kunstbus
Dit artikel is 25-08-2009 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Thurn-und-Tassis

Thurn und Tassis

Thurn und Taxis (ook Thurn en Taxis in het Nederlands) is een oud adellijk geslacht dat door zijn activiteiten in het postwezen grote rijkdom verwierf.

Geschiedenis
Het geslacht zou afstammen van de Milanese familie De la Torre ("van de Toren", later verbasterd tot Thurn). In de 14e eeuw vestigde het zich in het gebied van Bergamo, waar het naar de berg Tasso (das) de naam Del Tasso of De Tassis aannam (later verbasterd tot Taxis).

Post
Sinds circa 1290 leidden twee leden van dit geslacht reeds koeriersdiensten tussen de Italiaanse stadstaten. In de 15e en 16e eeuw verspreidden verschillende takken zich over de Kerkelijke Staat en de Habsburgse landen en richtten daar het postwezen in. Franz von Taxis verzorgde sinds 1489 als postmeester van keizer Maximiliaan I en sinds 1504 van Filips de Schone met zijn postrijders de vorstelijke en private post in het gehele Heilige Roomse Rijk en Spanje. Zijn neef Johann Baptista von Taxis werd op 31 mei 1512 door Maximiliaan I als rijksridder in de rijksadel opgenomen en werd te Brussel algemeen hoofdpostmeester van keizer Karel V.

Aan het einde van de 16e eeuw werden de posterijen in de Duitse landen een heerlijk recht. Lamoral von Taxis werd in 1615 erfelijk hoofdpostmeester van het Rijk en verwierf voor zijn geslacht op 8 juni 1624 de titel van rijksgraaf, nadat op 16 januari 1608 al de titel rijksvrijheer was verleend. De hieruit voortvloeiende quasi-monopoliepositie bracht de familie politieke invloed en een enorme rijkdom. In de eeuwen die volgden beheerde het geslacht plaatselijke en nationale postdiensten in het Heilige Roomse Rijk, Spanje, Italië, Hongarije en de Nederlanden, waarbij het 20.000 koeriers in dienst had en ook kranten bezorgde.

Investeren in land
De familie investeerde ook in land en dat zou uiteindelijk tot een eigen rijksvorstendom leiden. In 1618 verwierven zij Rohrenfels in het vorstendom Palts-Neuburg en lieten hier een slot bouwen. Deze bezitting was echter niet rijksvrij. In 1635 werd hun de Spaanse titel graaf de la Tour et Valassina verleend. In 1647 verwierven ze door huwelijk van de familie Fauler von Randeck de heerlijkheid Horn. Dit gebied maakte deel uit van het kanton Kocher van de Rijksridderschap. Verder in 1648 een kwart van de burcht en heerlijkheid Wäschenbeuren, dat ook deel uitmaakte van rijksridderschappelijk gebied. Vanaf 1650 mochten ze binnen het Heilige Roomse Rijk de dubbele naam Thurn und Taxis voeren. Op 19-2-1681 werden hun bezittingen in de Spaanse Nederlanden (Kasteelbrakel en Haut-Ittre) verheven tot een Spaans vorstendom Thurn und Taxis. De heerlijkheid Horn werd in 1681 verkocht aan de familie Reichlin von Meldegg.

Eugen Alexander von Thurn und Taxis werd in 1686 door Leopold I in de rijksvorstenstand verheven, een status die op 4 oktober 1695 erfelijk werd. In 1701 werd de familie tijdens de Spaanse Successieoorlog uit de Nederlanden verdreven en vestigde zich in Frankfurt am Main, waar het Paleis Thurn und Taxis werd gebouwd.

Op 19 augustus 1723 werd de rijksheerlijkheid Eglingen gekocht van de laatste graaf van Grafeneck. Daardoor kwam de familie in 1724 in het bezit van een zetel op de bank van de graven van Zwaben in de Rijksdag. In 1724 lukte het ook een zetel met stemrecht te verwerven in de Keur-Rijnse Kreits zonder dat ze rijksvrije bezittingen hadden in die Kreits. Ze kregen die zetel vanwege een lening van 80.000 rijksdaalders aan de keizer. Vervolgens werden ze in 1726 toegelaten tot de graven- en herenbank van de Zwabische Kreits wegens het bezit van Eglingen. De in 1723 van de familie Schenk von Castell gekochte heerlijkheid Dischingen met het slot Trugenhofen was niet zelfstandig, maar behoorde tot het vorstendom Palts-Neuburg. De heerlijkheid werd in 1773 voor een groot bedrag losgekocht uit de landshoogheid van Palts-Neuburg, en het slot Trugenhofen werd in 1817 omgedoopt tot slot Taxis. In 1735 werd de heerlijkheid Duttenstein met de dorpen Demmingen en Wagenhofen gekocht van de familie Fugger en in 1741 het dorp Trugenhofen van de vrijheer van St. Vincent.

