kunstbus

Dit artikel is 02-03-2009 voor het laatst bewerkt.

Snuifdoos

De snuifdoos kan verwijzen naar:
. 1 Anatomische snuifdoos
. 2 Doos met een in eau de cologne gedrenkt sponsje
. 3 Een speciaal doosje dat vroeger werd gebruikt om snuiftabak in te bewaren

Een snuifdoos (Fr. Tabatière) is een speciaal doosje dat vroeger werd gebruikt om snuiftabak in te bewaren. Het doosje diende tevens als hulpmiddel voor het snuiven van de tabak.

Materialen
De doosjes werden vaak gegraveerd door kunstenaars. Rijke mannen hadden vaak meerdere snuifdozen in hun bezit, waarvan sommige erg rijkelijk waren versierd met onder andere goud en diamanten. De goedkoopste snuifdozen waren echter gewoon van hout. Andere populaire materialen waren schildpadschilden en parelmoer. De deksels waren vaak versierd met een portret of tekening.

Populariteit
De snuifdoos is ontstaan in de 17de eeuw toen het snuiven in de mode raakte. De Europeanen hadden het gebruik van tabak - zowel snuiven als roken - van de Indianen in Amerika geleerd. Ze beschouwden deze nieuwigheid aanvankelijk als een geneesmiddel. Vanaf het midden van de zestiende eeuw werd tabak stilaan een genotmiddel en kreeg hij al vlug zijn fervente voor- en tegenstanders.

In zijn hoogtijdagen in de 18e eeuw was hij vooral een teken van aanzien, en bleef dat ook een tijdje nadat snuiftabak uit de mode raakte. Zo hadden veel staatshoofden lange tijd de gewoonte om een snuifdoos te geven aan ambassadeurs en andere bezoekers als eerbetoon. Tevens boden koningen bezoekers soms aan wat tabak te nemen uit hun eigen snuifdoos. Hofjuweliers kregen soms grote geldbedragen voor het maken van snuifdozen voor deze gelegenheden.

Vandaag de dag zijn snuifdozen vooral in trek bij musea en amateurverzamelaars. Oude modellen zijn vaak veel geld waard.

Cellenmozaïek (Cabinet des pierres)
(Snuif)doosjes die bestaan uit een frame van goud, opgevuld met gesneden edelstenen. Deze techniek werd in Dresden tot in hoge perfectie beoefend door edelsmeden als Heinrich Taddel ( - 1769) en vooral diens schoonzoon Johann Christian Neuber (7-4-1736 - 1-1-1808). In de Duitse Steinkabinettstabatieren (Zellenmosaik-snuifdozen) vormen de gebruikte sierstenen een complete collectie van alle in Saksen gevonden soorten. Bij iedere steen is in de gouden vatting een nummer gegraveerd dat correspondeert met een bijgevoegde lijst, waarin de stenen en hun vindplaatsen worden beschreven.

Tabatière à cage (Fr.)
Snuifdoos samengesteld uit een metalen frame, opgevuld met plaques van porselein, ivoor, parelmoer enz.

Snuifdoos, 1739, Jean Saint, Goud, 3.1 x 7.6 x 5.7 cm, Rijksmuseum Amsterdam
Gouden snuifdozen speelden een voortrekkersrol bij de introductie in Amsterdam van de nieuwe Franse mode, de Lodewijk XV-stijl of rococo. Kleine (kleding)accessoires reflecteerden de laatste mode sneller dan grote voorwerpen. De markt voor dergelijke objecten werd beheerst door uit Frankrijk afkomstige hugenoten, zoals goudsmid Jean Saint, die dicht stonden bij de bronnen van het rococo. Met de asymmetrische omlijsting van C- en S-krullen, schuimranden, schelpmotieven en een bloemenslinger behoort deze snuifdoos tot de vroegst bekende voorbeelden van de Lodewijk XV-stijl in Nederlands edelmetaal.
De snuifdoos lijkt geïnspireerd te zijn op het werk van de Franse ontwerper Juste-Aurèle Meissonnier (1695-1750). De voorstelling op de bovenzijde van een fontein in een tuinlandschap met een rondlopende colonnade, gebouwen en bomen, vertoont verwantschap met die op enkele deksels van tabaksdozen in de trant van de befaamde Franse ontwerper. De onderzijde van de snuifdoos is heel sober gehouden en versierd met een patroon van traliewerk met rozetten.

