kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 10-01-2016 voor het laatst bewerkt.

De Sphinx

Polygoon journaal uit 1965 over de onthulling van het standbeeld van petrus regout in Maastricht.

Aardewerkhistorie deel 1 Koninklijke Sphinx is een Kristal-, glas- en aardewerkfabriek die door Petrus Regout in 1834 in Maastricht werd opgericht. Maastrichts aardewerk van Regout en de Sphinx zijn gewilde verzamelobjecten.

De Sphinx v/h Petrus Regout & Co kent een lange traditie van massaproductie van huishoudelijk Maastrichts aardewerk, waaronder handgeschilderd boerenbont (later verkocht aan Boch België, welke het nog steeds produceert) en sieraardewerk, sanitair, tegels, hotelporselein en kinderserviesjes. Hele scheepsladingen met dikwandige serviezen & tegels gingen de wereld over. Het beeldmerk/logo werd hierbij vertaald in de taal én lettertekens van het afzetgebied.
Regout haalde de kennis uit Engeland. Daar had o.a. Wedgwood een techniek ontwikkeld waarmee men sterk, door-en-door-wit aardewerk kon maken. Een andere uitvinding maakte het met de hand beschilderen van aardewerk overbodig: het aardewerk werd bedrukt met een soort plakplaatjes, transfers. In het begin doorstond alleen de kleur blauw, later ook bruin en zwart de hoge temperaturen van de ovens, omstreeks half 19e eeuw ook groen en rood.

In 1899 werd de firma omgezet tot de N.V. de Sphinx v/h Petrus regout & Co. Medewerkers en ontwerpers waren o.a. C.A. Lion Cachet, C.J. v.d. Hoef, W.J. Rozendaal als schilder en chef schildersatelier (‘Serail’), J.H. Lint, Charles Vos, E. Bellefroid (‘Thea’, ‘Maas’, ‘Strand, ‘Recamier’ en
‘Dominique’), H. Jansen van Galen, Pierre Daems (‘Sphinx’). De meest succesvolle ontwerpers in dienst van De Sphinx zijn diegenen geweest die zich niet verzetten tegen de machinale productie maar juist geïnteresseerd waren in de technische mogelijkheden. Dit geldt voor Willem Rozendaal, Edmond Bellefroid en later ook voor Otmar Lochschmidt. Zij hielden tijdens het ontwerpen rekening met het productieproces en voorkwamen zo dat teveel exemplaren sneuvelden tijdens de productie.

Na de Tweede Wereldoorlog legde de Sphinx zich toe op de fabricage van sanitair, zoals toiletpotten en wastafels.

Historie
De Nederlandse industrieel en politicus Petrus Dominicus Laurentius 'Petrus' Regout (Maastricht, 23 maart 1801 – Meerssen, 18 februari 1878), werkte vanaf zijn dertiende in de glas- en aardewerkwinkel van zijn moeder.

Na het overlijden van zijn moeder begon hij in 1827 aan de Boschstraat in Maastricht de kristalslijperij Petrus Regout & Co. Daarnaast had Petrus Regout een groothandel in glas, kristal en aardewerk. Gedwongen door het economische isolement, waarin Maastricht na de Belgische Opstand was terechtgekomen, ontwikkelde Petrus Regout in korte tijd een industrieel imperium bestaande uit onder andere een glas- en aardewerkfabriek, een geweerfabriek en een spijkerfabriek.

Door zijn strategische ligging aan de Maas is de vestingstad Maastricht eeuwenlang een begerenswaardig doelwit geweest voor koningen en vorsten. Tot 1830 heeft de stad daarom vele belegeringen en bezettingen, o.a. van Franse en Spaanse troepen, moeten doorstaan. In een dergelijke onrustige sfeer konden industriële bedrijven van betekenis zich niet ontwikkelen en beperkte het economische leven zich tot die tijd tot wat plaatselijke nijverheid en kleinhandel.
De Belgische opstand van 1830 werd gevolgd door een economische blokkade van Maastricht en maakte zelfs aan deze beperkte economische activiteiten een abrupt einde. Maastricht lag als een Nederlands eiland geïsoleerd binnen een vijandige omgeving. Handel met België was verboden en met de rest van Nederland onmogelijk.
Pas vier jaar jaar later werd de invoer van Belgische grondstoffen en halffabrikaten in Maastricht weer toegestaan, mits zij dan ook in Maastricht verwerkt of bewerkt werden. Petrus Regout zag zijn kans schoon, hij probeerde het met een spijkerfabriek en zette zijn ambachtelijke kristal- en glasslijperij om in een modern, gemechaniseerd bedrijf met stoommachines. Deze floreerde zo goed dat hij daar snel een glasblazerij aan toe kon voegen.

