koeloven. Dit glas had een ruw, ondoorzichtig oppervlak, dat nog geslepen en gepolijst moest worden. Dit gebeurde in die tijd handmatig. Aan deze fabricagemethode is in feite niets veranderd tot de tweede helft van de negentiende eeuw. De uitvinding van de stoommachine werd toen ook in de glasindustrie gebruikt door het glas te slijpen en te polijsten op grote, door stoommachines aangedreven draaibare ronde tafels van circa tien meter diameter. De glasplaten werden met gips op de tafel vastgekit en door middel van gietijzeren slijpschijven en zand met water afgeslepen, waarbij het zand in de loop van het slijpproces in een steeds fijnere korrel werd toegevoegd.
De ruiten waren dan fijn mat geslepen en werden vervolgens met behulp van viltschijven en 'polijstrood' glanzend gepolijst. Daarna werden de glasplaten omgekeerd en op dezelfde manier weer geslepen en gepolijst. Dit 'Nehou-systeem' had als nadeel, dat de giettafels als gevolg van de grote hitte van het gesmolten glas gingen werken, waardoor het glas nogal veel onregelmatigheden vertoonde. Daardoor moest er soms wel 25% van een glasplaat worden weggeslepen, terwijl geen dunner glas dan 10 mm gegoten kon worden. Spiegelglas van bijvoorbeeld 4 mm dikte moest dus uit een glasplaat van 10 mm dik geslepen worden.

De fabriek in Saint-Gobain slaagde er in grote glazen platen zonder al te veel verkleuringen, luchtbellen of onregelmatigheden te fabriceren. Zij goten hun glas uit in een tafelbak en voorzagen die van een dun laagje laminaat. Saint-Gobain kreeg patent op het maken van grote, gegoten spiegels en in 1693 het recht het koninklijke wapen te voeren. In 1695 associeerde de fabriek zich met Pierre de Bagneux en maakten zij alle mogelijke soorten gegoten en geblazen spiegels.
Omdat het werken met het hete glas en het giftig dampende kwikzilver dat inmiddels voor dat lamineren werd gebruikt een hel was, werd de fabriek van Saint-Gobain algauw ook een van de vroege voorbeelden van een onderneming met een gespecialiseerde productie en een sociale politiek.
Anderhalve eeuw na oprichting, tweede kwart negentiende eeuw, is het dezelfde fabriek die het procédé zozeer weet te vereenvoudigen dat de spiegel voor iedereen bereikbaar wordt. Nu is de onderneming de grootste glasproducent ter wereld en één van de honderd grootste industriële ondernemingen, wereldwijd. - (tin gewreven werd zodat tinamalgaam gevormd werd. Vervolgens goot men nog een laag kwik op de folie en legde op het kwik een schone glasplaat die, met een wollen doek ter bescherming, met stenen verzwaard werd. Daarna haalde men de rand van latten weg om het overtollige kwik te laten afvloeien. Na enkele dagen werd de glasplaat om verder te "drogen" op een stellage gezet. Niet alleen was het een moeizaam en langdurig procedé, maar ook zeer ongezond omdat kwik erg giftig is. Daarom worden tegenwoordig geen kwikspiegels meer gemaakt.

In 1835 vond de Duitse scheikundige Justus von Liebig (of Liebich) een methode uit om uit een mengeling van aldehyde en zilvernitraat zilver te laten neerslaan op glas (in Engelse literatuur wordt de naam Drayton genoemd, in Franse Petit-Jean en in Italiaanse Choron). Liebig publiceerde al in 1835 een artikel waarin staat: ...wenn man Aldehyd mit einer Silbernitratlössung mischt und erhitzt, scheidet sich Silber auf der Wand des Glases ab und es entsteht ein brillianter Spiegel. (...als men aldehyde met een zilvernitraatoplossing mengt en verhit, scheidt zich zilver af op de wand van het glas en er ontstaat een schitterende spiegel.) Dit principe werd verder ontwikkeld, en vormt de basis voor vele procedés en octrooien. Het duurde echter nog tot 1886, toen de ‘kwikzilverspiegel’ werd verboden, voor men spiegels ging voorzien van een zilverlaag.

