kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 18-04-2009 voor het laatst bewerkt.

zinsdeel

Het zinsdeel [-delen] o

Elk van de delen waaruit een zin is opgebouwd: onderwerp, gezegde enz.

Een zinsdeel is een zelfstandig functionerend woord dat of een zelfstandig functionerende woordgroep die bepalend is voor de betekenis van een zin. Zinsdelen zijn bijv. het onderwerp, het lijdend voorwerp en het gezegde.

[De opgeschoten jongens (= onderwerp)] [slenteren (= gezegde)] [de hele dag (= bijwoordelijke bepaling van tijd)] [langs de straat (= bijwoordelijke bepaling van plaats)].

[Een groep terroristen (= onderwerp)] [heeft] [de verantwoordelijkheid voor de bomaanslag (= lijdend voorwerp)] [opgeëist (heeft...opgeëist = gezegde)].

Een zinsdeel is in de grammatica een functioneel onderdeel van een zin. Het proces om een zin te ontleden in zinsdelen wordt zinsontleding of redekundig ontleden genoemd (in tegenstelling met "woordontleding"). De functie van een zinsdeel bepaalt voor een deel de vorm van de gebruikte woorden in het betreffende zinsdeel. In de taalkunde wordt dat een naamval genoemd. In het Nederlands (en bijvoorbeeld in het Engels) worden naamvallen nog maar weinig gebruikt, maar in veel andere talen komen ze voor. In talen met geen of weinig naamvallen is de volgorde van de onderdelen van een zin zeer bepalend voor de betekenis, in talen met veel naamvallen is deze volgorde van veel minder groot belang (zie verder de synthetische en de analytische talen).

Persoonsvorm en gezegde
De persoonsvorm is het actieve werkwoord van een zin, het geeft onder meer aan of de zin in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd staat. In het Nederlands worden sommige werkwoorden in een zin gesplitst in twee woorden (ophangen -> hij hangt zijn jas op). In dat geval bestaat de persoonsvorm uit twee woorden (hangt op).

De persoonsvorm is een onderdeel van het gezegde, waartoe alle werkwoorden van de zin behoren. Een gezegde kan naamwoordelijk zijn of werkwoordelijk. Er is sprake van een naamwoordelijk gezegde als er een koppelwerkwoord wordt gebruikt. Bij het gebruik van een koppelwerkwoord kan de zin geen lijdend voorwerp bevatten, en bevat het gezegde ook niet-werkwoorden. Voor het naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde wordt de nominatief gebruikt.

In de zin "Jan heeft Piet een boek gegeven", is "heeft" de persoonsvorm en "heeft gegeven" het (werkwoordelijk) gezegde.
In de zin "Het boek is een encyclopedie" is "is" de persoonsvorm en "is een encyclopedie" het naamwoordelijk gezegde.

Onderwerp
Het onderwerp is het zinsdeel dat de handeling van de persoonsvorm uitvoert. Voor het onderwerp wordt de nominatief gebruikt. Het onderwerp kan gevonden worden door te vragen "wie/wat + gezegde?"

In de zin "Jan heeft Piet een boek gegeven", is "Jan" het onderwerp.

Direct Object
Het direct object is het zinsdeel waarop de handeling van de persoonsvorm wordt uitgevoerd (het antwoord op de vraag: wie/wat + persoonsvorm + onderwerp + gezegde). Voor het lijdend voorwerp wordt de accusatief gebruikt.

In de zin "Jan heeft Piet een boek gegeven", is "een boek" het lijdend voorwerp.

Indirect Object
Het indirect object is het zinsdeel waaraan of waarvoor de handeling van de persoonsvorm betrekking heeft. In het Nederlands kan het voorzetsel "voor" of "aan" er worden voorgezet. Voor het meewerkend voorwerp wordt de datief gebruikt. (Aan/Voor + wie/wat + persoonsvorm + onderwerp + direct object(lijdend voorwerp) + gezegde)

In de zin "Jan heeft Piet een boek gegeven", is "Piet" het meewerkend voorwerp.

Voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepaling
Een voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel. Alle overige zinsdelen worden een bijwoordelijke bepaling genoemd. De naamval die in deze onderdelen wordt gebruikt is afhankelijk van het voorzetsel.

In de zin "Hij is tevreden met zijn computer", is "met zijn computer" het voorzetselvoorwerp.
In de zin "De jas hangt aan de kapstok", is "aan de kapstok" een bijwoordelijke bepaling.

In de zin "Jan heeft aan Piet een boek gegeven" is "aan Piet" strikt genomen een bijwoordelijke bepaling en geen meewerkend voorwerp.

Bepaling van gesteldheid
Een bepaling van gesteldheid staat tussen een bijwoordelijke bepaling en een bijvoeglijke bepaling in. Bijvoorbeeld in de zin "Het regent hard"

Overige bepalingen en bijzinnen
Gecompliceerdere zinnen kunnen bijzinnen en bepalingen bevatten die iets over de bovenstaande zinsdelen zeggen.

Bijvoeglijke bepaling
Een bijvoeglijke bepaling zegt iets over een zelfstandig naamwoord, maar kan samen met het zelfstandig naamwoord één van de eerder genoemde zinsdelen zijn.

Eenvoudige voorbeelden zijn dus de bijvoeglijke naamwoorden die bij een zelfstandig naamwoord staan:
De welluidende gitaar, het dappere vosje, de groeiende Wikipedia.
dit zijn dus bijvoeglijke bepalingen, maar geen zinsdelen. Voorbeeld van een bijvoeglijke bepaling die tegelijkertijd een zinsdeel is:
In de zin "Jan heeft Piet het boek gegeven dat op de kast lag" is "het boek dat op de kast lag" het lijdend voorwerp, "dat op de kast lag" is een bijvoeglijke bepaling bij "het boek".

Bijzin
"Jan geeft Piet een boek, terwijl Klaas ligt te slapen".


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Zinsdeel.

Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1922.