In 1836 voegde hij een eveneens gemoderniseerde aardewerkfabriek daaraan toe. Maastricht was een goede vestigingsplaats voor een aardewerkfabriek: veel grondstoffen kwamen uit de buurt, zoals krijt uit de Sint Pietersberg, en ook kolen waren dichtbij.

Aanvankelijk produceerde hij zogenaamd fayence commune, aanvoudig aardewerk met een zachte, rode scherf bestemd voor de locale markt en vanaf 1840 ook bedrukt aardewerk. Om zijn afzetgebied te vergroten moest hij echter concurreren met het toen zeer populaire Engelse creamware. Daarom nam Regout in de jaren 1840 Engelse vakarbeiders in dienst en liet hij zelfs Engelse grondstoffen importeren.
Het grootste deel van de modellen en drukdecors werden ingevoerd uit Engeland, in het bijzonder aardewerkcentrum Stoke-on-Trent. Hierdoor onderscheidt het vroege Regout-aardewerk zich nauwelijks van het Engelse. Uitzondering hierop vormt het handbeschilderde boerenbont, dat van ca. 1840 tot 1969 geproduceerd werd, en een curieuse serie rijstkommen, schalen en sakeflesjes, die Regout omstreeks 1859 speciaal voor een Japanse handelsmissie liet ontwerpen.
De machines omdat allemaal te doen kocht Regout ook in Engeland. Machines hadden niet alleen het voordeel dat er sneller gewerkt kon worden, de fabriek kon ook in ploegendienst gaan werken. De machines draaiden dag en nacht door en de mensen wisselden elkaar af.

1841: start productie vuurvast materiaal.
1842: oprichting geweerfabriek.
1844: oprichting gasfabriek die heel Maastricht van gaslicht zou moeten voorzien. Er waren toen 400 werknemers in dienst.

De economische crisis van 1848 bracht Regout aan de rand van de afgrond. Door goed inzicht en een gelukkige hand bij het aanleggen van grote (speculatieve) voorraden, kwam hij de crisis te boven en was in staat om vanuit een zeer sterke financiële positie de ontwikkelingen voort te zetten, die resulteerde in een onderneming met 600 werknemers in 1850, 1.500 werknemers in 1860 en 2.500 werknemers in 1878.

In 1849 werd Regout lid van de Eerste Kamer. Zijn zoon Louis Regout was later ook Eerste Kamerlid.
In 1851 kocht hij Kasteel Vaeshartelt, tegenwoordig in gebruik als hotel en congrescentrum, dat hij omtoverde tot een ware lusthof.
Na zijn overlijden in 1878 werd zijn lichaam bijgezet in het, door hem zelf ontworpen, familiegraf naast de Basiliek van het H. Sacrament in Meerssen.

Toen in 1870 zijn zoons mede-directeur werden, werd de naam van het bedrijf veranderd in NV Petrus Regout & Co. Omgezet in CV Petrus Regout & Co in 1879.