De Duitser Bicherou verving omstreeks 1920 het Nehou-systeem door een methode waarbij het in grote potten gesmolten glas direct tussen twee walsen door op beweegbare tafels werd gegoten. De onderste wals en de tafel waren voorzien van loodrecht op elkaar staande ribbels, waardoor het glas maar weinig contact maakte en zodoende ook weinig vervormde.

Het Twin-gepolijste spiegelglas
Rond 1925 slaagde Pilkington erin het slijp- en polijstproces enigszins te automatiseren door het ruwe spiegelglas direct uit de oven door de koeltunnel te voeren, het hierna te snijden en vervolgens op rechthoekige rijdende tafels achter elkaar door de slijp- en polijst-installatie te sturen, zodat het glas aan de lopende band behandeld werd. Die behandeling vond echter slechts plaats aan een zijde van het glas, zodat aan het eind van het bewerkingsproces de glasplaten omgedraaid moesten worden voor het slijpen en polijsten van de andere zijde. De volgende verbetering was het zogenaamde Twin-procedee een in 1937 door Pilkington ontwikkeld systeem, waarbij het glas na de koeltunnel niet gesneden werd, maar direct als een lang, ononderbroken lint in een installatie werd gevoerd waarin beide zijden van het glas gelijktijdig geslepen en vervolgens gepolijst werden. Pas na deze bewerkingen, dus als het spiegelglas gereed was, werd het in grote afmetingen gesneden. Deze uitstekende productiemethode bleef in gebruik totdat ze werd achterhaald door de uitvinding van het floatprocede. Wanneer we spreken over de moderne productiemethoden van glas, dan dienen we onderscheid te maken tussen primaire en secundaire fabricage.

Vanaf het jaar 1688 bestonden er dus twee soorten blank glas: vensterglas en spiegelglas. Deze situatie zou ongeveer 300 jaar duren en er kwam pas een eind door de vervanging van beide soorten door het floatglas uitgevonden in 1959.

De fabricage van spiegels vindt tegenwoordig plaats op een lange band, waarop de glasplaten gelegd worden. De band voert de platen door een reinigingsstation, waar de platen gereinigd worden met ceriumoxide, krijt en water en vervolgens gedroogd worden. Daarna worden de platen verzilverd met behulp van zilvernitraat. Omdat de dunne laag zilver nog enigszins transparant is en ook zeer kwetsbaar, wordt op het zilver een laagje koper aangebracht. Ter bescherming worden vervolgens twee laklagen aangebracht.

Websites:
. GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article Michaël Zeeman
gepubliceerd op 16 februari 2001 00:00, bijgewerkt op 20 januari 2009 13:56

ZOALS HET HIER en nu uitgesloten is om, al was het maar voor een dag, niet te worden geconfronteerd met je eigen spiegelbeeld, zo is het in de taal van datzelfde hier en nu onvermijdelijk met het woord 'spiegel' een lawine van associaties op gang te brengen. De architectuur heeft met de spiegelende glasvezelplaat en glaspanelen met spiegelcoating getracht ruimte te scheppen waar geen ruimte is. En de alledaagse taal is doorschoten met langzaam verblekende noties van oude filosofische opvattingen en de restanten van ooit poëtische vergelijkingen. Zo zijn wij evenzeer door spiegelruiten als door spiegelmetaforen omringd. Zelfs het begrip 'narcistisch', ooit mythisch en daarna diagnostisch, is inmiddels op zijn gunstigst nog geschikt voor huishoudelijk gebruik.

Toen in het huishouden van een zeventiende-eeuwse Franse landedelman de enige spiegel brak, was de wereld te klein. De paniek over wat dat te betekenen had, was nauwelijks te bedwingen en er moesten grote stukken land in de verkoop om de aanschaf van een vervangend exemplaar te kunnen financieren. En het ging bij dat ongemak nog niet eens om een substantiële spiegel, maar hooguit om een exemplaar van het type dat een generatie geleden in het halletje van een doorzonwoning hing, naast de kapstok: wie binnenkwam fatsoeneerde zijn kapsel erin, wie uitging controleerde of hij toonbaar was.

Tussen die twee werelden, die van de schaarse en exclusieve spiegel, klein van formaat en louter bereikbaar voor de vermogenden, en die van een zichzelf eindeloos weerspiegelende alledaagse wereld, ligt een verhaal. De Franse historica Sabine Melchior-Bonnet, verbonden aan het Collège de France in Parijs, is op het lumineuze idee gekomen dat verhaal uit te zoeken en na te vertellen. Haar boek is enkele jaren geleden in Frankrijk verschenen en weinig opgemerkt, maar de net verschenen Engelse vertaling ervan, The Mirror - A History, zal dat wel goed maken.

