kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Tibet

Tibet (Tibetaans: Pö of Peu) is een geografisch gebied en voormalig zelfstandig land met historisch een eigen volk, cultuur en taal dat zich uitstrekt over het Tibetaans Hoogland.

Heden ten dage valt Tibet als een regio binnen de Volksrepubliek China. De regio is verdeeld over een aantal verschillende Chinese provincies, een grootdeel valt onder de staatkundige Autonome Regio Tibet.

Het geografische gebied Tibet grenst in het zuiden aan de Indiase deelstaten Jammu en Kasjmir en Himachal Pradesh, Nepal, Sikkim, Bhutan, de Indiase deelstaat Arunachal Pradesh en Noord-Birma, in het noorden aan Turkestan en in het oosten aan de Chinese provincies Gansu, Sichuan en Yunnan. Sommige delen van Nepal en het Indiase gebied Ladakh worden soms cultureel als een deel van Tibet beschouwd.

Tot 1950, toen het Volksbevrijdingsleger Tibet binnenviel, was Tibet een onafhankelijk land, met een theocratische regering. In de uithoeken van Tibet was de macht in handen van lokale strijdheren. Sinds 1950 wordt het gebied tot het land China gerekend door China, vaak spreekt men van een bezetting van Tibet. De hoogste religieuze en politieke leider in het Tibet van voor de bezetting, de Dalai Lama, vluchtte na eerst een aantal jaren met de Chinezen te hebben samengewerkt in 1957 naar India, waar hij sindsdien een regering in ballingschap leidt.

Geografie
Tibet is zeer hooggelegen: het zuiden van Tibet ligt in de Himalaya, de rest in het Tibetaans Hoogland. Het wordt traditioneel opgedeeld in de regio’s Kham (oosten), Amdo (noorden), Ü (centraal), Ngari (westen) en Tsang (zuiden). De hoofdstad is Lhasa, waar zich ook de (voormalige) residentie (het Potala-Paleis) van de Dalai Lama bevindt. Andere steden zijn Shigatse, Chamdo en Nagqu.

Naam
De naam Tibet is afgeleid van Tubbat, zoals vroege Arabische geschiedschrijvers het oude koninkrijk noemden. In de Orkhon-inscripties (voorloper van het Turks) uit de achtste eeuw na Christus heeft met het over Tüpüt.

Bevolking
Volgens de Chinese census van 1996 leven in de Autonome Regio Tibet 2,44 miljoen Tibetanen. Waarschijnlijk leven er inmiddels ook zo’n 2 miljoen etnische Han-Chinezen in T.A.R., waarbij nog zo’n 200.000 Chinese soldaten moeten worden opgeteld. In de Chinese provincies Qinghai, Sichuan en Yunnan leven waarschijnlijk nog eens meer dan 5 miljoen Tibetanen. Buiten Tibet leven nog eens 120.000 Tibetanen in ballingschap verspreid over de wereld. In oostelijk Tibet (Kham) behoren veel inwoners tot de Khampa’s, die nauw verwant zijn aan Tibetanen. Andere minderheden zijn Lhopa en Monpa in het zuidoosten, en de Hui moslims, die in de loop der tijd zich als handelaren in Tibet vestigden, net als ze in China deden. Tibetanen zijn ook nauw verwant aan de Qiang in Sichuan, de Ladakhi’s uit India en de Sherpa’s uit Nepal.

De fysiek van Tibetanen is aangepast aan het leven op grote hoogten, waar zij geen problemen van ondervinden. Niet-Tibetanen daarentegen hebben vaak moeite met de grote hoogte van Tibet.

Religie
In Tibet wordt door het grootste deel van de bevolking de lokale stroming van het boeddhisme aangehangen: het Tibetaans boeddhisme (ook wel Lamaïsme genoemd), waarin zowel het Mahayana- als het Vajrayana-boeddhisme beoefend worden. Ook de oorspronkelijke religie van Tibet, het Bön, heeft nog steeds aanhangers. Sinds de inval van de Chinese Communistische Partij is het boeddhisme onderdrukt en zijn er monniken gedood, gemarteld of gevlucht. De meeste slachtoffers zijn rond de opstand in 1959 en de jaren erna gevallen. Over het aantal slachtoffers bestaat geen consensus tussen de Tibetaanse regering in ballingschap en de regering van de Volksrepubliek China.