De fabrieken van Petrus Regout en zijn nazaten waren eind 19e eeuw berucht om de slechte arbeidsomstandigheden. De arbeiders in de fabriek hadden het zwaar: lange werkdagen (twaalf uur was heel gewoon), nauwelijks vrije tijd, weinig loon. Het gemiddelde was zo'n gulden per dag. Ook als het op de zorg voor zijn arbeiders aankwam opereerde Regout als een ondernemer. In 1864 liet hij vlak bij de fabriek een woonkazerne bouwen waar 70 gezinnen konden wonen en hij bouwde kleine eensgezinswoningen voor de hogere arbeiders. De huur ging natuurlijk naar Regout. Zoals overal werkten er ook kinderen in de Regoutfabriek. Een telling in 1869 kwam uit op 103 kinderen op 2000 werknemers. Kinderen boven de twaalf werden als volwassen beschouwd.
Tegenwoordig is er ook een genuanceerde kijk op Regout; zo zou hij zich juist hard hebben gemaakt voor sociale wetgeving en heeft hij meegewerkt aan een wet die het vanaf 1871 mogelijk maakte dat geen kinderen onder de 12 in fabrieken hoefde te werken. Ook heeft hij gepleit voor de leerplichtwet. De Regoutfabriek had daarnaast als een van de weinige fabrieken ook een soort ziekenfonds, waar iedere mannelijke werknemer lid van moest worden en dat ook zorgde voor uitkeringen aan weduwen en wezen. Daarnaast kregen de Maastrichtse arbeiders 25 tot 30 procent meer betaald dan bijvoorbeeld hun collega's in Noord-Limburgse aardewerkbedrijven.

Sinds 1879 werd de sfinx als beeldmerk gebruikt.
De modellen die in de tweede helft van de negentiende eeuw werden geproduceerd kocht Regout van rondreizende modelleurs, van ontwerpers in Frankrijk en Engeland, of liet hij eenvoudigweg kopiëren van bestaande producten. Op dezelfde wijze kwam hij aan de decors, die met behulp van transfers en reliëfornament werden aangebracht. Het negentiende eeuwse aardewerk van Regout was daardoor slechts door het merkteken te onderscheiden van de producten van Engelse en Franse concurrenten en had niets specifieks. De directie liet zich bij de keuze voor ontwerpen en decors volledig leiden door wat de markt vroeg en daartoe werden bijvoorbeeld de verkoopcijfers van de concurrenten zorgvuldig bestudeerd.
De eerste veranderingen werden ingezet rond 1880, toen de fabriek eigen modelleurs aantrok, in de personen van Lahaye en Lamour. Ook deze modelleurs moesten voldoen aan de smaak van het koperspubliek en de concurrentie op de voet volgen en werden beslist niet geacht met originele ontwerpen aan te komen.

Dankzij de ondernemingszin en de marktgevoeligheid van Regout groeide en groeide de fabriek: in 1886 werden er per maand zo'n 400.000 borden geproduceerd en duizenden kopjes, schotels, dekschalen en vazen in tientallen modellen. Dankzij de transfertechniek konden er steeds weer andere decors voor het aardewerk bedacht worden met mooie namen als Aurorea, Wild Rose, Oriental en Waternimph. Veel decornamen waren in het Engels, want Regout exporteerde zijn aardewerk over de hele wereld.

1888: Begin tegelfabricage.

Vanaf 1891 verplicht 'Made in Holland' te vermelden wegens imitatie van Wedgwood-aardewerk.

Het duurde bijna twee decennia, voordat het Maastrichtse product zich kon meten met het beroemde Engelse aardewerk van die dagen. Vanaf het midden van de jaren 1850 lukte het Regout het gewenste kwaliteitsaardewerk te fabriceren en begonnen zijn producten aan een zegetocht over de hele wereld. Aan het eind van de negentiende eeuw had het bedrijf, enorm gegroeid en inmiddels geleid door zonen en kleinzonen van de stichter, voor niet minder dan 31 exportmarkten handelsmonopolies afgesloten.

In 1898 vervaardigde Petrus Regout 77.875 Wilhelmina-bordjes naar ontwerp van Lion Cachet.

Vanaf 1899 De Sphinx voorheen Petrus Regout & Co.
In 1899 werd de naam van het bedrijf, tot dan toe bekend onder de naam Petrus Regout, veranderd in 'Sphinx'. Als logo gebruikte de fabriek toen al twintig jaar de beeltenis van een liggende sfinx.

1903: Start sanitairfabricage.
Behalve een enorm assortiment aan huishoudelijk aardewerk produceerde het bedrijf al in het midden van de negentiende eeuw zogenaamd klein sanitair, zoals lampetstellen, nachtpotten en secreettrechters. In 1899 kwam daar een noviteit bij: het watercloset.