Doordat Franse historici gedurende hun opvoeding en opleiding veel meer in aanraking komen met de taal en het gedachtegoed van de filosofie dan hun angelsaksisch georiënteerde vakgenoten, is het voor buitenstaanders soms rampzalig wanneer zij zich over een onderwerp buigen dat naast concrete ook metaforische kanten heeft. Bij een van oorsprong Frans boek over de geschiedenis van de spiegel hou je daarom je hart vast: komt speculeren niet rechtstreeks van de spiegel, het speculum, zelf? Zoals een onrijpe denker bij ons zich gemakkelijk aan bespiegelingen over de spiegel te buiten zou kunnen gaan, zo dreigt voor iemand met een Franse vorming de allengs ijler wordende speculatie.

Maar mevrouw Melchior-Bonnet is een evenwichtig historica en een begaafd verteller, die ertoe besloten heeft haar verhandeling in drie delen te splitsen en daarmee de verwarring te beteugelen: zij reconstrueert eerst de geschiedenis van de techniek die aan de spiegelmakerij ten grondslag ligt, bespreekt vervolgens de ontwikkeling van het denken over de spiegel en ten slotte de omgang met de spiegel in de kunst. Het kleine nadeel van die werkwijze is de onvermijdelijke herhaling van bepaalde historische ontwikkelingen, het grote voordeel het al op voorhand elimineren van speculatieve praatjes waar die niet thuis horen.

Als in het begin van de achttiende eeuw - aan de vooravond van de Verlichting, ben je geneigd er veelbetekenend bij te zeggen: dat doet zij dus niet - een lid van de Parijse elite een spiegel boven zijn schoorsteenmantel hangt, zet een ontwikkeling in die haar einde nog altijd niet bereikt heeft. Dat was toen een revolutionaire ingreep in de woninginrichting, die zo opmerkelijk was dat hij rondom becommentarieerd werd en daarom goddank gedocumenteerd is. We kennen de naam van de man die daarmee een sjabloon schiep dat in miljoenen huizen is nagevolgd alsof er geen keus was. Evenzo weten we wanneer de eerste penantspiegels hun intrede deden: vlak daarvoor.

Die eenvoudige verfraaiingen vormden op dat moment de bekroning van een verhaal dat leest als een detective en ze waren de uitkomst van minstens een halve eeuw staatsgeleide spiegelpolitiek. De vlak daarvoor voltooide spiegelzaal in het paleis van Lodewijk XIV illustreert dezelfde twee lijnen en het is niet moeilijk in de overgang van de spiegelcultuur van het paleis van de koning naar de woonhuizen van de bourgeoisie allerlei sociale en mentaliteitshistorische ontwikkelingen gestalte te zien aannemen.

Wat daaraan voorafging is in eerste instantie een technisch verhaal. Vanaf de Oudheid waren spiegelende plaatjes goud en zilver bekend en er bestonden vergelijkbare attributen die uit legeringen waren gemaakt. Maar de verzilverde glazen spiegel, die een veel beter spiegelend vermogen heeft dan die gepolijste plaatjes, leidde een moeizaam bestaan, om de eenvoudige reden dat niemand erin slaagde grotere platen glas te maken. De verzilverde glazen spiegels die wel bestonden, waren het resultaat van geblazen glas waarin een loodmenging gegoten was - wie het leest begrijpt ineens waarom op de schilderijen van de Renaissance louter kleine bolle spiegels te zien zijn.

Alle kunsthistorische speculatie over het mysterieuze karakter van de bolle spiegel die centraal achter het Arnolfini-echtpaar hangt op het beroemde schilderij van Jan van Eyck wordt ineens lachwekkend door een wetenswaardigheid uit de geschiedenis van de techniek. Maar zelfs die spiegels bleven onbevredigend: het glas was vaak van een onregelmatige kwaliteit, de erachter aangebrachte metalen laag zal vol belletjes en oxydeerde gemakkelijk. Het waren de Venetianen, meer in het bijzonder de bewoners van het eiland Murano, die erin slaagden, eind vijftiende, begin zestiende eeuw, steeds betere soorten glas te maken en dus ook betere spiegels.