Geschiedenis
Tibet onder de Yarlung-koningen
De geschiedenis van Tibet begint bij Nyatri Tsanpo, de koning van Tubo, rond 127 v.Chr., maar er zijn weinig historische feiten bekend van de vroegste historie. Waarschijnlijk reikte de macht van de eerste Tibetaanse koningen niet verder dan de Yarlung-vallei. In de tijd van de 28e koning (in de 5e eeuw) zou het Boeddhisme voor het eerst Tibet hebben bereikt.

In de 6e eeuw hadden de heersers van Yarlung hun rijk zo ver uitgebreid dat het grootste deel van Centraal Tibet onder hun heerschappij viel. Er werd bij Taktse een kasteel gesticht en Zingporje leidde een rebellie tegen het Zhang-zhung rijk. Zijn zoon, Namri Songsten (± 570 – 619) werd in 601 de 32e koning van Tibet en in 608 of 609 werd een ambassadeur in China geïnstalleerd. Tijdens het bewind van Songtsen Gampo (630-649) groeide Tibet uit tot een groot rijk dat zich uitstrekte tot Turkestan in het westen, Nepal in het zuiden, Amdo en Kham in het oosten, en Tarim in het noorden. In 763 worden door koning Trisong Detsen (755 – 797) grote gedeeltes van China veroverd. Aan het einde van Trisong Detsens regering strekte Tibet zich uit over het tegenwoordige Turkestan, Noord-Pakistan, Nepal en delen van Noord India en China. Trisong Detsen nodigde de Indiase Boeddhist Padmasambhava uit naar Tibet te komen om het Boeddhisme te verspreiden. In deze tijd wordt het eerste Boeddhistische klooster in Tibet gebouwd, bij Samye, waar monniken religieuze geschriften naar het Tibetaans begonnen te vertalen. Er was aanvankelijk veel weerstand tegen de (uit India afkomstige) Boeddhistische zendelingen onder de Tibetaanse (Bön) bevolking. De dynastie van de koningen van Tibet eindigt bij Langdharma, de 42e koning, in 842. Langdharma probeerde de opkomst van het Boeddhisme tegen te gaan maar werd vermoord door een vermomde monnik.

Na 842 wordt de macht in Tibet verdeeld onder lokale heersers. De provincies Amdo en Kham zouden tot 1950 grotendeels buiten de invloed van de heersers in Lhasa blijven. De veroveringen in Centraal Azië en China gingen verloren. Het Boeddhisme begon vanaf de 10e eeuw echter aan een opmars, in tegenstelling tot India, Nepal en China, waar het vanaf die tijd juist in invloed afnam. Zo groeide Tibet uit tot het belangrijkste Boeddhistische land ter wereld. Belangrijke kloosters zoals Reting werden in die tijd gebouwd. Er was in die tijd levendige handel met de Indiase koninkrijken, maar met China (Tang- en Song-dynasties) werd het contact verbroken. Een religieuze orde die veel macht kreeg in Centraal Tibet was de Sakya.

Tibet onder het Mongoolse Rijk (1239 – 1358)
Vanaf 1239 verovert de Mongoolse leider Godan Khan gedeeltes van Tibet. Hoewel de Mongolen zich eerst voornamelijk met plunderen bezighielden, raakte de Khan later onder de indruk van de Sakya's. De Sakya's heersen vanaf 1260 als vazallen van de Khan over Centraal Tibet. Kublai Khan veroverde in 1279 Noord-China, waarna hij zich als de eerste Yuan-keizer van China installeert. Na de val van de Mongoolse keizers krijgen zowel China als Tibet hun onafhankelijkheid terug.

Tibet van de Dalai Lama's (1358 – 1720)
Hoewel de Yuan-dynastie in China in 1368 ophield te bestaan, had in Tibet een lokale heerser, Changchub Gyaltsen, tien jaar eerder al de Sakya’s verjaagd. Changchub Gyaltsen werd de eerste nieuwe koning van Tibet. Zijn opvolgers hadden te maken met een nieuwe religieuze macht, de Gelugpa-orde, die rond 1380 gesticht was door Tsongkhapa. Tsongkhapa’s opvolgers (reïncarnaties) worden de Dalai Lama’s genoemd.