1914: Wereldoorlog I: desastreuze verstoring van de goede gang van zaken.
De onstuitbare groei van De Sphinx, die in het topjaar 1913 nog 3.750 werknemers in dienst had, was met het uitbreken van de eerste wereldoorlog
in 1914 abrupt gestopt. De Sphinx slaagde er na 1917 nooit meer in het succes van de late negentiende eeuw en de eerste jaren van de
twintigste eeuw te evenaren. De moordende concurrentie uit het buitenland maakte dat De Sphinx buitenlandse afzetgebieden kwijtraakte
én dat de goedkopere buitenlandse serviezen de Nederlandse markt overspoelden. Een belangrijke reden was het feit dat Nederland in
tegenstelling tot de rest van Europa in het interbellum de vrijhandelspolitiek handhaafde en De Sphinx gedwongen werd zich op de binnenlandse
markt voor huishoudelijk aardewerk te concentreren om de slag om de concurrentie niet te verliezen. Maar op die binnenlandse
markt voldeed het oude assortiment niet meer omdat de stijlveranderingen aan de Sphinx voorbij gegaan leken te zijn.
1918: Nog maar 20% van het aantal arbeiders van voor de oorlog in dienst.

Johan Lint
In tegenstelling tot de kleinere aardewerkfabrieken als de Haagse plateelbakkerij Rozenburg en de in Amsterdam gevestigde faiencefabriek Amstelhoek en plateelbakkerij De Distel, liet De Sphinx zich tot 1917 nog niets gelegen liggen aan de langzaamaan heel Europa veroverende opvattingen van de Engelse Arts and Crafts beweging, die een eenvoudige maar zorgvuldige vormgeving van het industriële product voorstond. 1 januari 1917 werd echter grafisch kunstenaar en gediplomeerd modelleur Johan Lint (1889-1956) als eerste gediplomeerde ontwerper en chef-modelleur aangesteld en voor het eerst kreeg werden binnen De Sphinx eigentijdse en originele modellen ontworpen.
Vanaf dat moment zou De Sphinx, zoals de fabriek sinds 1899 heette, zich voor het eerst van de concurrenten gaan onderscheiden met herkenbare eigen producten.
Lint ontwikkelde een nieuwe stijl voor een klein gedeelte van het aanbod van De Sphinx. Heel vernieuwend waren zijn ontwerpen niet, zoals het servies
‘Clary’ uit 1917, dat sterk leek op het ontwerp van Chris van der Hoef dat in 1904 door De Sphinx werd vervaardigd in opdracht van interieurwinkel
De Woning. Lint ontwierp niet alleen serviezen maar ook drinkfonteinen, klokken, paraplustaanders, rookstellen, vazen, wasstellen en
wijwatervaatjes. Ook ontwierp Lint enkele keramische beeldjes, die als kunstvoorwerpen werden verkocht.

Met Johan Lint liep De Sphinx weer in de pas met de andere Europese grootindustrieën die in de jaren 1910 kunstenaars in dienst namen voor de vormgeving van hun producten en vaak ook van beeldmerk, reclame-uitingen en soms zelfs de fabrieksgebouwen. Vanaf 1917 tot het moment waarop De Sphinx in 1969 stopte met de productie van gebruiksaardewerk, zouden vrijwel continu kunstenaars betrokken zijn bij het ontwerpproces.