Vanaf 1742 vertegenwoordigde de vorst van Thurn und Taxis de keizer op de rijksdag te Regensburg. Deze belangrijke functie bracht de hoofdresidentie in 1743/8 naar Regensburg, waar het Slot Thurn und Taxis tegenwoordig een museum is.

In 1749 werd de heerlijkheid Ballmertshofen, die deel uitmaakte van het kanton Kochter van de Rijksridderschap, gekocht van de vrijheer van St. Vincent. Sinds de familie in 1695 in de rijksvorstenstand was verheven streefde zij naar een zetel in het college van de rijksvorsten in de rijksdag. Dat lukte tenslotte op 30 mei 1754.

Van de graven van Waldburg kocht de familie in 1785 het rijksgraafschap Friedberg-Scheer met de heerlijkheid Bussen. Die laatste, met Altheim, Dürmentingen en Unlingen was niet Reichsunmittelbar, maar viel onder de landshoogheid van Oostenrijk. Ook werden er dat jaar nog eigendommen verworven in Dunstelkingen van de heren van Siergenstein. Vervolgens werden de losse bezittingen tot een nieuw vorstendom verenigd: Friedberg, Scheer, Dürmentingen en Bussen werden in 1786 tot een nieuw vorstelijk rijksgraafschap Friedberg-Scheer. Daardoor kreeg de familie naast die van Eglingen een tweede zetel in de Zwabische Kreits. In 1789 werd de heerlijkheid Grundsheim met Wilenhofen gekocht van de heren van Bissingen-Nippenburg en het volgende jaar de heerlijkheid Heudorf van de heren van Stotzingen. In 1797 werd Thurn und Taxis vanwege het bezit van het vorstelijk graafschap Friedberg-Scheertoegelaten op de vorstenbank van de Zwabische Kreits.

Schadeloosstelling
In de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 is paragraaf 13 gewijd aan het huis Thurn und Taxis. De vorst ontvangt als schadeloosstelling voor de inkomsten uit de rijkspost in de aan Frankrijk afgestane provincies:
. het vorstelijke damessticht Buchau
. de rijksstad Buchau
. de abdij Marchtal
. de abdij Neresheim
. het bij de abdij Salem behorende ambt Ostrach met de heerlijkheid Schemelberg en de dorpen Tiefental, Frankenhofen en Stetten. Verder wordt het voortbestaan van de post gegarandeerd en onder bescherming gesteld van de keizer en de keurvorsten.

In paragraaf 32 wordt aan Thurn und Taxis een tweede zetel in het college van rijksvorsten toegekend. Naast de zetel Thurn und Taxis (nummer 99 in de nieuwe samenstelling) is er nu ook een zetel Taxis-Buchau (nummer 113).

De vorsten blijven ook nu nog doorgaan met de uitbreiding van hun bezit. Op 28 februari 1805 kopen ze de heerlijkheid Ober- en Untersulmetingen van het nieuwe vorstendom Metternich-Ochsenhausen.

Lang duurt deze situatie niet, want in de Rijnbondsacte van 12 juli 1806 wordt in artikel 24 vastgelegd dat
. Onder soevereiniteit van het nieuwe koninkrijk Beieren komen de bezittingen van de vorst van Thurn und Taxis ten noorden van het vorstendom Palts-Neuburg.
. Onder soevereiniteit van het nieuwe koninkrijk Württemberg komen de bezittingen van de vorst van Thurn und Taxis, uitgezonderd: die ten noorden van het vorstendom Palts-Neuburg, de heerlijkheid Straßberg en het ambt Ostrach.
. Onder soevereiniteit van de vorst van Hohenzollern-Sigmaringen komen de heerlijkheid Straßberg en het ambt Ostrach.

Bij het grensverdrag dat op 18 mei 1810 te Parijs wordt gesloten, staat het koninkrijk Beieren nog delen van de voormalige vorstendommen af aan het koninkrijk Württemberg met als belangrijkste plaatsen Eglingen, Dischingen en Neresheim.