Vanaf het midden van de 16e eeuw wordt de groeiende Gelugpa-school ook een politieke factor, als ze een bondgenootschap met de Mongoolse leider Altyn Khan sluiten. Gesteund door de Mongolen lukt het de vijfde Dalai Lama, Lozang Gyatso in 1640 een einde te maken aan de heersers van Tsang. In tegenstelling tot de tijd van de Yuan, hoefden de Dalai Lama’s als tegenprestatie voor de militaire steun niet aan het Mongoolse hof te verblijven, zodat ze vanuit Lhasa Tibet konden besturen. Naast de Mongolen probeerden in deze tijd ook de Chinezen door patronage van religieuze leiders invloed op Tibet uit te oefenen. In 1407 reist de Karmapa Lama op uitnodiging van de Ming-keizer naar Peking.

In 1647 veroverde Lozang Gyatso Centraal Tibet en werd de onbetwiste heerser over Tibet. Toen hij in 1682 stierf wisten zijn persoonlijke adviseurs zijn dood vijftien jaar geheim te houden. Toen het geheim uitlekte moest een nieuwe Dalai Lama worden gevonden. De zesde Dalai Lama had echter meer aandacht voor vrouwen en drank dan voor regeringszaken. Een Mongoolse heerser, Lhabzang Khan, maakte hier gebruik van door met de Chinese Mantsjoekeizer Kangxi samen te zweren om Lhasa aan te vallen. De Dalai Lama werd gevangen genomen en stierf onder verdachte omstandigheden. Een nieuwe Dalai Lama werd als vazal van Lhabzang Khan aangesteld. Onder de Tibetanen en Mongolen, die de Dalai Lama als hun spirituele leider zagen, zette dit veel kwaad bloed. In 1717 veroverde één zo’n Mongoolse stam, de Djoengaren, Tibet. Ze zetten de nieuwe Dalai Lama af en doodden Lhabzang Khan. Keizer Kangxi maakte gebruik van de verwarring door in 1720 zijn leger op Lhasa af te sturen. De Chinezen brachten de gevluchte zevende Dalai Lama met zich mee en werden door de bevolking binnengehaald als bevrijders.

Tibet onder de Mantsjoe (1720 – 1911)
De Mantsjoe stelden twee vertegenwoordigers, zogenaamde ambans, aan in Lhasa. Alle politieke beslissingen in Tibet moesten voortaan door hen worden goedgekeurd. Ook beslisten de Mantsjoes voortaan over de opvolging van de Dalai Lama. Als de Dalai Lama stierf moest een pasgeborene als opvolger gevonden worden. Daarom werd ook een regent aangesteld zolang de Dalai Lama minderjarig was. Omdat de regenten liever zelf de macht hielden werden de Dalai Lama’s tijdens de Mantsjoeperiode meestal vermoord voordat ze volwassen werden.

De Tibetanen kwamen in 1727 tegen de Chinese bezetting in opstand maar dit werd door Mantsjoes bloederig onderdrukt. In 1759 werden de ambans tijdens een rebellie vermoord. De Mantsjoes heroverden Lhasa en er werd een permanent leger van 2.000 man geïnstalleerd om een nieuwe opstand te voorkomen. Na 1800 verzwakte het Chinese keizerrijk van de Mantsjoes (de Qing-dynastie) dusdanig dat Tibet zich weer enigszins los van China kon bewegen. In deze periode kreeg de regent van Tibet meer politieke macht in handen en de regenten bleven tot Thubten Gyatso, de 13e Dalai Lama, aan de macht. Deze 13e Dalai Lama begon vanaf 1895 een pro-Russische en anti-Britse politiek in de hoop op deze manier los van China te komen. Om hun belangen in India te verdedigen, namen de Britten onder leiding van Francis Edward Younghusband, in een poging de Dalai Lama gevangen te nemen, op 3 augustus 1904 Lhasa in. De opzet mislukte omdat de Dalai Lama naar Urga, het huidige Ulaanbaatar, was gevlucht.