Willem Rozendaal
In 1924 volgde de nog jonge, Rotterdamse graficus Willem Rozendaal (1899-1970) Lint op als ontwerper. Hij ontwierp verschillende gedenkborden en serviezen, waaronder het servies Serail (1925), dat uitgevoerd is in het zogenaamde gietproces, waarmee De Sphinx omstreeks 1900 was begonnen te experimenteren.
Rozendaal had geen enkele ervaring op het terrein van het ontwerpen van ceramische gebruiksvoorwerpen toen hij tot taak kreeg ontwerptekeningen voor huishoudelijk gebruiksaardewerk te maken, die vervolgens door modelleurs werden vertaald in gipsmodellen. Rozendaals andere taken waren hem minder vreemd. Het ontwerpen, beschilderen en bedrukken van gelegenheidsborden en bekers kwam meer in de richting van zijn grafische werk, evenals het verzorgen van de catalogi en het reclamedrukwerk voor De Sphinx. Veel decorontwerpen van Rozendaal hebben een oriëntaalse sfeer, net als het ontbijtservies ‘Serail’. Met dit servies bezorgde Rozendaal de Sphinx een nieuw, eigentijds massaproduct binnen het sterk verouderde assortiment. Daarnaast ontwierp Rozendaal onder meer het tafelservies ‘Eenvoud’ dat met wisselende decors gedurende een lange periode een groot succes was.
Het was ook Rozendaals taak om decors te bedenken voor op de grote hoeveelheid negentiende eeuws biscuit dat in voorraad was. De vazen en kannen werden naar ontwerpen van Rozendaal met de hand beschilderd in ‘de schilderskamer’ en vervolgens als sieraardewerk verkocht.

Vanouds was Sphinx een glas- en aardwerkfabriek, maar de glasfabriek is in 1925 afgesplitst en met Stella (nu ‘Leerdam’) gefuseerd tot Kristalunie.

Charles Vos
Rozendaal werd in 1929 opgevolgde door de beeldhouwer Charles Vos (1888-1954), die een half jaar voor De Shinx werkte. Hij ontwierp het bekende beeldje van de liggende sfinx, dat diende als reclamemateriaal voor winkeliers die Sphinx-aardewerk verkochten. Hij ontwierp slechts één nieuw servies, het model ‘Globe’, dat nooit in productie is genomen omdat het veel te kostbaar was. Wel maakte Vos nadien nog vele jaren gebruik van zijn eigen atelier bij De Sphinx, waar hij grote en kleine beelden boetseerde en gereed maakte voor het glazuur- en bakproces. Met de vele beeldjes die in grote oplagen werden gereproduceerd, kon de gewone man een kunstwerkje van Charles Vos in huis halen met een religieus
of een profaan thema, waaronder tal van dierfiguren.

