kunstbus
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Staakmolen



Staakmolen Onze-Lieve-Vrouw Lombeek

De standerdmolen, standaardmolen of staakmolen is het oudste houten type windmolen in de Lage Landen. Uit de standerdmolen is de wipmolen ontstaan.

De oudst bekende en onbetwistbare windmolenvermeldingen dateren van ca. 1180. Waarschijnlijk waren dit standerdmolens.

Aan de vorm van het dak, de hoogte van de voet, de vorm van de trap, de lengte/breedte verhouding van de kast en het afdak boven het luiwerk kan men zien in welke streek de molen staat. De standerdmolen komt nog voor in Noord-Frankrijk, Belgiƫ, Nederland, Engeland, Noord-Duitsland en Denemarken.

De staakmolen is van het type onderkruiers waarvan de kast kan draaien rond een spil (standerd). Het gevlucht is meestal oudhollands en wordt op de wind gekruid met behulp van de staart, die tevens dienst doet als tegenwicht voor het wiekenkruis. Bij het oudere standerdmolentype lopen de trapbomen door tot aan de stijlen van de kast en wordt de trap naar boven toe steeds breder. Bij het jongere type lopen de trapbomen parallel en zitten aan weerszijde van de trap schoren, die aan het balkon vastzitten. Aan het eind van de staart zit de kruibank met het kruirad. De draaiende wieken worden gestopt met de vang (rem), die zowel van buiten als binnen in de molen bediend kan worden.

In de molenkast zitten de complete aandrijving en de maalstenen, meestal twee koppels, waarbij de voorste maalstoel op een verhoging ligt. De ruimte onder deze maalstoel wordt de hel genoemd. Hierin zit het paard voor deze maalstoel en van hieruit kan men op de burriebalken en bij de zetel komen voor het met reuzel smeren van de zetel. De kast draait om een zware spil of standerd (in Vlaanderen staak genoemd) die tot beneden doorloopt en steunt op de top van de standerd en een klein beetje op de zetel. De standerd rust op acht steekbanden (schuine balken), die van boven onder de zetel op de standerd vastzitten en van onderen met een pengat- en zwaluwstaartverbindingen op de twee kruisplaten. De kruisplaten rusten op de zonneblokken die op de stenen teerlingen liggen. Er zijn twee hoge en twee lage teerlingen, die in de richting van de windstreken staan. De twee hoogteerlingen staan noord-zuid.

De molenstenen zitten in de maalstoel, waarbij de onderste steen (de ligger) vast zit en de bovenste (de loper) in hoogte verstelbaar is. Om het verstellen te vergemakkelijken is er later vaak een regulateur in gekomen, die met middelpuntvliedende kracht door middel van gewichten werkt.

De meeste standerdmolens zijn korenmolens, maar in Vlaanderen zijn er ook enkele zeldzame oliemolens; aan de achterzijde is vaak een kapje te zien waaronder een door de wind aangedreven hijsas voor zakken graan en meel zit. Er zijn echter ook standerdmolens waarbij de kap verder doorloopt of waarbij de dakspits verder doorloopt, waardoor het luiwerk tegen de regen beschermd wordt.

Men spreekt van een gesloten of open standerdmolen, afhankelijk van het feit of het ondergedeelte geheel gesloten dan wel open is. In Limburg heeft het onderstel vaak alleen een dak en geen wanden. Hier spreekt men dan over een half-gesloten standerdmolen. Een voordeel van een gesloten standerdmolen is dat de balken beschermd worden tegen het weer en er meer ruimte is voor opslag. (Denk hierbij aan meelzakken en zeisen)

Door de beperkte ruimte in de houten kast had dit type molen maar een beperkte productiecapaciteit. Vanaf de 18e eeuw werden veel standerdmolens afgebroken en vervangen door grotere en vaak hoger gebouwde molens. Deze laatsten waren minder onderhoudsgevoelig en hadden ruimte voor meerdere koppels maalstenen en meer capaciteit voor opslag van graan en meel.

In Nederland zijn er van dit type nog ongeveer 40 molens bewaard gebleven, voornamelijk in Gelderland, Noord-Brabant, Limburg en Zeeland. In Belgiƫ wordt hij oa. nog gevonden in Koksijde, bij de Onze-Lieve-Vrouw Ten Duinen, Zingem (en deelgemeente Huise), en in Retie (De Heerser).



De wipmolen (of waterwipmolen) is het oudste type poldermolen in Nederland en ontwikkelde zich begin vijftiende eeuw uit de standerdmolen.

De wipmolen wordt gekenmerkt door het feit dat het hele bovenhuis met staart draaibaar is om een koker, die in verticale stand wordt gehouden door de piramidevormige constructie van de ondertoren. Hoewel deze molens door de mooie verhoudingen kleiner lijken, hebben ze vaak respectabele afmetingen; grotere wipmolens hebben bijvoorbeeld vaak woonruimte in de ondertoren. Het bovenhuis van de wipmolen is soms in felle kleuren geschilderd (bijvoorbeeld rood-wit in het Rijnland). In het rivierengebied zijn de bovenhuizen vaak donkerbruin geteerd.