In afwezigheid van de Dalai Lama sloot Groot-Brittannië met de Tibetaanse regent op 7 september 1904 een verdrag waarbij enige handelsvoorrechten bedongen werden. In feite was dit een verdrag als tussen twee onafhankelijke staten, waar de Chinezen natuurlijk tegen protesteerden. De Russen werden in de Russisch-Japanse Oorlog (1903–1905) uitgeschakeld als belangrijke mogendheid in Oost-Azië, zodat Tibet zijn strategische waarde voor de Britten verloor. In 1906 werd daarom met een Brits-Russisch-Chinees verdrag China als suzerein over het protectoraat Tibet erkend, waarmee een einde kwam aan zowel Britse als Russische pogingen invloed op Tibet te krijgen. De Chinezen zetten de Dalai Lama af, maar kort daarop werd de Chinese keizer vermoord. De Dalai Lama maakte gebruik van de verwarring door naar Lhasa terug te keren. Kort hierop (in 1910) zonden de Chinezen een strafexpeditie naar Lhasa, en hij moest naar India vluchten. Toen de Qing-dynastie echter in de Nationalistische revolutie van 1911 uiteindelijk viel, verklaarden Tibet en Mongolië zich middels het Verdrag van Urga onafhankelijk van China. Eind 1912 verlieten de laatste Mantsjoetroepen Tibet.

Periode van onafhankelijkheid (1911 – 1950)
De nieuwe Chinese regering zond onmiddellijk een bericht aan de Dalai Lama, waarin ze haar verontschuldigingen aanbood voor de onder de Mantsjoe begane wreedheden, en de Dalai Lama erkende als religieus leider van Tibet. De Dalai Lama antwoordde met de mededeling dat hij niet geïnteresseerd was in door de Chinezen erkende functies. De Britten probeerden nog tot een vergelijk te komen tijdens een congres in Shimla in 1914, maar de Chinezen wilden geen verdrag tekenen dat hen niet erkende als heersers in Tibet. De Chinese invloed was tot 1950 echter nihil in Tibet, in deze periode was Tibet de facto een onafhankelijke theocratie, waarin de Dalai Lama zowel politiek als geestelijk de hoogste autoriteit was. De kloosters in Tibet bleven sociale centra van lering en studie en praktijk. Deze kloosters bleven vaak ook grootgrondbezitters. Vanaf 1900 kwamen er verschillende buitenlanders naar Tibet, wat een (langzaam) proces van sociale en technologische vernieuwing op gang bracht. Zo werd het Tibetaanse leger door de Britten in India opgeleid en werden modernere wapens aangeschaft. Ook kwam men in aanraking met Westerse uitvindingen als grammofoonplaten, telegraaf en postzegels.

In 1933 overleed de 13e Dalai Lama, waarna de huidige Dalai Lama, Tenzin Gyatso, geïnstalleerd werd. Tot zijn achttiende zou een regent echter de macht in handen hebben. In 1949 kwamen in China echter de communisten van Mao Zedong aan de macht.

Inval, bezetting en onderdrukking (1950 - 1976)
Oktober 1950, viel het Chinese Rode Leger Tibet binnen. Het kleine en slecht bewapende Tibetaanse leger kon weinig weerstand bieden. De reactie van de Tibetaanse regering was alle macht aan de pas 15 jaar oude Dalai Lama te geven. Er ging een oproep naar de Verenigde Naties, maar de meeste landen wilden China niet dwars zitten dus een veroordeling bleef uit. De Dalai Lama zond afgevaardigden naar Peking, die gedwongen waren een overeenkomst voor de “bevrijding” van Tibet te tekenen. Op 23 mei 1951 werd in Peking besloten dat Tibet voortaan integraal deel zou uitmaken van China. De Dalai Lama werd een vazal van de Chinese regering.

De voornaamste reden voor de inval was volgens China dat ze de situatie van voor 1911 wilde herstellen. Ook de 'bevrijding' van het Tibetaanse volk van hun slaafdom aan de heersende klasse (landeigenaren en kloosters) wordt door de Volksrepubliek China aangehaald als een reden voor China om Tibet binnen te vallen. Waarschijnlijk heeft de Koude Oorlog (1947 - 1991) ook invloed gehad op de beslissing Tibet binnen te vallen. Een aantal maanden eerder, (juni 1950) was de Koreaanse oorlog uitgebroken. Een deel van de Amerikaanse strategie tijdens de Koude Oorlog, bestond er uit om troepen in grenslanden van communistische staten te stationeren. Als dit ook in Tibet zou gebeuren, zou er voor China en de Sovjet-Unie een onacceptabele situatie zijn ontstaan.