Edmond Bellefroid (1893-1971)
In de jaren 20 had De Stijl een duidelijke invloed met haar primaire kleuren en rechte vlakken op gedecoreerd aardewerk van Bellefroid. Van 1929 tot 1946 was Edmond Bellefroid als ontwerper in dienst bij De Sphinx, met uitzondering van de periode 1942-1944, omdat hij weigerde zich aan te sluiten bij de Kultuurkamer.
Bellefroid ontwierp in de jaren '30 meer dan 35 serviezen voor De Sphinx. Zo ontwierp hij, helemaal in de geest van de Nieuwe Zakelijkheid, voor De Bijenkorf het gestroomlijnde, bruin geglazuurde servies Maas (1932), en voor de Hema theeservies Strand (1934). Deze warenhuizen wilden exclusieve, bijzondere serviezen voor een modieus publiek.
Met de ontwerpen van Bellefroid liet De Sphinx de negentiende eeuw definitief achter zich. Het met decors overwoekerde, vaak uitbundig gevormde aardewerk verving Bellefroid door aardewerk met een functionele, haast architectonische vormentaal. Bellefroid zette met zijn ontwerpen De Sphinx nationaal en internationaal weer op de kaart.
In deze jaren vond De Sphinx aansluiting bij internationale stromingen op het gebied van het vormgeven van gebruiksvoorwerpen, zoals de Nieuwe Zakelijkheid. Ook Bellefroid was geïnteresseerd in de technische aspecten van de fabrieksmatige aardewerkproductie. Opvallend is bijvoorbeeld dat de lichamen van zijn koffiepotten vaak hetzelfde model hebben en alleen de tuit, het oor en het deksel van elkaar verschillen. Dit leverde een grote diversiteit aan ogenschijnlijk verschillende modellen op, die met minimale middelen produceerbaar waren.
‘Zij [serviezen en huishoudelijke voorwerpen] ontstonden uit de gedachte, dat industrieel slechts vervaardigd mag worden hetgeen in overeenstemming is met het vermogen van de gebezigde machines. Men mag verwachten dat ingenieurs en technici steeds grotere mogelijkheden zullen scheppen voor machinale vervaardiging. Van deze grotere mogelijkheden zullen de ontwerpers graag gebruik maken, niet alleen omwille van een hogere gebruikswaarde, maar ook om het leven van de mens in geestelijk opzicht te veraangenamen.’ - (Edmond Bellefroid, 1968)
‘Bij het ontwerpen houd ik het oerprincipe van de functie en het doel steeds voor ogen. Voorts ook de technische mogelijkheden van het bedrijf, waarvoor ik werk; tenslotte aan de esthetische vorm die zo mogelijk een spiegel moet zijn van onze epoque, en die er zo eenvoudig mogelijk, maar gedistingeerd uit moet zien. Het wezen van de vorm is voor mij een intuïtie, met steeds in mijn onderbewustzijn het doel en de functie.’ - (Edmond Bellefroid, 1970)
In 1934 ontwikkelde hij een revolutionaire industrieel ontwerp in de vorm van het voor De Bijenkorf ontwikkelde servies ‘Maas’. De theepot van het servies ‘Maas’ werd in één keer gegoten, dus compleet met de tuit en het oor, en de suikerpot werd ontdaan van de gebruikelijke oren. Beide vernieuwingen leverden productietechnisch flinke besparingen op, waardoor het servies tegen een redelijke prijs op de markt kon worden gebracht. In het servies ‘Maas’ heeft Bellefroid een evenwicht gevonden tussen een optimaal gebruik van de tot zijn beschikking staande technische middelen en zijn eigen artistieke opvattingen.
Bellefroid kon zijn eigen inzichten overigens niet onbeperkt omzetten in ontwerpen en hij kwam regelmatig in conflict met de bedrijfsleiding die zich tot in de kleinste details bemoeide met de vormen en de decors. Bovendien stond de decorafdeling, net als in de negentiende eeuw, los van de vormenmakerij met als gevolg dat Bellefroid geen invloed kon uitoefenen op de decors die aan zijn ontwerpen werden toegevoegd. Grote afnemers als warenhuizen en grossiers hadden grote invloed op het uiterlijk van het product, konden een decoratiepatroon bestellen op een bestaand model of een andere dekselknop voorschrijven. Bellefroid moest zich staande zien te houden tussen de ideeën van de verkoopleiding, de wensen van de tussenhandel, de technische mogelijkheden en de smaak van het publiek.
‘Je moest in die tijd naar twee kanten vechten: publiek en fabrikanten interesseren voor eenvoudige en functionele vormen en goed materiaal. Het hardste gevecht gaat altijd met de verkoopleiders. Dat is de meest conservatieve trechter om doorheen te komen. Ik heb heel wat moeten knokken. Als ontwerper moet je natuurlijk rekening houden met de verkoopmogelijkheden, maar je mag jezelf er niet aan ophangen. Anders komt er nooit iets dat werkelijk nieuw is.’ - (Edmond Bellefroid, 1968)
Met meer of minder succes slaagden de kunstenaars erin het intuïtieve ontwerpproces en de technische aspecten van de productie met
elkaar in evenwicht te brengen. Maar ook als de kunstenaarontwerper hierin slaagde, was het gevaar niet geweken. Doordat de ontwerpafdeling
en de decoratieafdeling gescheiden werkende werelden waren en deze laatste werd bemand door loyale ambachtslieden, meestal
zonder artistieke aspiraties, konden de verkoopleiders er gemakkelijk, onder het motto dat de klant koning is, hun conservatieve opvattingen
implementeren. Het resultaat daarvan is bijvoorbeeld het zuivere Art Deco servies ‘Thea’ van Edmond Bellefroid uit 1934, voorzien van een
overall bloemetjesmotief in roze en lila, de driehoekige knop parmantig verguld en het uiterst abstract gevormde en technisch geavanceerde,
in opdracht van De Bijenkorf ontworpen servies ‘Maas’, eveneens van Edmond Bellefroid uit 1933-34, met een klassieke, veelkleurige,
florale decoratie, of zelfs een boerenbontversiering op een crèmekleurig fond.