Compensatie
Met het einde van het Rijk in 1806 ging ook het postmonopolie verloren. De familie Thurn und Taxis werd echter royaal gecompenseerd: in Beieren verkregen ze het voormalige klooster Sankt Emmeram, dat tot residentie werd, en in de Pruisische provincie Posen drie landgoederen. In 1888 woonden op het grondgebied van de familie circa 100.000 mensen die jaarlijks 1,1 miljoen mark inbrachten. Maximilian Karl von Thurn und Taxis moest in 1867 de laatste postrechten van de familie afstaan aan Pruisen, tegen een vergoeding van drie miljoen taler. Door verwerving van grond kwam het geslacht echter ook in het bezit van circa 120 regionale brouwerijen, die later werden samengevoegd tot de brouwerij Thurn und Taxis. Deze werd in 1996 overgenomen door de Paulaner Brauerei Gruppe, die echter nog steeds onder de oude naam bier brouwt.

De bekendste vertegenwoordiger van het geslacht is heden ten dage Gloria von Thurn und Taxis, geboren gravin von Schönburg zu Glauchau. Haar zoon Albert II (1983) is volgens het zakenblad Forbes in 2005 de jongste miljardair ter wereld.

Bekende telgen

Postmeesters
1490: Janetto, Franz en Johann Baptista
1501-1517: Franz
1517-1541: Johann Baptista
1541-1543: Franz II
1544-1612: Leonhard I
1612-1624: Lamoral
1624-1628: Leonhard II
1628-1646: Alexandrine de Rye (regentes gedurende de minderjarigheid van Lamoral Claudius Franz)
1646-1676: Lamoral Claudius Franz
1676-1714: Eugen Alexander
1714-1739: Anselm Franz
1739-1773: Alexander Ferdinand
1773-1805: Karl Anselm

Familiehoofden sinds 1805
1805-1827: Karl Alexander
1827-1871: Maximilian Karl
1871-1885: Maximilian Maria
1885-1952: Albert I
1952-1971: Franz Josef
1971-1982: Karl August
1982-1990: Johannes
1990-heden: Albert II

Overig
Anton von Taxis, keizerlijk hoofdpostmeester
August Maria Maximilian von Taxis, Beiers majoor-generaal
Christian Adam Egon Joseph von Taxis, keizerlijk majoor-generaal
David von Taxis, keizerlijk postmeester
Friedrich von Taxis, Beiers kolonel
Friedrich Hannibal von Taxis, Oostenrijks generaal
Hugo Maximilian von Taxis, Oostenrijks geheimraad
Inigo Lamoral von Taxis, Oostenrijks generaal
Johann Baptista von Taxis, bisschop van Lavant
Joseph von Taxis, Beiers majoor-generaal
Karl Anselm von Taxis, Württembergs majoor-generaal
Karl Theodor von Taxis, Beiers generaal
Leopold von Taxis, Beiers Beamter
Maximilian Friedrich von Taxis, Beiers majoor
Maximilian Joseph von Taxis, Oostenrijks kolonel
Maximilian Karl Heinrich von Taxis, Beiers politicus
Wilhelm von Taxis, Oostenrijks majoor-generaal
Alexander Ferdinand von Thurn und Taxis, keizerlijk commissaris
Maximilian Anton Lamoral von Thurn und Taxis, echtgenoot van prinses Helene in Beieren, de zuster van Sisi

Trivia
. In tegenstelling tot wat soms wordt beweerd is het woord taxi niet van de naam van dit geslacht afgeleid. Zie dat artikel voor een nadere etymologie.
. Rainer Maria Rilke droeg zijn beroemde roman Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge op aan Marie von Thurn und Taxis.
. Franz von Taxis figureert in het Suske & Wiske-album De kleine postruiter.
. Thurn und Taxis speelt een grote rol in de roman The Crying of Lot 49 van Thomas Pynchon.
. Er is ook een bordspel Thurn und Taxis gemaakt dat in 2006 tot 'Spiel des Jahres' is gekozen in Duitsland. Het spel wordt in Nederland uitgegeven door 999 Games. Het spel werd ontworpen door Andreas Seyfarth.
. Thurn en Taxis is een gebouw in Brussel dat getuigt van de hoogdagen van het geslacht.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Thurn_und_Taxis

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 148.