In 1956 brak een opstand uit in het oosten van Tibet, in de provincie (Kham). In de jaren daarna breidde de opstand zich uit tot in Centraal Tibet. Tijdens het Tibetaanse nieuwjaar in 1959 hadden de Chinezen de Dalai Lama opgedragen een dansvoorstelling bij te wonen, maar eisten dat hij aanwezig zou zijn zonder zijn gebruikelijke lijfwacht. Toen dit onder de bevolking bekend raakte, braken rellen uit. Tibetaanse soldaten uit het Rode Leger liepen over naar de demonstranten en deelden wapens uit aan de bevolking. Het paleis van de Dalai Lama werd omsingeld door demonstranten die hem wilden beschermen tegen de Chinezen. Terwijl Tibetanen en het Rode Leger elkaar in de straten van Lhasa te lijf gingen, vluchtte de Dalai Lama echter in het geheim naar India; kort voor het passeren van de grens verklaarde de Dalai Lama de overeenkomsten met China ongeldig.

De opstand werd hierna met harde hand door de Chinezen onderdrukt, waarbij alleen al in de regio Lhasa 87.000 mensen gedood werden. Na drie dagen van beschietingen met zware artillerie waren de straten van Lhasa bezaaid met lijken. Vele dorpen en kloosters werden door de Chinezen platgebrand en er vonden honderden standrechtelijke executies plaats.

De Chinezen ontbonden vervolgens de Tibetaanse regering. De militaire aanwezigheid werd opgevoerd en de bevolking werd te werk gesteld. Het Chinese leger voerde tot in de jaren 70 strijd met de Tibetaanse rebellen, die guerrillatactieken toepasten en geholpen werden door de CIA. Het Tibetaans boeddhisme en het Bön worden tot op heden onderdrukt. Boeddhistische kloosters werden in de loop der tijd door Chinese soldaten aangevallen, geplunderd en vernietigd.

Erger nog was dat de Chinezen geboden, dat de Tibetaanse boeren voortaan in collectieven moesten werken. In plaats van de traditionele gerst moesten tarwe en rijst worden verbouwd. Het Tibetaanse klimaat is daar niet geschikt voor en al snel braken er hongersnoden uit.

In 1965 werd Tibet opgesplitst in de tegenwoordige administratieve indeling. Het midden, zuiden en westen vallen nu onder de Autonome Regio Tibet, het noorden onder de nieuw bedachte provincie Qinghai, en het oosten werd verdeeld over de provincies Sichuan en Yunnan. Deze opdeling heeft ervoor gezorgd dat tweederde van de Tibetanen in China buiten de Autonome Regio wonen. Dat deze provincies tot 1950 deel uitmaakten van Tibet, wordt door de Chinezen nu echter officieel ontkend.

Van 1966 tot 1976 werd met de Culturele Revolutie wat nog over was van Tibets cultuurschatten vernietigd. Hoewel overal binnen de Volksrepubliek China vernietiging plaatsvond, wordt gedacht dat de vernietiging in Tibet het grootst was. Vele monniken en nonnen vonden de dood en werden langdurig gemarteld of gedwongen tot seksuele relaties met elkaar. Kloosters werden met de grond gelijk gemaakt. Eeuwenoude Boeddhistische geschriften werden verbrand of als toiletpapier gebruikt. Het grootste deel van Tibets culturele erfgoed is zo verloren gegaan.

Tibetaanse diaspora
Vele Tibetanen en bijna alle lama's (leraren) zijn naar het buitenland gevlucht en zijn een nieuw leven in het buitenland begonnen. Dit is een belangrijke factor geweest in de groeiende populariteit van het Tibetaans boeddhisme in het westen. De Panchen Lama, oorspronkelijk op de handen van de Chinezen, protesteerde in 1961 tegen de harde behandeling van de Tibetanen. De Chinezen reageerden door hem in de gevangenis te gooien.