Aan het einde van de jaren 1930 raakten de eenvoudige, functionele serviezen uit de mode en werd Bellefroid door directeur Adolphe
Regout gedwongen klassiek aandoende serviezen te ontwerpen, zoals de serviezen ‘Recamier’ en ‘Dominique’, die beide een groot verkoopsucces
werden.

In 1930 begon De Sphinx met de productie van hotelporselein (Terra Nova genoemd) en na 1945 ook huishoudelijk porselein.
Van 1934 tot 1954 was de fabriek in handen van Adolphe Regout.

In 1936 ontwierp Marguerite Wildenhain-Friedlaender een aantal serviezen voor de Sphinx.

1940: Wereldoorlog II: ontwikkeling wordt ruw verstoord.
1949: Bereiking van het peil van voor de oorlog.

In 1946 vertrok Bellefroid naar Mosa en duurde het tot 1950 tot diens rechterhand Pierre Daems de functie van ontwerper kreeg, die hij na de fusie met de Societé Céramique in 1958 deelde met Otmar Lochschmidt.

De Sphinx had wederom moeite om de aansluiting bij de actuele ontwikkelingen te vinden. Na het vertrek van Bellefroid viel men terug op de vooroorlogse ontwerpen die men probeerde te actualiseren. Het in de jaren 1930 zo populaire servies ‘Maas’, nu uitgevoerd in de modekleuren geel en blauw, paste echter niet bij de veranderde consumentenwensen en de herintroductie werd geen succes.

In 1954 kwam Pierre Daems, die in 1950 zijn leermeester Bellefroid als productontwerper was opgevolgd, met een nieuw model: ‘Sphinx’, dat in diverse kleuren en decors op de markt werd gezet. Met dit servies had De Sphinx opnieuw groot succes, dat in 1956 met het model ‘Désirée’ werd gecontinueerd.
‘Sphinx’ en ‘Désirée’ behoren tot de laatste complete serviezen die De Sphinx lanceerde. Na de fusie met de Société Céramique in 1958 werkte het team van ontwerpers, onder aanvoering van Pierre Daems en Otmar Lochschmidt, voornamelijk aan op zichzelf staande producten zoals melk- eier- en pindastellen. Het complete servies leek z'n langste tijd te hebben gehad.

Wim Visser werkt van 1954-1956 voor De Sphinx.

Na de fusie/overname in 1958 van Société Céramique heette het bedrijf N.V. Sphinx-Céramique.

In 1959 kreeg het bedrijf ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan het predikaat Koninklijk, waarna het in 1960 zijn naam wijzigde in N.V. Koninklijke Sphinx. Dat jaar nam het bedrijf de N.V. Aardewerkfabriek De Toekomst van G. Lust in Oosterhout over. Regout was nu mede hierdoor de grootste aardewerkfabrikant van Nederland.

1962: Oprichting van B.V. Filtropa voor productie en verkoop van papieren filterzakjes.
1968: Oprichting van B.V. Handelmij. Randwijck voor de verkoop van voornamelijk geschenkartikelen.
1968: Overname van tegelfabriek 'Keramiekfabrieken Van Hemiksem en Van Dijle' in Hemiksem, België.
1969: Start fabricage kaarsen.

1969: Stopzetting productie huishoudelijk aardewerk en porselein om zich te concentreren op de productie van sanitair, tegels, vuurvast en huishoudelijke artikelen. Tegenwoordig vervaardigt het bedrijf niet alleen sanitairproducten, maar ook aanverwante producten als baden en kranen.

1975: Economische recessie resulterend in werktijdverkorting en vervroegde pensionering.
1977: Stopzetting kaarsenproductie. Oprichting verkoopkantoren in Frankrijk, België en Duitsland.
1978: Concentratie tegelproductie in Maastricht.
1980: Sluiting aardewerkfabriek ‘De Toekomst’.
1986: Sphinx weer zelfstandig door middel van introductie van certificaten van aandelen op de officiële markt van de Amsterdamse effectenbeurs.
1986: Overname Sphinx Tiles Ltd. van Reed International en voortzetting van Engelse activiteiten door Royal Dutch Sphinx Ltd.