Lag het aan het water van de Adriatische Zee, lag het aan de gebruikte pot as? Niemand wist het - en dus kwamen er staatsmaatregelen in Venetië om het geheim te beschermen en kwam er, vooral vanuit Frankrijk, een stroom spionnen op gang om het geheim aan de Venetianen te ontfutselen. Venetië verdiende een vermogen aan de spiegelfabricage - Sabine Melchior-Bonnet gaat zover er de rijkdom van Venetië uit te verklaren - en in de loop van de zeventiende eeuw gaat de spiegelimport zo zwaar drukken op de Franse betalingsbalans dat Colbert, minister onder Lodewijk XIV, een spiegelpolitiek opzet. Hij belast de import, steekt veel staatsgelden in een aantal spiegelfabrieken, schrijft prijswedstrijden uit voor wie een beter idee heeft, beschermt met het verstrekken van langdurige privileges de meestbelovende spiegelfabrikanten.

Het is de fabriek in Saint-Gobain die uiteindelijk overleeft, doordat de technici er daar in slaagden grotere glazen platen zonder al te veel verkleuringen, luchtbellen of onregelmatigheden te fabriceren. Zij goten hun glas uit in een tafelbak en voorzagen die van een dun laagje laminaat. Omdat het werken met het hete glas en het giftig dampende kwikzilver dat inmiddels voor dat lamineren werd gebruikt een hel was, werd de fabriek van Saint-Gobain algauw ook een van de vroege voorbeelden van een onderneming met een gespecialiseerde productie en een sociale politiek.

Het verhaal van die onderneming is weergaloos: zoveel scherven, zoveel brokken - en, op de lange duur, zoveel succes. Anderhalve eeuw na oprichting, tweede kwart negentiende eeuw, is het dezelfde fabriek die het procédé zozeer weet te vereenvoudigen dat de spiegel voor iedereen bereikbaar wordt.

Langs die zakelijke naakte feiten, hoe opwindend ook, loopt tegelijkertijd een andere geschiedenis, de geschiedenis van mensen die een steeds duidelijker indruk krijgen van zichzelf. De mens, die immers naar Gods evenbeeld geschapen is, zag in de armzalige spiegels van de Middeleeuwen de vage contouren van zijn schepper: is het verwonderlijk dat menig theologisch traktaat uit die periode het woord speculum in zijn titel draagt? De half-wetenschappelijke, half-metafysische bespiegelingen van de antieke filosofen over de werking van de spiegel en de wijze waarop wij ons spiegelbeeld kunnen zien moeten, zodra gedurende de Renaissance van de zestiende eeuw en de wetenschappelijke omwenteling van de zeventiende, die vooral ook veel nieuwe inzichten in de optica opleverde, plaatsmaken voor een ware spiegellyriek. De analyse van het spiegelbeeld krijgt een pendant in de ontwikkeling van een zelfbeeld.

Doordat het spiegelbeeld raadselachtig is komen er tegelijkertijd allerlei uitdagende spelletjes met de spiegel op gang, enige eeuwen later culminerend in de verhalen van Lewis Carroll en het befaamde schilderij van René Magritte waarop we Edward James van achteren zien die zichzelf van achteren in de spiegel bekijkt. Waar de techniek het werk erop heeft zitten, neemt de speculatieve geest van de kunst het over.

Zelden heeft een mentaliteitshistoricus zo'n duizelingwekkend leuk onderwerp ter hand genomen dat zich leende voor waar die tak van geschiedschrijving goed in is: het analyseren van feit en voorstelling, van gebeurtenis en beleving.

http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article877731.ece/Giftig_dampend_kwikzilver_op_heet_glas


(advertentie)
Er staan 3 artikelen in onze webwinkel Kunstbus


teak fruitschaal of saladeschaal van Alfi voor Hans Hansen

Een grote stijlvolle teak salade- of fruitschaal, in de jaren vijftig vervaardigd door het Deense bedrijf Alfi voor de befaamde winkel en werkplaats Hans Hansen in Kolding, Denemarken. Het stickertje van het warenhuis zit nog op de bodem geplakt.
Prijs: € 800

Pageviews vandaag: 444.