Bezetting na Mao (vanaf 1976)
Na Mao’s dood in 1976 werden mondjesmaat de Tibetaanse gebruiken weer toegestaan, en kwam er een beetje meer vrijheid. In 1977 werden de gevluchte Tibetanen en de Dalai Lama door de Chinezen uitgenodigd terug te keren naar Tibet. De Dalai Lama zond een afvaardiging om de stand van zaken te bekijken. Het rapport dat opgesteld werd was zo negatief over de situatie in Tibet, dat men besloot het niet te publiceren, om de jonge onderhandelingen met de Chinese regering niet te dwarsbomen. Er stond onder andere in dat tussen 1949 en 1979 meer dan 1,2 miljoen Tibetanen de dood vonden als direct gevolg van Chinees handelen. Meer dan 6000 kloosters waren vernietigd, twee derde van Tibet was door de nieuwe administratieve indeling bij China ingelijfd, 100.000 Tibetanen bevonden zich in werkkampen waar ze dwangarbeid voor de Chinezen verrichtten, en veel van Tibets natuurlijke bossen waren gekapt. Door sommigen worden deze aantallen te hoog genoemd. Volgens de officiële census waren er in de Volksrepubliek China in 1953 2,8 miljoen en in 1964 nog 2,5 miljoen Tibetanen. De Chinese census wordt echter verre van betrouwbaar geacht. Het Tibet-beleid van de Chinese overheid is door onder meer de Verenigde Naties, de Europese Unie, de Verenigde Staten en mensenrechtenorganisaties herhaaldelijk veroordeeld.

Desondanks bleven de Chinese regering en de Tibetaanse regering in ballingschap gedurende de jaren 70 met elkaar in gesprek. De Chinese regering deed ondertussen zijn best de situatie in Tibet te verbeteren. Zo werden het Potala en het Jokhang af en toe geopend voor bezoekers. Op kleine schaal werd het uitoefenen van de eigen religie weer getolereerd. De belastingen in Tibet werden omlaag bijgesteld en het werd, net als in de rest van China, beperkt mogelijk een eigen bedrijf op te zetten. Een aantal geroofde kunstvoorwerpen werd teruggegeven aan de betreffende kloosters.

In 1983 strandden de gesprekken tussen de Chinezen en de regering in ballingschap. De Dalai Lama zou als hij terugkeerde naar Tibet onder huisarrest in Beijing worden geplaatst, wat hij niet wilde. Daarna richtte de Chinese politiek zich op het zoveel mogelijk inlijven van Tibet bij China. Hierbij hoort ook het verspreiden van propaganda om zowel Chinezen als Tibetanen te overtuigen dat Tibet altijd al bij China heeft gehoord.

Het meest opvallende aspect van de Chinese annexatiepolitiek is het bevorderen van een gestage instroom van etnische Han-Chinezen naar Tibet. Voor de Han is het voordelig te verhuizen vanwege de lage belastingen. Ook de strenge eenkindpolitiek die in de rest van China geldt, geldt niet in Tibet. Als gevolg van deze politiek wordt geschat dat inmiddels de helft van de bevolking uit Han bestaat, hoewel de Chinese regering beweert dat dit slechts 5% is. Soortgelijke migratiepolitiek werd en wordt door de Chinese regering ook toegepast in andere gebieden met een eigen etnische bevolkingsgroep, zoals Binnen-Mongolië, Mantsjoerije en Turkestan. In deze gebieden vormt de oorspronkelijke bevolking inmiddels een minderheid. Er gaan ook schokkende geruchten dat Tibetaanse vrouwen gedwongen gesteriliseerd zijn.

In 1986 mochten voor het eerst buitenlandse toeristen in Tibet komen. Tijdens opstanden in Lhasa in 1987 en 1988 waren Westerse toeristen getuige van het hardhandige optreden van het leger tegen demonstranten. Sindsdien probeert de Chinese regering zoveel mogelijk te bepalen waar de toeristen mogen komen en waar niet. Dat dit niet altijd lukt, bleek in 2006 weer, toen een aantal bergklimmers getuige waren hoe soldaten een groep Tibetanen die naar India probeerde te vluchten doodschoot.

Ondertussen was de Dalai Lama uitgegroeid tot een internationaal bekende figuur. Vanuit Dharamsala in India leidt hij de Tibetaanse regering in ballingschap. Hij blijft proberen de aandacht te vestigen op de situatie van zijn volk. De Dalai Lama heeft tijdens zijn ballingschap in India altijd het gebruik van geweld door de Tibetanen afgezworen en kreeg mede hierdoor in 1989 de Nobelprijs voor de Vrede.