1987: Grootse viering van het 150-jarige bestaan. Gift in bruikleen voor dertig jaar van de 75.000 stuks omvattende aardewerkcollectie aan de Gemeente Maastricht.

1988: Verkoop Céramique terrein (21ha) aan gemeente Maastricht ten behoeve van grootschalig stadsvernieuwingsproject.
1988: Toetreding van Wisa B.V. te Arnhem, producent van sanitaire kunststof producten; een eerste stap naar het totaal concept in de badkamermarkt.
1989: Toetreding van Warneton S.A., de belangrijkste Belgische fabrikant van keramisch sanitaire producten.
1989: Verzelfstandiging van B.V. Handelsmaatschappij Randwijck te Maastricht.
1990: Toetreding van Produits Céramique de Touraine S.A. (‘Celles’) te Selles-sur-Cher in Frankrijk, producent van keramisch sanitair.
1991: Sphinx verwerft participatie van 46% in Schock Bad GmbH (Duitsland), toonaangevend badkamermeubelfabrikant te Treuchtlingen.
1991: Toetreding Novoboch S.A. in België, producent van keramisch sanitair.
1991: Toetreding van Wallonit GmbH in Wallhausen, Duitsland, producent van keramisch sanitair.
1992: Oprichting Deutsche Sphinx Sanitair GmbH, waarin alle commerciële- en productiebelangen in Duitsland zijn geïntegreerd.
1992: Verzelfstandiging van B.V. Filtropa te Maastricht.
1993: Joint Venture met Hewitt voor Technische keramiek.

1994: Overname van alle uitstaande aandelen van de Zweedse Gustavsberg Groep. Door deze fusie worden douches en baden, kranen en leidingsystemen aan het reeds bestaande productpakket toegevoegd en wordt de positie in de Europese sanitairmarkt versterkt. De statutaire naam is veranderd in N.V. Koninklijke Sphinx Gustavsberg.

1997: Oprichting van een nieuwe fabriek van Koralle in Poznan, Polen, voor de productie van artikelen uit de middelste en lage prijsklassen.
1997: Mede als gevolg van de strategische heroriëntatie worden Schock Bad en Sphinx Tegels verkocht.
1997: Toetreding van Z.W.S. Wroclow in Polen, later omgedoopt tot Sphinx Wroclaw. Met deze acquisitie verwerft de Groep een aandeel in de Poolse markt en een mogelijkheid voor outsourcing in landen met lage lonen.
1998: Gustavsberg Rörsysteem en de daarbij behorende deelnemingen worden verkocht.
1998: Toetreding van Sanker Spol. S r.o. in de Republiek Slowakije. De tweede acquisitie in een land met lage lonen, met een aandeel in de lokale markt en weer een mogelijkheid voor outsourcing.
1999: Mede als gevolg van strategische heroriëntatie wordt WISA (spoel- en waterbesparingssystemen) verkocht.
1999: Op 14 december wordt N.V. Koninklijke Sphinx Gustavsberg overgenomen door het Finse bedrijf Sanitec Corporation.

2001: De statutaire naam wordt gewijzigd in Koninklijke Sphinx B.V.

In 2006 vertrekt de Koninklijke Sphinx uit de binnenstad van Maastricht, waarmee een einde komt aan 170 jaar industrieel verleden op het fabrieksterrein aan de Boschstraat.

Websites:
. Bekijk alle 17574 objecten uit de collectie decoraties Maastrichts aardewerk, 1836-1969 (Petrus Regout - Nederlands eerste grootindustrieel nalatenschap van de eerste Nederlandse industrieel Petrus Regout is bijna 130 jaar na zijn dood nog steeds onderwerp van een emotionele discussie. Over slavenarbeid en Belgische taferelen in een calvinistisch landje.

. Petrus Regout - Volop ondernemingszin aardewerk bij Regout/Sphinx en Société Céramique in Maastricht GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Koninklijke_Sphinx


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 914.