De wipmolen wordt vrijwel altijd gebruikt als poldermolen, dus om een polder droog te houden. Hiervoor is de molen van oudsher voorzien van een scheprad aan de buitenzijde van de ondertoren om polderwater uit te slaan. Pas later (na 1634) kwam de vijzel in gebruik en werden sommige wipmolens omgebouwd tot vijzelmolen. Een enkele keer wordt de wipmolen ook als korenmolen gebruikt.

De wipmolen is in het begin van de vijftiende eeuw ontstaan uit de standerdmolen. Zoals de naam al zegt rust de standerdmolen op een zware houten standerd, waarop deze ook kan kruien (naar de wind draaien). De maalstenen staan bij een standerdmolen in de eigenlijke molen opgesteld en kruien dus mee met de hele molen.

Bij een watermolen is het niet mogelijk het eigenlijke werktuig met de molen mee te laten kruien en daarom moest er naar een andere oplossing worden gezocht: de standerd, waar de molen op rust, werd als het ware uitgehold en vormde zo een koker. De koker bestaat uit acht, zware stijlen met daartussen acht planken. Bij kleinere molens bestaat de koker alleen uit acht planken. Het geheel wordt bij elkaar gehouden met knuppelstroppen en zware smeedijzeren spijkers. Door deze koker kan een spil worden gevoerd die de draaiende beweging vanuit het kruibare bovenhuis kan overbrengen naar het vast opgestelde scheprad (of de vijzel) die het water uit de polder in de hoger gelegen boezem overbrengt.

Voor de oorsprong van de naam wipmolen worden twee verklaringen gegeven:
. Het schudden van de molen als hij hard draait staat bekend als 'wippen'.
. Het scheprad 'wipt' het water als het ware uit de polder in de hoger gelegen boezem.



Een spinnenkopmolen, gebruikt voor kleine polders, heeft een soortgelijke constructie maar dan kleiner uitgevoerd. De spinnenkopmolen is een kleine windmolen met een vlucht (lengte van twee wieken samen) van ongeveer 8 tot 15 meter. Hij is geschikt voor de bemaling van kleine polders. Door de eenvoud van de molen is hij makkelijk te bedienen.

Het bovenhuis met daaraan de wieken kan horizontaal draaien, waardoor het wiekenkruis het beste de wind kan vangen. Het onderste deel staat vast. Door een holle koker loopt de koningsspil van het bovenhuis naar het onderhuis, waar de overbrenging zit naar de vijzel. Dit is eenzelfde constructie als gebruikt wordt voor een wipmolen, maar dan in kleiner formaat.

In Nederland zijn nog ruim 25 spinnenkopmolens aanwezig, waarvan 15 molens in Friesland. De grootste hiervan is het Doris Mooltsje in de buurt van Oudega. Dit is tevens de oudste spinnenkopmolen van Friesland.



De paltrokmolen is als windmolen een zeldzaamheid in Nederland. Er resteren er nog slechts 5. Ook in Duitsland komen paltrokmolens voor, echter zonder de kenmerkende 'vleugels'. De Nederlandse paltrokmolen is altijd een zaagmolen, dit in tegenstelling tot de Duitse.

Kenmerkend voor de paltrokmolen is dat zij een doorontwikkeling is van de standerdmolen. De standerd is hier echter als koningsstijl een vast onderdeel van de constructie geworden. De hele molen is opgehangen aan een zeer zware dwarsbalk bovenop deze koningsstijl, de koningsbalk. Een ringmuur met rollen zorgt voor stabiliteit.

Omstreeks 1595 werd aan Franck Jansz octrooi verleend voor een houtzagende standerdmolen met uitbouw van het molenhuis op wielen die met het kruien van de molen meedraait. Dit was mogelijk de voorloper van de houtzagende paltrokmolen zoals wij die nu nog in Nederland kennen.

De molen is vierkant opgebouwd en heeft ter hoogte van de zaagvloer een open achterkant en zijvleugels. De draaiende beweging van de wieken wordt met behulp van een krukas omgezet in een op en neer gaande beweging, nodig voor de verticaal opgestelde zaagramen met zaagbladen. De beweging van het te zagen hout is dwars op de as van de wieken.

Houtzagende paltrokmolens zijn er in 2 typen, de balkenzager, en de wagenschotzager

Verondersteld wordt dat de molen zijn naam ontleent aan zijn silhouet: de mantel van een bewoner van de Palz. Meer waarschijnlijk is de verwantschap met het oud-Nederlandse woord 'paltrok', waarmee in de 14e en de 15e eeuw een overkleed voor mannen werd bedoeld. Ook in het Frans, Engels en Duits komen we deze benaming tegen voor een wijd uitlopende overjas.

De nog resterende 5 Nederlandse paltrokmolens zijn:
. De Gekroonde Poelenburg aan de Zaanse Schans
. De Eenhoorn aan het Spaarne in Haarlem
. De Held Jozua in Zaandam
. De Otter aan de Kostverlorenvaart in Amsterdam
. Het Spinnenwiel/Mijn Genoegen in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Standerdmolen.


Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.


Er is nog niet op dit artikel gereageerd.

Pageviews vandaag: 255.