Snuifflesje
Kleine flacon bestemd voor het bewaren van snuifpoeder, meestal gedecoreerd met bloemen, vogels, landschappen of minuscule voorstellingen met figuren. Snuifflesjes werden van glas, kristal, porselein, jade, agaat, amethist, goud en zilver, bamboe, lak etc. gemaakt. Vaak gaat het flesje vergezeld van een lepeltje dat vastzit aan de stop om de poeder uit het flesje te scheppen.
Het snuifflesje is van Chinese oorsprong. De Chinezen geloofden dat snuiftabak medische kwaliteiten heeft. Het zou helpen tegen verkoudheid, migraine, tandpijn, keelpijn, constipatie, astma en indigestie. Beijing was het centrum van de snuiftabak. Munt, kamfer en jasmijn werden aan de tabak toegevoegd.
Pas in de 18de eeuw begon men volop flesjes te maken. In die periode werd het nemen van snuif ook een keizerlijk gebruik. Keizer Qianlong (1735-1796) zou meer dan 3000 flesjes verzameld hebben. De flesjes zijn steeds klein genoeg om in de palm van de hand te passen. Ze zijn gebaseerd op medicijnflesjes uit de 17de eeuw.
Het snuiven verbreidde zich in China gedurende de 17de eeuw en verdween tegen het eind van de 19de eeuw.
Glazen flesjes met beschildering binnenin werden gemaakt van 1880 tot in het begin van de 20ste eeuw. Deze flesjes zijn niet zo praktisch voor snuif (vlekken!) en vormen eigenlijk een overgangsperiode waarna de flesjes nog tot 1920-1930 louter als decoratie werden gemaakt. Naast de massale productie van goedkope souvenirflesjes zijn er tegenwoordig opnieuw scholen en workshops in Beijing waar flesjes met beschildering van hoge kwaliteit worden gemaakt. Sommige artiesten zijn zeer bekend en flesjes met hun handtekening zijn gegeerd en duur.

Snuiftabak is niet gewone gemalen tabak. De gebruikte tabaksbladeren werden gesponnen en gevlochten tot een karot (rol). Deze karotten waren gesausd en werden meerdere jaren bewaard. De snuifmolenaar maalde de snuif en deze werd dan vanuit (meest) Delftse Blauwe aardewerkpotten verkocht. - (snuiftabak door de gebruiker zelf met het ruwe vlak van een snuifrasp tot poeder geraspt. Deze werd dan opgevangen in een snuifdoos. De oudste snuifraspen zijn van ijzer en voorzien van een houten houder. Later wordt de houder versierd met kunstig gesneden ivoor, hout of zilver. Sommige raspen zijn aan het eind voorzien van een klein doosje waarin de fijngemalen tabak werd opgevangen. Kleine snuifraspen werden bewaard in een leren of geborduurde foedraal. Tegen het midden van de 18de eeuw had iedere stad zijn eigen snuifmolen, waardoor de handrasp overbodig werd.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article snuifdoos (Frans: tabatière anatomique, Engels: anatomical snuff box) is een kuiltje in de laterale zijde van de pols (de anatomische positie is met de handpalmen naar voren, dus dan is de duim lateraal) dat ontstaat wanneer de duim maximaal gestrekt en iets dorsaalwaarts bewogen wordt. Het kuiltje wordt langs mediaal begrensd door de pees van de musculus extensor pollicis longus en langs langs lateraal door de pezen van musculus extensor pollicis brevis en musculus abductor pollicis longus. De naam is ontstaan omdat het kuiltje traditioneel door tabakssnuivers werd gebruikt om wat tabak in te leggen bij het opsnuiven van snuiftabak. Het kuiltje wordt echter tegenwoordig vooral door drugsgebruikers gebruikt bij het opsnuiven van cocaïne.
Bij een breuk van het os scaphoideum (een veel voorkomend letsel bij een val die met gestrekte arm en uitgespreide hand wordt gebroken, waardoor grote kracht op de pols wordt uitgeoefend) is de anatomische snuifdoos bij druk pijnlijk, en soms als gevolg van een zwelling of een hematoom verstreken. Een dergelijke breuk wordt vaak niet opgemerkt als men er niet aan denkt om in de snuifdoos op drukpijn te controleren.
Soms is een nucleaire scan of een MRI nodig om een breuk aan te tonen.



Pageviews vandaag: 2327.