China gaat door met het doen van grote investeringen en het zenden van Han-Chinezen naar de Autonome Regio Tibet. Op 1 juli 2006 werd de Peking-Lhasa-spoorweg in gebruik genomen waardoor het reizen van en naar Tibet een stuk eenvoudiger werd. Het overgrote deel van de ter beschikking gestelde overheidsgelden wordt ingezet ten behoeve van de belangen van de Han-Chinezen in Tibet, waardoor er een verschil ontstaat tussen de levensstandaard van de autochtone Tibetanen en de Han-Chinezen. Nomadische Tibetanen werd een bestaan als boer opgelegd. Tibet bezit veel natuurlijke grondstoffen, die momenteel gedolven worden. Er is een hoge werkloosheid onder de Tibetanen in de Autonome Regio Tibet.

Huidige situatie
Samye-klooster in TibetDe Volksrepubliek China claimt dat Tibet altijd al een deel van China is geweest. In de Mantsjoe-periode was Tibet inderdaad een vazalstaat van de Chineze keizers. Voorstanders van een onafhankelijk Tibet werpen tegen dat de Mantsjoes geen Chinezen waren (Chinezen mochten bijvoorbeeld niet trouwen met Mantsjoes en mochten zich ook niet vestigen in het gebied waar de Mantsjoes vandaan kwamen), waardoor Tibet in feite geen deel van China zou zijn geweest. Historici spreken bij deze periode echter gewoon over China, en de heersers over het gebied worden gezien als (de laatste) keizers van China. Ook stelt China dat Tibet tijdens de Ming- en de Yuan-dynastie feitelijk onderdeel van China is geweest. Hoewel er sprake was van Chinese invloed, is dit in feite onjuist.

In de laatste 10 jaar zijn er enkele kloosters herbouwd. In plaats van duizenden monniken mogen er echter slechts een klein aantal wonen, die streng worden gecontroleerd door de Chinese militairen. De monniken die er wonen worden in vele essentiële aspecten van hun leven beperkt door regels vanuit Peking. Het is ze bijvoorbeeld verboden een foto van de Dalai Lama te bezitten, om te veel met de buitenlandse toeristen te praten of om kritiek te uiten op de bezetting van Tibet door China of de manier waarop Tibetanen door China behandeld worden. Deze grotere vrijheden op het gebied van godsdienst zijn de afgelopen decennia niet alleen in Tibet maar ook in andere delen van China door de Chinese regering verleend.

Eind 2004 waren er 150 Tibetaanse politieke gevangenen in China, waarvan er 100 boeddhistische monniken waren. Regelmatig sterven er politieke gevangenen tijdens hun gevangenschap, en er komen nog steeds verhalen van marteling naar buiten. In 1995 werd de door de Dalai Lama aangewezen 6 jarige Panchen Lama (Gedhun Choekyi Nyima) samen met zijn ouders door de Chinese autoriteiten ontvoerd. In zijn plaats stelde China door middel van loting Erdini Qoigyijabu als nieuwe Panchen Lama aan. Hoewel de Chinese regering het omgekeerde wil doen geloven, erkent de grote meerderheid van de Tibetanen de Chinese Panchen Lama niet als geestelijk leider. De functie van Panchen Lama is belangrijk omdat hij de nieuwe Dalai Lama aanwijst. De huidige Dalai Lama heeft gezegd dat de volgende Dalai Lama niet in Tibet geboren zal worden, omdat dat momenteel geen veilige plaats voor een Dalai Lama is. De Dalai Lama streeft tegenwoordig niet meer naar een onafhankelijk Tibet, maar naar een binnen China werkelijk autonoom Tibet waar de Tibetanen een goede levenssituatie hebben, en hun religie vrijelijk kunnen uitoefenen.

Milieuverontreiniging
Begin jaren '60 begon China op een destijds strikt geheime locatie op het Tibetaans Hoogland met de ontwikkeling van kernwapens, waarbij een enorme milieuvervuiling optrad en de gezondheid van Tibetaanse dwangarbeiders in gevaar kwam (Ziemer, 2001). Ook zou China andere landen hebben aangeboden in ruil voor financiële compensatie kernafval op te slaan in Tibet. Een andere bedreiging vormen de uraniummijnen in het gebied.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Tibet_(gebied).

Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1687.